Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3733

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
02-082607-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WVW94. Dodelijk ongeval met lijnbus. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Verdachte, een beroepschauffeur met ruime ervaring, heeft geen voorrang verleend aan de voor hem van rechts komende fietser, niet bij voortduring gelet op het overige verkeer in zijn omgeving en zijn snelheid niet aangepast om een totaaloverzicht van de wegsituatie te verkrijgen. Taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van één jaar met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/082607-20

vonnis van de meervoudige kamer van 12 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. L.E. Buiting, advocaat te Gouda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. M. Snoeks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een lijnbus een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor een fietser om het leven is gekomen, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft een van rechts komende fietser geen voorrang verleend. Hij heeft de fietser niet gezien, terwijl hij deze wel had kunnen en moeten zien. Er was geen sprake van een dode hoek-situatie en er hing een verkeersspiegel waarmee extra zicht kon worden verkregen. Verder is uit de beelden gebleken dat de fietser gedurende drie seconden zichtbaar is geweest door het raam van het rechtervoorportier van de lijnbus. Uit dezelfde beelden volgt dat verdachte na het wegrijden in één vloeiende beweging is doorgereden tot aan het kruispunt en het moment van de aanrijding. Dit was, gelet op de complexe situatie ter plaatse, niet verantwoord. Van verdachte die beroepschauffeur is en ter plaatse bekend was, had extra voorzichtigheid mogen worden verwacht. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft een aanrijding plaatsgevonden, waardoor voornoemde fietser is overleden. Het rijgedrag van verdachte dient als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te worden gekwalificeerd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Verdachte heeft geen voorrang verleend, terwijl hij dat wel had moeten doen. Het enige verwijt dat verdachte daarbij kan worden gemaakt, is dat hij de fietser niet heeft gezien terwijl deze wel voor hem waarneembaar moet zijn geweest. Deze enkele verkeersfout is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) aan te kunnen nemen.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 24 februari 2019 op de Tol te Werkendam, gemeente Altena, een ongeval heeft veroorzaakt.

De Tol is een voorrangsweg en dit is aan de weggebruikers kenbaar gemaakt door middel van het verkeersbord B6 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (hierna: RVV). Parallel aan De Tol ligt een vrij liggend fietspad. Ongeveer haaks op De Tol en het fietspad ligt de weg waarop verdachte reed. Verdachte vertrok met zijn lijnbus van de daar gelegen bushalte, wilde het fietspad oversteken en op de kruising een paar meter verderop rechtsaf De Tol op rijden. Op de weg die verdachte reed waren, bezien vanuit zijn positie, zowel voor het kruisende fietspad als daarna voor de weg De Tol haaientanden als in de zin van artikel 80 RVV aangebracht. Het verkeer dat vanuit de richting van de bushalte de Tol op wil rijden, moet eerst voorrang verlenen aan de fietsers op dit fietspad. Daarna moet het verkeer vanaf de bushalte voorrang verlenen aan het overige verkeer op De Tol.

Ter hoogte van het fietspad is aan een lichtmast een verkeersspiegel gemonteerd. Deze verkeersspiegel biedt bestuurders die het fietspad willen oversteken zicht op voornoemd fietspad en de daarop rijdende fietsers die het kruispunt van rechts tegemoet rijden.

Verdachte is als bestuurder van een lijnbus vanaf genoemde bushalte richting het kruispunt met het vrij liggende fietspad gereden met de bedoeling om op de kruising vlak daarna rechts De Tol op te rijden. Hij is de voor hem geldende haaientanden voor dat fietspad gepasseerd, terwijl van rechts over dat fietspad [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) op haar fiets kwam aanrijden. Verdachte is vervolgens op het fietspad met zijn lijnbus tegen de linker voorzijde van de fiets gereden, waardoor [slachtoffer] ten val is gekomen. Zij heeft daarbij letsel opgelopen waaraan zij een paar weken later, te weten op 18 maart 2019, is overleden.

Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW?

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte schuld heeft, en zo ja in welke mate, aan het verkeersongeval. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.

