Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3640

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
02-166348-19, 02-821250-16, 02-820701-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Belaging. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummers: 02/166348-19; 02/821250-16 en 02/820701-17 vordering herroeping VI (99-000272-51)

vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag 1] 1979 te [geboorteplaats 1]

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres 1]

raadsman: mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met bovenvermelde parketnummers en VI-nummer behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-partner en ex-schoonouders gedurende een periode van ruim zeven weken heeft gestalkt.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

3.2

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het tenlastegelegde feit is een klachtdelict. Nu in dit verband geen klacht is gedaan door aangeefster [aangever 1] , zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte voor zover het tenlastegelegde feit ziet op [aangever 1] .

De overige in de tenlastelegging genoemde aangevers [aangever 2] en [aangever 3] , hebben na het doen van hun aangiftes ieder een klacht gedaan. Hoewel bovenaan de aangifte van

[aangever 3] staat vermeld dat hij aangifte doet namens zijn dochter [aangever 2] , blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de inhoud van zijn aangifte dat hij ook aangifte doet voor zichzelf. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zijn klacht eveneens ziet op de strafvervolging van verdachte jegens zowel [aangever 2] als hemzelf. Ten aanzien van het tenlastegelegde feit inzake [aangever 2] en [aangever 3] is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank daarom ontvankelijk in de vervolging.

3.4

Schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Hij verwijst daarbij naar de bewijsmiddelen in het

dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft zich enkel op openbare plaatsen begeven waar zijn zoon op dat moment was met als doel om hem te kunnen zien, omdat zijn ex-partner geen toestemming gaf voor het hebben van omgang. Dit gedrag, dat niet “veelvuldig” was, is misschien niet prettig geweest voor zijn ex-partner [aangever 2] en ex-schoonvader [aangever 3] (hierna tevens: aangevers), maar kan niet worden gekwalificeerd als belaging. De vereiste opzet, ook in voorwaardelijke zin, om hun lastig te vallen, een onveilig gevoel te geven of in hun vrijheid aan te tasten ontbreekt. Bovendien gaat het om een periode van slechts 55 dagen waarin er contactmomenten hebben plaatsgevonden, wat onvoldoende is om van een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer te kunnen spreken. Daarnaast blijkt niet dat verdachte het oogmerk heeft gehad om aangevers te dwingen iets te doen, iets niet te doen, iets te dulden en/of vrees aan te jagen. Er is onvoldoende bewijs voorhanden, waaruit blijkt dat verdachte dreigende en/of beledigende woorden zou hebben geroepen. Er ontbreekt een civielrechtelijke omgangsregeling, waardoor verdachte zich niet in strijd hiermee kan hebben gedragen.

Als er wel sprake zou zijn van voldoende wettig bewijs, moet verdachte alsnog worden vrijgesproken wegens gebrek aan overtuiging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte in de periode van 16 mei 2019 tot en met 10 juli 2019 via zijn telefoon (WhatsApp)berichten heeft gestuurd naar [aangever 2] , veelvuldig door de straten en langs de woningen van [aangever 2] en [aangever 3] is gereden en/of gelopen en/of gefietst en hier veelvuldig post gericht aan zijn zoon is de brievenbus heeft gedeponeerd, zich bij en/rondom het kinderdagverblijf van zijn zoon [naam] heeft opgehouden, veelvuldig [aangever 2] en [aangever 3] hun nabijheid heeft opgezocht en “pannenkoek” heeft geroepen naar [aangever 3] . Gelet op de context waarin dit naar [aangever 3] is geroepen, kwalificeert de rechtbank “pannenkoek” als beledigende woord.

Zijn de handelingen te kwalificeren als belaging?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of voornoemde feitelijke handelingen van verdachte te kwalificeren zijn als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Van belaging is sprake wanneer wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het oogmerk de ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van deze vraag zijn verschillende factoren van belang, namelijk de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers.

