Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3691

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5050
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2015. Artikel 39d, vierde lid Wet LB, Levensloopregeling. Belanghebbende verandert in 2015 van werkgever A naar werkgever B. Hij koopt zijn bij A opgebouwde levensloopregeling af maar blijft via werkgever B opbouwen. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de 80 percent-regeling als bedoeld in artikel 39d, vierde lid van de Wet LB omdat de levensloopregeling van belanghebbende in 2015 niet in volle omvang is beëindigd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de uitkering van belanghebbende uit de levensloopregeling dient te worden aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 39d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-10-2020
V-N Vandaag 2020/2510
FutD 2020-3117
NTFR 2020/3310 met annotatie van
V-N 2020/60.2.3
Vp-bulletin 2021/5 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens, J.M.P. Tobben
NLF 2020/2334 met annotatie van
NLF 2020/2334 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/5050

uitspraak van 7 augustus 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 augustus 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 152.013 alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 698 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H .56.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2020 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur [verweerder 1] en [verweerder 2] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is geboren op [datum] .

2.2.

Van 1 november 2004 tot 1 april 2015 is belanghebbende werkzaam geweest bij [stichting] (hierna: [stichting] ). Op 1 maart 2006 heeft hij via [stichting] een levensloop-verzekering afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij] , met polisnummer [nummer 1] . In 2015 heeft belanghebbende via [stichting] een bedrag van € 1.923 in deze levensloopregeling gestort.

2.3.

Met ingang van 1 april 2015 is belanghebbende werkzaam bij de [Universiteit] (hierna: de [Universiteit] ). Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij ook bij deze werkgever heeft deelgenomen aan een levensloopregeling, ditmaal onder het polisnummer [nummer 2] van [verzekeringsmaatschappij] . Via deze polis heeft belanghebbende in 2015 een bedrag van € 5.769 in de levensloopregeling gestort. In 2016 heeft belanghebbende bij de [Universiteit] een bedrag van € 7.692 in de levensloopregeling gestort en tenslotte in 2017 een bedrag van € 641.

2.4.

Belanghebbende heeft [verzekeringsmaatschappij] in 2015 verzocht de polis bij [stichting] te beëindigen en een uitkering van het levenslooptegoed te doen.

2.5.

[verzekeringsmaatschappij] heeft op 9 december 2015 als volgt op dit verzoek gereageerd waarbij als kenmerk van de brief het polisnummer [nummer 1] wordt vermeld:

“Onderwerp: Opnameverzoek en

beëindiging polis

Geachte heer [belanghebbende] ,

U hebt aangegeven dat u uw levenslooptegoed ineens wilt opnemen. In deze brief informeren wij u over de verdere afhandeling.

Uitbetaling

Uw levenslooptegoed van € 38.570,98 (netto) wordt omstreeks 22 december 2015 door [verzekeringsmaatschappij] aan u uitbetaald op het door u aangegeven rekeningnummer.

Loonheffingen

[verzekeringsmaatschappij] treedt als inhoudingsplichtige op. Dit houdt in dat wij de verschuldigde loonheffingen inhouden op uw levenslooptegoed en afdragen aan de Belastingdienst.

Levensloopverlof korting

Wij houden geen rekening met de door u opgebouwde maar nog niet genoten levensloopverlofkorting. Nog niet genoten levensloopverlofkorting kunt u zelf verrekenen in de aangifte inkomstenbelasting 2015. (…)

2.6.

Op basis van het voorgaande verzoek heeft belanghebbende van [verzekeringsmaatschappij] een uitkering ontvangen van € 80.356,20 bruto. [verzekeringsmaatschappij] heeft de uitkering gedaan onder inhouding van loonheffingen over het volledige bedrag. De netto-uitkering bedraagt € 38.570,98.

2.7.

Belanghebbende heeft op 5 maart 2016 aangifte IB/PVV 2015 gedaan en op 31 maart 2016 een correctie op de aangifte doorgevoerd. Belanghebbende heeft de uitkering van [verzekeringsmaatschappij] (zie 2.6) voor een bedrag van € 64.874 in zijn aangifte opgenomen. Daarnaast heeft hij een bedrag van € 1.242 (zes jaar maal € 207) aan levensloopverlofkorting toegepast.