Algemeen kader

Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder van een motorrijtuig in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Daarnaast dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

In deze zaak

Vast staat dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan de voor hem van rechts komende fietser, die op een voorrangsweg reed. Verdachte heeft hier als verklaring voor gegeven dat hij meermalen heeft gekeken, maar de fietser niet heeft gezien. De fietser zou zich mogelijk in de dode hoek hebben bevonden.

Uit de aangehaalde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte vanuit stilstand bij de bushalte is weggereden en vlak daarvoor of net daarna naar links en naar rechts heeft gekeken. Op dat moment had hij slechts beperkt zicht op een deel van het door hem te kruisen fietspad, omdat dit nog op enige afstand was gelegen en de weg waarop verdachte reed eerst nog een bocht maakt. Daarnaast staat aan de rechterzijde van de weg waarop verdachte reed een bushokje dat het zicht belemmert. Verdachte is vervolgens op het kruispunt afgereden en is zonder op enig moment zijn snelheid te matigen in één vloeiende beweging het kruisende fietspad opgereden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in een vloeiende beweging rechts de Tol op wilde rijden, nu hij dacht dat er niemand aan kwam. Toen hij het fietspad overstak, reed hij 17 kilometer per uur.

Verdachte heeft al doende naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende en niet op het juiste moment gekeken of er kruisend verkeer aan kwam dat hij voorrang moest geven. Verdachte stelt op het moment van vertrek van de bushalte gekeken te hebben of er fietsers aan kwamen en zegt de fietser niet te hebben gezien. De fietser zat niet in de dode hoek, de fietser was blijkens de camerabeelden immers gedurende drie seconden zichtbaar door de rechtervoorportier van de lijnbus en reed niet parallel aan de bus maar op het haaks gelegen fietspad. In de veronderstelling dat er niets aankwam, wilde de verdachte in een vloeiende beweging het fietspad passeren en De Tol rechts op rijden. Dit betekent dat verdachte, op het moment dat hij eerst in de gelegenheid was om het fietspad te overzien, vlak voor de haaientanden, niet zijn snelheid heeft aangepast en in de verkeersspiegel heeft gekeken, maar onverminderd is doorgereden. Door gebruik te maken van de verkeersspiegel had verdachte de fietser moeten zien en door zijn snelheid fors te verlagen voor de haaientanden voor het fietspad, had hij na het zien van de fietser tijdig kunnen gaan stilstaan.

Juist van verdachte, een beroepschauffeur met ruime ervaring en die bekend is met de ingewikkelde verkeerssituatie ter plaatse, mag extra oplettendheid en voorzichtigheid worden verwacht. Dit is van des te groter belang wanneer een fietspad wordt gekruist, waar zich per definitie kwetsbare verkeersdeelnemers kunnen bevinden. Door in één vloeiende beweging, zonder snelheid te minderen en zonder totaaloverzicht, het fietspad te kruisen om vervolgens de rijbaan op te draaien heeft verdachte een groot risico genomen op een ongeval.

Concluderend stelt de rechtbank dat verdachte niet alleen geen voorrang heeft verleend aan de voor hem van rechts komende fietser, maar dat verdachte tevens niet bij voortduring heeft gelet op het overige verkeer in zijn omgeving. Verdachte heeft ten slotte zijn snelheid niet aangepast om op die wijze een totaaloverzicht van de wegsituatie te verkrijgen om hier vervolgens beter op te kunnen anticiperen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. Zij merkt het rijgedrag van verdachte daarbij aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Daarmee is het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 24 februari 2019 te Werkendam, gemeente Altena als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Tol, (ter plaatse waar voor die kruisende weg een bord B6 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst -aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg- en op het wegdek haaientanden waren aangebracht), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, niet bij voortduring te letten op het overige verkeer in zijn omgeving en geen voorrang te verlenen aan een gezien zijn rijrichting, voor hem van rechts van die kruisende weg rijdende bestuurster van een fiets en zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander, (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Tevens vordert zij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. Zij baseert haar eis op de geldende richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de blanco documentatie van verdachte. De officier van justitie ziet geen reden om van de richtlijnen af te wijken door een voorwaardelijke rijontzegging te eisen, nu verdachte bij zijn werkgever tijdelijk ander werk kan verrichten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de gevoerde bewijsverweren niet worden gevolgd, verzoekt de verdediging rekening te houden met de enorme impact die het ongeval op verdachte heeft gehad. Verdachte heeft psychologische hulp gezocht en is na het ongeval langere tijd arbeidsongeschikt geweest. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Zij verzoekt in geval van een bewezenverklaring van het primaire tenlastegelegde geen onvoorwaardelijke rijontzegging aan verdachte op te leggen omdat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. De verdediging is van mening dat in geval van een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde kan worden volstaan met het opleggen van een geldboete.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 24 februari 2019 als bestuurder van een lijnbus in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Verdachte heeft bij het oprijden van een kruising onvoldoende op het verkeer op het kruisende brom-/fietspad gelet en zijn snelheid onvoldoende aangepast. Hij heeft daardoor het slachtoffer [slachtoffer] niet gezien en haar zodoende geen voorrang verleend, waardoor een noodlottige aanrijding is ontstaan, als gevolg waarvan [slachtoffer] het leven heeft verloren.