In dit kader wijst de rechtbank erop dat verdachte zijn ex-partner en ex-schoonvader in de tenlastegelegde periode van ruim zeven weken bijna dagelijks – en soms zelfs op meerdere momenten per dag – met zijn aanwezigheid heeft geconfronteerd. Dit was niet alleen in hun woonomgeving, maar ook in de omgeving van het kinderdagverblijf van hun (klein)zoon en in het centrum van Goes. Daarbij bleef het niet bij zijn enkele aanwezigheid, hij heeft hen ook nog opgewacht. Daarnaast heeft verdachte ook nog op andere manieren met hen contact gezocht, namelijk door meerdere keren post gericht aan zijn zoon in hun brievenbussen te deponeren, (WhatsApp)berichten naar [aangever 2] te versturen en een beledigende tekst naar [aangever 3] te roepen.

Stelselmatig inbreuk op de persoonlijke levenssfeer

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, gelet op aard en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed die aangevers daarvan op hun persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid moeten hebben ondervonden, zodanig zijn geweest dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangevers. Dit met name gelet op de vele verschillende manieren waarop verdachte in het persoonlijke leven van [aangever 2] en [aangever 3] aanwezig is geweest.

Wederrechtelijkheid

Deze inbreuk op het persoonlijke leven van aangever door verdachte was wederrechtelijk. Ook nadat verdachte tot drie keer toe met drie verschillende personen een stopgesprek heeft gehad, is hij doorgegaan met het op verschillende manieren verschijnen in het leven van aangevers. Dat hij dit deed om zijn zoon te kunnen zien, maakt niet dat de vastgestelde inbreuk niet wederrechtelijk is. De wens van verdachte om omgang met zijn zoon te hebben en om zijn zoon te zien, is begrijpelijk. Een goede omgangsregeling en contact zijn in ieders belang. Verdachte is in het nastreven van zijn belangen bij herhaling te ver gegaan ten koste van aangevers.

Opzet

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van opzet. Door bijna dagelijks op verschillende manieren in het leven van aangevers aanwezig te zijn geweest om zijn zoon te kunnen zien, heeft verdachte in ieder geval voorwaardelijke opzet gehad op het maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangevers. De zoon van verdachte was ten tijde van de gedragingen van verdachte 2 jaar oud en om die reden samen met [aangever 2] , zijn moeder, en/of [aangever 3] , zijn opa.

Oogmerk

Hoewel de contacten van verdachte naar zijn zeggen als doel hadden om zijn zoon te zien, kunnen de hiervoor omschreven gedragingen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het dwingen van [aangever 2] en [aangever 3] iets te doen, namelijk het laten hebben van contact met zijn zoon, en te dulden, namelijk het voortdurend contact zoeken met zijn zoon, zijn nadrukkelijke aanwezigheid, het ontvangen van post, het ontvangen van berichten en beledigingen, dat het niet anders kan zijn dat verdachte het oogmerk had om dit gevolg te laten intreden. De rechtbank verwerpt daarom ook het verweer van de verdediging dat het oogmerk ontbrak.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van wederrechtelijk stelselmatig en opzettelijk handelen van verdachte en dat hij zich dus schuldig heeft gemaakt aan belaging van [aangever 2] en [aangever 3] . Zij acht het tenlastegelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 16 mei 2019 tot en met 10 juli 2019 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 2] (zijn ex-partner) en [aangever 3] (zijn ex-schoonvader), door ongewenst

- ( whatsapp)berichten te sturen en te verzenden naar die [aangever 2] en

- veelvuldig langs de woningen van die [aangever 2] en [aangever 3] te rijden en door de straat, waarin die woningen gelegen zijn, te rijden en/of te lopen en/of te fietsen, en

- veelvuldig zich bij de woningen van die [aangever 2] en [aangever 3] op te houden en post gericht aan [naam] in de brievenbus te deponeren, en

- zich bij en/of rondom het kinderdagverblijf (van zijn zoon [naam] ) op te houden, en

- veelvuldig de nabijheid van die [aangever 2] en [aangever 3] op te zoeken, en

- beledigende woorden te roepen naar [aangever 3]

met het oogmerk [aangever 2] en [aangever 3] te dwingen iets te doen en te dulden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering en een contact- en locatieverbod ten aanzien van de slachtoffers. Daarbij moet een uitzonderingssituatie gelden voor het mogelijk maken van omgang tussen verdachte en zijn zoon. Daarnaast heeft hij verzocht te bevelen dat de bijzondere voorwaarden ter bescherming van aangevers dadelijk uitvoerbaar zijn. Het reclasseringstoezicht dient ter controle of verdachte zich aan de voorwaarden houdt. Bij een overtreding kan de reclassering het Openbaar Ministerie contacteren, zodat hierop spoedig kan worden gehandhaafd. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat het contact- en locatieverbod als gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.