2.8.

Met dagtekening 3 juni 2016 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag opgelegd overeenkomstig de door hem ingediende aangifte.

2.9.

Met dagtekening 20 juli 2018 is aan belanghebbende de definitieve aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. Hierbij is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De uitkering van [verzekeringsmaatschappij] is in aanmerking genomen voor het bedrag van € 80.356.

2.10.

In het jaar 2017 heeft belanghebbende nogmaals een bedrag aan levenslooptegoed opgenomen om te gebruiken voor een verlofperiode (sabbatical). In 2017 is door de [Universiteit] een levensloopverlofkorting toegepast van € 1.260 (zes jaar maal € 210).

2.11.

Tussen partijen is nog in geschil of belanghebbende met betrekking tot de uitkering uit de levenslooppolis recht heeft op toepassing van de 80 percent-regeling als bedoeld in artikel 39d, vierde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB). Daarnaast is in geschil of de uitkering uit de levensloopregeling dient te worden aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid of als inkomen uit vroegere arbeid. Tenslotte is in geschil of de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht.

2.12.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de 80 percent-regeling van toepassing is op de uitkering van het levenslooptegoed omdat hij het tegoed in één keer heeft opgenomen. De uitkering van het levenslooptegoed moet volgens belanghebbende worden aangemerkt als inkomen uit vroegere arbeid.

2.13.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de uitkering van het levenslooptegoed niet de volledige aanspraak van de levensloopregeling betreft, waardoor de 80 percent-regeling niet van toepassing is. Daarnaast stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de uitkering uit de levensloopregeling moet worden aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking.

2.14.

Artikel 39d van de Wet LB (tekst 2015) bepaalt als volgt:

“1.Voor de werknemer die op 31 december 2011 een aanspraak had ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, zoals dit artikel op 31 december 2011 luidde, waarvan de waarde in het economische verkeer op die datum € 3000 of meer bedroeg, blijven de artikelen 11, eerste lid, onderdeel j, onder 5°, en onderdeel r, onder 4°, en derde lid, 19g, met uitzondering van het tweede lid, 21c, onderdeel f, 22a, zesde lid, 22ca, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en 22d, artikel 25, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 4, zesde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals deze artikelen op 31 december 2011 luidden, van toepassing, met dien verstande dat:

  1. bij de toepassing van artikel 22ca, tweede lid, zoals dat artikel op 31 december 2011 luidde, kalenderjaren die na 31 december 2011 zijn geëindigd buiten beschouwing blijven;

  2. de op artikel 19g, zoals dat artikel op 31 december 2011 luidde, gebaseerde bepalingen van toepassing blijven met inachtneming van de omstandigheid dat artikel 19g, tweede lid, zoals dat op 31 december 2011 luidde, niet meer van toepassing is.

2. Bij toepassing van dit artikel wordt artikel 19g, achtste lid, zoals dat luidde op 31 december 2011, vanaf 1 januari 2013 als volgt gelezen:

8. De ingevolge de levensloopregeling opgebouwde voorziening wordt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, maar uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer.

3. Het eerste lid is voor de werknemer niet van toepassing ingeval het tweede lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, is toegepast.

4. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de werknemer ineens beschikt over de opgebouwde aanspraak, bedoeld in het eerste lid, en voor zover het ingevolge het eerste lid als loon in aanmerking te nemen bedrag niet hoger is dan de waarde in het economisch verkeer van die aanspraak op 31 december 2013, 80 percent van het ingevolge het eerste lid als loon in aanmerking te nemen bedrag in aanmerking genomen. Na toepassing van de eerste volzin, is op de werknemer het eerste lid niet meer van toepassing.

2.15.

Artikel 19g van de Wet LB luidde (tekst 2011), voor zover van belang, als volgt:

‘(…)

3. Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt overgemaakt naar een geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling, als premie gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van een levensloopregeling, dan wel overgemaakt naar de beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling.

(…)

6. Indien op enig tijdstip:

  1. een levensloopregeling niet langer als zodanig is aan te merken, of

  2. (…), of

  3. (…), wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak.