Met het overlijden van [slachtoffer] is de nabestaanden zeer ingrijpend en onherstelbaar leed toegebracht. De rechtbank realiseert zich dat geen straf recht kan doen aan het verlies en het verdriet dat het overlijden van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Benadrukt moet echter ook worden dat in zaken zoals deze voor de aard en de omvang van de op te leggen straf niet in eerste instantie de zeer tragische gevolgen maatgevend zijn, maar vooral de omvang van het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt. Daarnaast staat voor de rechtbank vast dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overlijden van [slachtoffer] of met zijn handelen een zodanig groot risico in het leven heeft geroepen dat haar overlijden bijna onvermijdelijk was. De gedragingen van verdachte en de daarbij passende strafmaat zijn daardoor in het geheel niet te vergelijken met een bewezenverklaring voor moord of doodslag.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het ongeval ook voor verdachte zelf zeer aangrijpend is geweest en dat hij hierdoor nog steeds aangeslagen is. Gebleken is dat hij psychologische hulp heeft gezocht om het ongeval te kunnen verwerken en dat hij langere tijd arbeidsongeschikt is geweest. Ook is gebleken dat hij na het ongeval heeft geprobeerd in contact te treden met de nabestaanden van het slachtoffer.

Ten slotte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank sluit bij het bepalen van de hoogte van de straf aan bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De oriëntatiepunten gaan in geval van het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval door een aanmerkelijke verkeersfout bij een first offender uit van een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

Alles afwegende, ziet de rechtbank geen reden om wat betreft de op te leggen taakstraf van de oriëntatiepunten af te wijken en zal aan verdachte daarom een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, opleggen. Wel ziet zij in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding ten aanzien van de rijontzegging af te wijken van de oriëntatiepunten. Het ongeval heeft een dusdanige impact op verdachte gehad dat hij psychische hulp heeft moeten zoeken. Verdachte is 28 jaar beroepschauffeur en rijdt reeds geruime tijd op de lijnbus. Gedurende die tijd heeft hij zich niet eerder schuldig gemaakt aan een verkeersdelict. Ook de afgelopen anderhalf heeft verdachte geen nieuwe strafbare feiten begaan. Een onvoorwaardelijke rijontzegging zou met zijn staat van dienst dan ook zijn doel voorbij schieten. De rechtbank zal daarom de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is
omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het primair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, mr. Beudeker en mr. Soomers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

12 augustus 2020.

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 februari 2019 te Werkendam, gemeente Altena als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Tol, (ter plaatse waar voor die kruisende weg(en) een bord B6 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst -aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg- en/of op het wegdek haaientanden waren aangebracht), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet bij voortduring te letten op het overige verkeer in zijn omgeving en/of geen voorrang te verlenen aan een gezien zijn rijrichting, voor hem van rechts van die kruisende weg rijdende bestuurster van een fiets en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander, (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 februari 2019 te Werkendam, gemeente Altena als bestuurder van een voertuig (lijnbus), daarmee rijdende op de weg, de Tol, (ter plaatse waar voor die kruisende weg(en) een bord B6 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst -aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg- en/of op het wegdek haaientanden waren aangebracht), niet bij voortduring heeft gelet op het overige verkeer in zijn omgeving en/of geen voorrang heeft verleend aan

een gezien zijn rijrichting, voor hem van rechts van die kruisende weg rijdende bestuurster van een fiets en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2019044538 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, team verkeer, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 36.