De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn eis rekening gehouden met de duur en de ernst van het feit en het tijdsverloop.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, indien een veroordeling mocht volgen, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten de duur van zijn voorarrest, het feit dat hij zich gedurende het afgelopen jaar aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en het feit dat er een civiele procedure loopt over de omgang met zijn zoon. Gelet hierop wordt nadrukkelijk verzocht het advies van de reclassering te volgen en geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Als er wel bijzondere voorwaarden mochten worden opgelegd, is het verzoek deze niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren en zeker geen contactverbod op te leggen ten aanzien van zijn zoon.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich meer dan een jaar geleden gedurende een periode van ruim zeven weken schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner en ex-schoonvader. Hij heeft toen door zich veelvuldig in de omgeving van hun beider woningen te begeven, veelvuldig post gericht aan zijn zoon in de brievenbus te doen, zich bij en/of rondom het kinderdagverblijf van zijn zoon op te houden en het versturen van berichten en het uiten van beledigingen een stelselmatige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner en ex-schoonvader. Hij handelde vanuit zijn eigen behoefte om contact te willen hebben met zijn zoon.

De rechtbank begrijpt de wens van verdachte om contact te willen hebben met zijn kind. Daarnaast heeft de rechtbank er oog voor dat zijn ex-partner verdachte tijdens zijn detentie met regelmaat kwam opzoeken met zijn zoon en zij kort na zijn vrijlating kennelijk zonder reden niet langer met verdachte in contact wenste te treden en geen toestemming meer verleende voor het hebben van contact tussen verdachte en zijn zoon. Verdachte zou eerst de formele weg moeten volgen voordat contact met zijn zoon weer mogelijk zou zijn. Als gevolg hiervan heeft verdachte uit emotie gehandeld en op diverse manieren geprobeerd om alsnog contact te bewerkstelligen. Verdachte is hierbij te ver gegaan en hij heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. De aangevers hebben zich door het gedrag van verdachte namelijk angstig en onveilig gevoeld en ondervinden daarvan nog altijd de gevolgen, zoals ook blijkt uit hun ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf rekening met de hiervoor geschetste bijzondere omstandigheden van het geval en het feit dat verdachte zijn zoon als gevolg van dit alles al een langere periode niet meer heeft gezien.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij zich in de afgelopen vijf jaren niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten.

Verder blijkt uit het reclasseringsadvies van GGZ Emergis van 7 juli 2020 dat verdachte op praktisch gebied stabiliteit heeft behaald. Zo heeft hij onder andere inkomen uit werk. Er wordt geen mogelijkheid gezien om gedragsverandering bij verdachte te bereiken om het recidiverisico verder te kunnen verlagen. Verdachte heeft geen vertrouwen meer in instanties, waardoor er geen inhoudelijke begeleiding en behandeling mogelijk is. Om die reden wordt geadviseerd aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. Wel wordt geadviseerd een contact- en locatieverbod ten aanzien van de aangevers als gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen.

Ter zitting is namens de reclassering het advies nader toegelicht. De deskundige heeft aangevoerd dat de inhoudelijke medewerking van verdachte tot gedragsverandering ontbreekt, omdat zijn hulpvraag enkel is gericht op het bewerkstelligen van contact met zijn zoon. Daarom is het opleggen van bijzondere voorwaarden aan verdachte, waarop de reclassering toezicht houdt, niet zinvol. Ook als alleen een contactverbod en een locatieverbod ten aanzien van de slachtoffers als bijzondere voorwaarden mochten worden opgelegd en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar mochten worden verklaard, heeft reclasseringstoezicht weinig meerwaarde. Bij een retourmelding van het toezicht duurt het lang voordat er kan worden ingegrepen. Daarom heeft het opleggen van een contact- en locatieverbod als gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht de voorkeur.