2.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende voldoet aan de gestelde eisen in artikel 39d, eerste lid, van de Wet LB. Op 31 december 2011 had hij een levenslooptegoed van meer dan € 3.000, waardoor het overgangsrecht van artikel 39d van de Wet LB van toepassing is op belanghebbende.

2.17.

Belanghebbende is in het jaar 2015 overgestapt van [stichting] naar de [Universiteit] . De rechtbank overweegt dat belanghebbende bij zijn nieuwe werkgever kennelijk gebruik heeft gemaakt van artikel 39d, eerste lid, van de wet LB nu hij in 2015 via de [Universiteit] een bedrag van € 5.769 in de levensloopregeling heeft gestort. Dat [verzekeringsmaatschappij] die ene voortgezette levensloopregeling administreerde onder twee verschillende polisnummers doet daaraan niet af. In 2015 heeft belanghebbende aan [verzekeringsmaatschappij] slechts verzocht het deel van de levensloopregeling voor zover deze bij [stichting] was opgebouwd, te beëindigen (zie 2.5). Ook uit de in 2017 toegepaste levensloopverlofkorting (in het midden kan blijven of deze korting terecht is toegepast) blijkt dat de [Universiteit] en [verzekeringsmaatschappij] ervan uitgingen dat de levensloopregeling uit 2006 door belanghebbende ook na 2015 nog is voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank staat met het voorgaande vast dat de levensloopregeling van belanghebbende in 2015 niet in volle omvang is beëindigd. Belanghebbende heeft geen recht op toepassing van de 80 percent-regeling als bedoeld in artikel 39d vierde lid van de Wet LB.

Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking of inkomen uit vroegere dienstbetrekking?

2.18.

Artikel 8.1, lid 3 van de Wet IB 2001 (tekst 2011) luidt als volgt:

“ Niet tot het arbeidsinkomen wordt gerekend het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt beschikt door een werknemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt.”

2.19.

Nu vaststaat dat belanghebbende aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar nog niet heeft bereikt, geldt de uitzondering van artikel 8.1, lid 3 van de Wet Ib 2001 niet voor belanghebbende.

2.20.

Op grond van artikel 5.8 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (tekst 2011, hierna de uitvoeringsregeling) worden uitkeringen met betrekking tot de levensloopregeling, behoudens de genoemde uitzonderingen, aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid. Artikel 5.8 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting, luidde voor zover hier van belang, als volgt:

“(..)4. Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de levensloopregeling, worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen. In afwijking van de eerste volzin wordt de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking:

  1. ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt;

  2. in geval van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking.

5. Indien in strijd met de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk over het levenslooploon wordt beschikt, wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer (..)”

2.21.

De rechtbank overweegt dat de uitkering van belanghebbende uit de levensloopregeling dient te worden aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid. Geen van de genoemde uitzonderingen in artikel 5.8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling is op de situatie van belanghebbende van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank strookt het aanmerken van de uitkering uit de levensloopregeling als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking bovendien met de bedoeling van de levensloopregeling. Uitkeringen uit een levensloopregeling zijn bedoeld om tijdelijk in de plaats te komen van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, bijvoorbeeld wanneer iemand zijn gewone beroepsbezigheden onderbreekt voor een sabbatical. Voor dat geval is niet in geschil dat het bedrag van de arbeidskorting tot het juiste bedrag is vastgesteld. Ook in zoverre is het gelijk aan de inspecteur.

Belastingrente

2.22.

Niet in geschil is dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de belastingrente juist zijn toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht. De stelling van belanghebbende dat het onredelijk is om belastingrente in rekening te brengen omdat de inspecteur er ruim twee jaar over heeft gedaan de aanslag op te leggen, leidt niet tot een ander oordeel. De inspecteur heeft tijdig, conform de ingediende aangifte, een voorlopige aanslag opgelegd. De wet (artikel 11 van de AWR) geeft de inspecteur een periode van – in beginsel – drie jaar na afloop van het belastingjaar om een definitieve aanslag op te leggen. De inspecteur kan niet worden verplicht de aanslag eerder op te leggen of om tussentijds een nadere voorlopige aanslag op te leggen. Nu de inspecteur de aanslag binnen drie jaar heeft opgelegd, is het gelijk aan de inspecteur.

2.23.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.24.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2020 door mr. J.P.M. Kooijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.