I Het proces-verbaal Aanrijding overtreding, pagina 4 tot en met 9 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –;

p. 4
Locatie ongeval
Datum : 24 februari 2019
Omstreeks : 14.09 uur
Adres : Tol

Plaats : Werkendam

Gemeente : Altena
Op de kruising met

Adres : Tol

II Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, pagina 10 tot en met 36 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven – ;

p. 11

Wij stelden vast dat:

* de Tol voor, op en voorbij de plaats van het ongeval een recht wegverloop had;

* de Tol ter hoogte van de plaats van het ongeval uit één rijbaan bestond opgedeeld
in twee rijstroken bestemd voor verkeer in beide richtingen;

* de Tol van links naar rechts bestond uit:

- trottoir;

- linkerfietsstrook bestemd voor het verkeer gaande in de richting van de
Dijkgraaf Den Dekkerweg-west;

- rechterfietsstrook bestemd voor het verkeer gaande in de richting van de
Dijkgraaf Den Dekkerweg-oost;

- linkerrijstrook bestemd voor het verkeer gaand in de richting van de
Dijkgraaf Den Dekkerweg-west;

- rechterstrook bestemd voor het verkeer gaande in de richting van de
Dijkgraaf Den Dekkerweg-oost;

- rechtergrasberm;

* het ongeval had plaats gevonden op de linkerfietsstrook van fietspad, bestemd
voor het verkeer gaande in de richting van de Dijkgraaf Den Dekkerweg-west;

* het wegdek van het fietspad bestond uit Dicht Asfalt Beton in een afwijkende rode
kleur;

* het ongeval had plaats gevonden ter hoogte van het busstation van de Tol oost;

* het busstation was voorzien van een eiland met haltes aan de noord-, linker- en
rechterzijde;

p. 12

* het ongeval had plaats gevonden aan de westzijde, bestemd voor het verkeer
gaande in de richting van de Tol.

Wij zagen dat het kruispunt vrij en overzichtelijk was.

Wij zagen dat het tijdens ons onderzoek ter plaatse helder en droog weer was.

Wij hadden geen redenen om aan te nemen dat de omstandigheden met betrekking tot het weer tijdens het ongeval anders zouden zijn geweest.

Wij zagen dat de Tol was aangeduid als voorrangsweg en dat dit kenbaar werd gemaakt aan het verkeer op het busstation, door middel van verkeersbord B6 en haaientanden op het wegdek. Tevens stelden wij vast dat het fietspad door middel van verkeersbord G12a was aangeduid als verplicht brom-/fietspad. Door ons werd vastgesteld dat aan de zuidzijde van het busstation ter hoogte van het fietspad een verkeersspiegel was gemonteerd aan een lichtmast, dat zicht bood op het fietspad aan de westzijde van de Tol.

Tijdens het omgevingsonderzoek werden door ons ten aanzien van de weg, het wegdek, de ter plaatse geldende verkeersmaatregelen en de wegbeheerder, geen omstandigheden geconstateerd die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

Betrokken voertuigen

Wij zagen dat bij dit verkeersongeval de volgende voertuigen betrokken waren:

- een lijnbus van het merk Mercedes-Benz, type Intouro M, voorzien van het kenteken [kenteken] .

- een damesfiets van het merk Gazelle, type Orange extra, kleur grijs.

p. 14

Door ons werd vastgesteld dat met behulp van een verkeersspiegel voldoende zicht kon worden behaald.

Tijdens dit onderzoek bleek ons dat;

- de registratietijd UTC-tijd betrof;

- de lijnbus om 13:09;16 uur, vanaf stilstand optrok naar een snelheid van 17 km/h;

- om 13:09;25 uur, nadat de lijnbus was afgeremd een snelheid werd bereikt van

1 km/h;

- om 13:09;27 uur, de lijnbus werd afgeremd naar 0 km/h;

- de lijnbus vanaf de halte in de richting van het fietspad van De Tol was gereden en

vervolgens zonder te stoppen het fietspad was opgereden.

p. 15

Overlijdensonderzoek

Op maandag 18 maart 2019 is in een verpleeghuis in Werkendam de fietser overleden. Door Dr. [naam] werd vastgesteld dat het slachtoffer was overleden ten gevolge van de opgelopen verwondingen van de botsing met de lijnbus.