Alles afwegende, meer in het bijzonder vanwege de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder verdachte tot het feit is gekomen, acht de rechtbank het niet passend of geboden om aan verdachte een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de dagen die hij in voorarrest heeft doorgebracht in verband met onderhavige zaak. Verdachte heeft in totaal 10 dagen in voorarrest gezeten. Daarnaast is een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, te weten van 30 dagen. Met die voorwaardelijke straf wordt ook geprobeerd te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan belaging. De rechtbank zal aan verdachte daarom opleggen een gevangenisstraf van 40 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Zij zal daarbij als bijzondere voorwaarde opleggen een contactverbod met [aangever 2] , met [aangever 3] en met [aangever 1] , omdat zij in dezelfde woning verblijft als [aangever 2] en [aangever 3] . Ook zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een locatieverbod opleggen voor de straten waar aangevers woonachtig zijn, te weten de [adres 2] te Goes, de [adres 3] te Kloetinge en de straat van de kinderopvang waar zijn zoon verblijft, gelegen aan de [adres 4] te Goes of elke andere locatie waar zijn zoon naar de kinderopvang zal gaan. Voor beide bijzondere voorwaarden geldt een uitzonderingssituatie, namelijk dat contact of aanwezigheid wel is toegestaan via een advocaat in het kader van een vast te stellen omgangsregeling of met voornoemde personen overeenkomstig een door de rechter vastgestelde omgangsregeling of een tussen partijen zelf vastgestelde regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van de zoon dat hij met beide ouders, dus ook met verdachte, omgang heeft.

Het contact- en locatieverbod legt de rechtbank niet op in het kader van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht vanwege de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden van het geval op grond waarvan verdachte tot het bewezenverklaarde feit is gekomen.

De rechtbank zal de reclassering niet belasten met het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Dat heeft, nu het gaat om een contact- en een locatieverbod, weinig toegevoegde waarde, zoals ook blijkt uit de toelichting van de deskundige ter zitting. Dat betekent dat, gelet op artikel 14d lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, het Openbaar Ministerie met dit toezicht is belast.

De rechtbank stelt vast dat de problematiek tussen verdachte en zijn ex-partner en ex-schoonvader omtrent het contact van verdachte met zijn zoon nog niet is opgelost. Er loopt in dat kader nog een civiele procedure, waardoor er nog geen duidelijkheid bestaat of en op welke termijn verdachte omgang met zijn zoon zal hebben. Gelet op deze situatie en de inhoud van het reclasseringsrapport en de toelichting hierop ter zitting ziet de rechtbank aanleiding te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Tenslotte stelt de rechtbank vast dat verdachte het onvoorwaardelijke strafdeel al heeft uitgezeten op de dag van de uitspraak. Zij zal daarom het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7 De benadeelde partijen

[aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] vordert inzake het tenlastegelegde feit een schadevergoeding van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade.

De officier van justitie zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte voor het tenlastegelegde feit inzake [aangever 1] , het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

[aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert inzake het tenlastegelegde feit een schadevergoeding van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank is mede gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, zoals weergegeven onder 6.3, van oordeel dat niet eenvoudig is vast te stellen in welke mate verdachte verantwoordelijk is voor de bij de benadeelde partij [aangever 2] ontstane immateriële schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is daarom van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Om die reden zal zij de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Zij kan de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[aangever 3]

De benadeelde partij [aangever 3] vordert inzake het tenlastegelegde feit een schadevergoeding van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade.

Gelet op de relatief korte periode waarin verdachte dagelijks de nabijheid opzocht van de dochter en kleinzoon van de benadeelde partij waardoor ook hij met verdachte werd geconfronteerd, acht de rechtbank de schade tot een bedrag van € 1.000,00 een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Verdachte is aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Dit toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dit gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De officier van justitie heeft een vordering ingediend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, te weten onderhavig bewezenverklaard feit.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering, nu deze op 8 augustus 2019 door de strafgriffie is ontvangen en deze de grond bevat waarop zij berust.

Ter zitting van 23 juli 2020 heeft de officier van justitie echter verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen, aangezien de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling afloopt op 26 juli 2020 en hij het, gelet op deze omstandigheid en de datum van de vordering, niet opportuun acht om op dit moment nog herroeping van de invrijheidstelling te verzoeken.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van de officier van justitie dateert van bijna een jaar geleden en dat de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling inmiddels is verstreken. Zij is oordeel dat herroeping van de invrijheidstelling op dit moment daarom niet meer opportuun is. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het tenlastegelegde feit inzake [aangever 1] ;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

belaging, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangever 2] , geboren op [geboortedag 2] 1990 te [geboorteplaats 2] , [aangever 3] , geboren op [geboortedag 3] 1959 te [geboorteplaats 2] en [aangever 1] , geboren op [geboortedag 4] 1959 te ’ [geboorteplaats 3] , tenzij dit gebeurt via een advocaat in het kader van een vast te stellen omgangsregeling of met voornoemde personen overeenkomstig een door de rechter vastgestelde omgangsregeling of een tussen partijen zelf vastgestelde regeling. Het Openbaar Ministerie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [adres 2] te Goes, de [adres 3] te Kloetinge en de straat van de kinderopvang waar zijn zoon verblijft, thans gelegen aan de [adres 4] te Goes of elke andere locatie alwaar zijn zoon naar de kinderopvang zal gaan, tenzij dit gebeurt via een advocaat in het kader van een vast te stellen omgangsregeling of met voornoemde personen overeenkomstig een door de rechter vastgestelde omgangsregeling of een tussen partijen zelf vastgestelde regeling. Het Openbaar Ministerie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partijen

[aangever 1]

- verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [aangever 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

[aangever 2]

- verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [aangever 2] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

[aangever 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 1.000,00 ter zake van immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf

10 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3] , € 1.000,00 te betalen ter zake van immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. H.E. Goedegebuur en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.I.F. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 augustus 2020.

Mr. H.E. Goedegebuur, mr. J.P.E. Mullers en mr. C.J.I.F. van Beek zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 mei 2019 tot en met 10 juli 2019 te Middelburg, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 2] (zijn

ex-partner) en/of [aangever 3] (zijn ex-schoonvader) en/of [aangever 1] (zijn ex-schoonmoeder), door ongewenst

- ( veelvuldig)(whatsapp)berichten te sturen en/of te verzenden naar die [aangever 2] en/of

- ( veelvuldig) langs de woning(en) van die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of die [aangever 1] te rijden en/of door de straat, waarin die woning(en) gelegen zijn, te rijden en/of te lopen en/of te fietsen, en/of

- ( veelvuldig) zich bij de woning(en) van die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of die [aangever 1] op te houden en/of post gericht aan [naam] in de brievenbus te deponeren, en/of

- ( veelvuldig) zich (-in strijd met een civielrechtelijk contactverbod en/of een civielrechtelijke omgangsregeling-) bij en/of rondom het kinderdagverblijf (van zijn zoon [naam] ) op te houden, en/of

- ( veelvuldig) die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of die [aangever 1] te (achter) volgen, en/of de nabijheid van die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of die [aangever 1] op te zoeken, en/of

- ( veelvuldig) dreigende en/of beledigende woorden te roepen naar die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of die [aangever 1] met het oogmerk die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of die [aangever 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

12 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een paginanummer van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2019110746 van Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District Zeeland, Basisteam Oosterscheldebekken, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 112.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 27 mei 2019, pagina’s 3 t/m 5 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik doe aangifte van stalking door mijn ex-vriend [verdachte] .

Op 16 mei 2019 begon [verdachte] met het sturen van berichten naar mij via WhatsApp. Hij gaf hierin aan dat hij zijn zoon wilde zien.

Op 17 mei 2019 stuurde hij mij weer berichten. Ook zag ik op de camerabeelden dat [verdachte] langs mijn woning aan de [adres 2] te Goes fietste.

Op 18 mei 2019 werd er twee keer bij mijn ouders aan de [adres 5] te Kloetinge aangebeld. Ik zag dat [verdachte] voor de deur stond. Ik heb hem duidelijk gezegd dat hij niet meer aan de deur mocht komen.

Op 18 mei 2019 was ik samen met mijn moeder en mijn zoon op de fiets naar Kapelle geweest. Op de Kapelseweg zag ik dat [verdachte] op een bankje zat. Hij zat ons op te wachten.