Personalia fietser:

Naam : [slachtoffer]
Voornaam : [slachtoffer]

Toedracht

De fietser had gereden over de rechterrijstrook van het fietspad van de Tol, komende uit de richting van de Dijkgraaf Den Dekkerweg en gaande in de richting van het busstation-Oost. De lijnbus had gereden over de Tol komende uit de richting van de halte en gaande in de richting van het Fietspad met de Tol. De bestuurder van de lijnbus stak het fietspad van de Tol over, waar op dat moment de fietser reed.

Het gevolg was dat de lijnbus met de voorzijde tegen de linkerzijde van de fietser

botste. De fietser kwam vervolgens op het wegdek terecht.

p. 16

Oorzaak

- De bestuurder van de lijnbus had de fietser geen voorrang verleend;

- Tijdens het gehele onderzoek bleek uit niets, dat een ander dan de in dit

proces-verbaal genoemde betrokkenen, het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

Ten aanzien van de door ons onderzochte hypothese voertuig stelden wij het volgende vast dat tijdens het voertuigonderzoek werden door ons voor zover mogelijk, waarneembaar en gerelateerd aan dit ongeval, geen gebreken cq omstandigheden geconstateerd die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

Ten aanzien van de door ons onderzochte hypothese omgeving stelden wij het volgende vast:

Tijdens het omgevingsonderzoek werden door ons ten aanzien van de weg, het wegdek, de ter plaatse geldende verkeersmaatregelen en de wegbeheerder, geen omstandigheden geconstateerd die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

Gevolg

- Als gevolg van voornoemd verkeersongeval had de bestuurder van de fiets zwaar

lichamelijk letsel opgelopen.

- Ten gevolge van dit letsel was deze persoon overleden.

III De eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden, inhoudende – zakelijk weergegeven –;

Op de beelden die op 24 februari 2019 zijn gemaakt met de bewakingscamera’s van de lijnbus neemt de rechtbank het volgende waar. De lijnbus rijdt weg bij de bushalte, in de richting van het fietspad. Verdachte kijkt in zijn achteruitkijkspiegel en naar links en naar rechts. De afstand tussen de bushalte en het fietspad bedraagt ongeveer 25 meter. De fietser is op enig moment, gedurende drie seconden, zichtbaar door de ruit van het rechtervoorportier van de lijnbus. Verdachte kijkt op dat moment niet naar rechts. Verdachte kijkt op dat moment ook niet in de voor hem aan de linkerkant hangende verkeersspiegel die zicht biedt op het fietspad en fietsers die daarop van recht komen. Hij houdt zijn gezicht redelijk strak naar voren. De lijnbus rijdt vervolgens zonder snelheid te minderen, in één vloeiende beweging het fietspad op en komt op het fietspad in aanrijding met de fietser. De lijnbus komt tot stilstand en de fietser belandt met de fiets op het wegdek.

IV Het schriftelijk bescheid, te weten foto nr. 23, pagina 29 van voornoemd eindproces-verbaal.

V De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 29 juli 2020, inhoudende –

zakelijk weergegeven –;

Ik ben bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Ik rijd die busdienst al tien jaar. Het klopt dat op de weg waar ik reed, voorrang dient te worden verleend. Deze voorrangsregeling wordt kenbaar gemaakt door middel van een verkeersbord en haaientanden. Ik hoor u zeggen dat er ter plaatse een verkeersspiegel aanwezig is. Daar ben ik ook mee bekend. Het klopt dat ik geen voorrang aan het slachtoffer heb verleend, terwijl ik dat wel had moeten doen. Ik heb naar links, naar rechts en in de spiegel gekeken. Ik ben toen gaan rijden. Ik ben in één vloeiende beweging doorgereden. Ik heb haar totaal niet gezien.