Op 19 mei 2019 werd ik gebeld door mijn ouders. Ze vertelden me dat [verdachte] voor de deur op de grond zat. Mijn ouders vroegen of hij weg wilde gaan, maar dit deed hij niet. Ik durfde op dat moment niet naar de woning van mijn ouders, waar mijn kind op dat moment ook verbleef.

Op 20 mei 2019 zette [verdachte] een fiets voor de woning van mijn ouders neer. Ik heb hiervan een foto gemaakt.

Op 21 mei 2019 bracht mijn vader mijn zoon naar kinderopvang [bedrijf 1] aan de Zwembadweg te Goes. Hij zag dat [verdachte] daar buiten stond. [verdachte] is meegelopen tot aan de voordeur van het zwembad, waarna hij is weggegaan. Enige tijd later stond [verdachte] weer bij kinderopvang [bedrijf 1] . Hij heeft toen aangebeld. Hij zei dat hij de vader was van [naam] en dat hij hem wilde zien. De leidsters van [bedrijf 1] hebben mij toen gebeld. Dezelfde middag werd ik gebeld door mijn moeder en zij vertelde dat [verdachte] weer voor haar deur stond. Dit staat ook op de camerabeelden. Ik ben naar hem toegegaan en heb hem gezegd dat dit moet stoppen. Hij reageerde hierop en zei dat hij dat niet ging doen. Ik heb toen de politie gebeld. De politie vroeg of mijn zoon bij mij was. Ik vertelde dat hij nog op de kinderopvang was. [verdachte] hoorde mij dit zeggen en hij is toen op de fiets naar [bedrijf 1] gefietst. Hierop ben ik samen met mijn vader ook naar de kinderopvang gegaan. Daar kwam de politie ter plaatste. De politie heeft [verdachte] aangesproken en ik moest samen met [naam] binnen blijven. Toen [verdachte] iets verderop uit beeld stond, kon ik samen met mijn zoon naar huis gaan. Dezelfde avond plaatste [verdachte] weer een fiets voor de deur van het huis van mijn ouders, waar ik op dat moment ook verbleef.

Op 22 mei 2019 zag een medewerker van [bedrijf 1] dat [verdachte] kinderen stond te filmen bij de kinderopvang aan de Zwembadweg te Goes. Zij belde hierop de politie. Ter plaatse heeft de politie [verdachte] aangesproken en hem verteld dat hij hiermee moet stoppen en dat hij de formele weg moet bewandelen als hij zijn zoon wil zien. Hij stuurde mij daarna berichten via WhatsApp, waarop ik hem heb geantwoord dat ik opensta voor een bezoekregeling, maar dat hij dat via de formele weg moet doen en dat hij moest stoppen met het stalken.

Op 23 mei 2019 ging ik naar mijn eigen huis aan de [adres 2] te Goes.

Ik zag op de camerabeelden dat [verdachte] weer langs mijn huis fietste. Eerder stond hij ook al voor mijn woning.

Op 24 mei 2019 zag ik op de camerabeelden dat [verdachte] langs mijn huis fietste. Die dag heeft [verdachte] een stopgesprek gehad bij de reclassering. Daar heeft hij gezegd dat hij niet gaat stoppen.

Op 26 mei 2019 kreeg ik op mijn telefoon een bericht van Mohamed, waarin hij onder andere schreef dat hij nooit gaat stoppen.

2. Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangever 2] van 17 juni 2019, pagina’s 7 t/m 9 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 27 mei 2019 liepen mijn moeder en ik door de stad, toen [verdachte] ons tegemoet kwam fietsen. Wij gingen daarna naar de kinderopvang om [naam] op te halen. Daar werden wij er door een medewerker van de kinderopvang op geattendeerd dat [verdachte] bij de kinderopvang rond fietste.

Op 9 juni 2019 zat [verdachte] bij mijn ouders in de straat. Hiervan zijn camerabeelden. Die dag stuurde de buurman mij een bericht via WhatsApp met de vraag of [verdachte] via hem een cadeau mag brengen voor [naam] .

Op 11 juni 2019 fietst [verdachte] meerdere keren voorbij de woning van mijn ouders. Om 16.55 uur ging ik [naam] ophalen van de kinderopvang en zat hij een straat mij een straat verderop op te wachten. Ik heb hiervan een video gemaakt. Toen ik de auto terug naar mijn ouders bracht, stond [verdachte] in de straat ons te filmen. In de avond tussen 20.00 uur en 21.00 uur was mijn vader bezig met het sproeien van de voortuin. De voordeur stond op een kier om terug naar binnen te gaan. Nadat mijn vader naar achteren was gelopen, zag hij dat de deur openstond. Hij liep naar binnen en zag dat er aan het einde van de mat een envelop lag met [naam] zijn naam erop en mogelijk geld erin. Hiervan heeft hij foto’s gemaakt.

3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] namens [aangever 2] van 4 juli 2019, pagina’s 10 t/m 14 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik doe aangifte voor mijzelf en voor mijn dochter [aangever 2] . Wij worden door [verdachte] gestalkt.

Op 16 mei 2019 belde [verdachte] op dat hij zijn zoon wilde zien. Mijn dochter [aangever 2] heeft hierop aangegeven dat zij het wat rustiger aan wilde doen en niet gelijk een bezoekregeling wilde. Sindsdien is [verdachte] voor ons gevoel altijd aanwezig en fietst hij verschillende malen door de straat. Wij hebben het gevoel dat wij in de gaten worden door [verdachte] . Op het moment dat wij ons huis verlaten, is [verdachte] altijd in de buurt. Hij komt dan onze richting op en roept hierbij verschillende dingen, zoals pannenkoek. De aanwezigheid van [verdachte] maakt een stelselmatige inbreuk op ons persoonlijke leven. Hij wil ons hiermee dwingen om zijn regels op te volgen zodat hij onder andere zijn kind [naam] kan zien.

Op 17 mei 2019 zat [verdachte] bij mij in de straat. Hij gaf aan dat hij ging zitten wachten tot hij zijn zoon [naam] mocht zien. Dit heeft voor onrust gezorgd in de straat. Verschillende buren maakten zich ernstig zorgen om het feit dat hij dan zo lang en zo demonstratief bleef zitten voor de deur.

Op 20 mei 2019 viel er een eerste envelop op de mat met daarin geld, ogenschijnlijk bedoeld voor [naam] , gezien de naam op de envelop.

Op 21 mei 2019 werd [verdachte] gesignaleerd in de buurt van het kinderdagverblijf waar [naam] in de opvang zit.

Op 30 mei 2019 kwam er nogmaals een envelop binnen met daarin geld, ogenschijnlijk bedoeld voor [naam] , gezien de naam op de envelop.

Op 9 juni 2019 liep [verdachte] verschillende keren langs mijn huis.

Op 11 juni 2019 liep [verdachte] verschillende malen door de straat, dit is ook vastgelegd door mij. Ik heb hiervan foto's gemaakt.

Op 15 juni 2019 kwam er nogmaals een envelop binnen met daarin geld, ogenschijnlijk bedoeld voor [naam] , gezien de naam op de envelop.

Op 20 juni 2019 kregen wij een brief ter attentie van [naam] .

In de nacht van 22 op 23 juni 2019 werden wij gewekt door onze dochter die beelden liet zien van de beveiligingscamera's van haar huis. Op de beelden was te zien dat [verdachte] constant voor het huis van mijn dochter langs liep/fietste.

Op 23 juni 2019 zat [verdachte] bij het huis van mijn dochter.

Op 26 juni 2019 kwam er nogmaals een envelop binnen met daarin geld, ogenschijnlijk bedoeld voor [naam] gezien de naam op de envelop.

Op 29 juni 2019 ik naar buiten. Ik zag [verdachte] voorbij mijn woning fietsen. Aan het einde van de straat draaide hij om en fietste hij in tegengestelde richting.

Op 30 juni 2019 waren wij bij café restaurant het [bedrijf 2] in Goes. Toen wij op het terras zaten, kwam [verdachte] naast ons zitten. Later die dag zaten wij bij restaurant [bedrijf 3] op het terras. Weer kwam [verdachte] bij ons zitten.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 59 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 8 juli 2019 heb ik, verbalisant, de beelden van video 2 uitgekeken, die door [aangever 2] ter beschikking zijn gesteld aan het onderzoek. Op deze video is een stoep te zien met daarop een zilverkleurige fiets staand tegen een schutting. De video bevat een tijdstempel met daarop de datum 21 mei 2019.

5. Het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 67 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 8 juli 2019 heb ik, verbalisant, de beelden van video 6 uitgekeken, die door [aangever 2] ter beschikking zijn gesteld aan het onderzoek. Op deze video is te zien dat er een scherm van een bewakingscamera is gefilmd. De video bevat een tijdstempel met daarop de datum 23 mei 2019. Op de beelden is te zien dat er een man over de stoep langs de voortuin fietst.

6. Het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 69 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 8 juli 2019 heb ik, verbalisant, de beelden van video 7 uitgekeken, die door [aangever 2] ter beschikking zijn gesteld aan het onderzoek. Op deze video is de

het CIOS opleidingsinstituut aan de Zwembadweg te zien. Daarnaast zit de kinderopvang van [naam] . De video bevat een tijdstempel met daarop de datum 29 mei 2019. Op de beelden is een man te zien, die tegen een lichtmast aanleunt.

7. Het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 63 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 8 juli 2019 heb ik, verbalisant, de beelden van video 4 uitgekeken die door [aangever 2] ter beschikking zijn gesteld aan het onderzoek. De video bevat een tijdstempel met daarop de datum 11 juni 2019. Op deze video is te zien dat er een man in beeld komt, die op een bankje gaat zitten. Naast de man staat een fiets.

8. Het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina 75 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 8 juli 2019 heb ik, verbalisant, de beelden van video 10 uitgekeken, die door [aangever 2] ter beschikking zijn gesteld aan het onderzoek. Op deze video is te zien dat er een scherm van een bewakingscamera is gefilmd. De video bevat een tijdstempel met daarop de datum 22 juni 2019. Te zien is dat er een man in een tuin aan de overzijde van de straat staat. Er lijkt iets van licht van deze man af te komen, mogelijk van een zaklamp of telefoon. Het beeld verspringt en hierop loopt de persoon over de stoep. De persoon loopt uit beeld en komt enkele seconden later terug in beeld, ditmaal op een fiets.

9. Het proces-verbaal van bevindingen van 11 juli 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , pagina’s 86 en 87 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 10 juli 2019 heb ik, verbalisant, de camerabeelden uitgekeken die zijn opgenomen door de camera's in het horecaconcentratiegebied van de gemeente Goes. Op de beelden van 30 juni 2019 is te zien dat [verdachte] op het terras zit naast twee andere personen.

10. Het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , pagina 27 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik herken [verdachte] op de video’s genummerd 4, 5, 6, 8, 9 en 10.

11. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 14 juli 2019, pagina’s 103 t/m 107 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

De zilvergrijze fiets die op video 2 te zien, dat is mijn fiets.

De persoon op video 6 kan ik zijn.

De persoon die op video 7 te zien is, dat ben ik. Ik ben daar bij de kinderopvang, waar ik naar mijn zoon kijk.

Ik ben de man die op het bankje zit op video 4. Ik wacht op het bankje op [naam] .

Op video 8 is te zien dat ik naast de ouders van [aangever 2] zit bij café [bedrijf 2] te Goes. Ik begon een gesprek met hen.

Het ergste scheldwoord dat ik heb geroepen is pannenkoek.

12. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2020, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Het klopt dat ik na mijn vrijlating uit detentie op 14 mei 2019 contact heb opgenomen met [aangever 2] door haar berichten te sturen via de telefoon. Gedurende een periode van twee weken heb ik toen met regelmaat door de straat gereden of in de straat gezeten, waar [aangever 2] en haar ouders wonen. Ik heb hier meerdere keren enveloppen in de brievenbus gedaan. Ook in de straat waar het huis van [aangever 2] staat ben ik meerdere keren geweest. Daarnaast ben ik een aantal keren in de omgeving van het kinderdagverblijf van mijn zoon geweest. Dit was allemaal in Goes. De reden waarom ik dit alles heb gedaan, is om mijn onmacht te uiten. Ik wil graag contact met mijn zoon en dat wilden zij niet. Als ik dit niet had gedaan, had ik mijzelf het gevoel gegeven dat ik niets om mijn zoon geef.