Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3635

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AWB- 19 _ 6347
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6347 WVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 29 mei 2019 (primaire besluit) heeft het CBR eiser rijgeschikt geacht voor de rijbewijscategorie B tot en met 31 mei 2022.

In het besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben daarna nog aanvullende stukken ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 24 juni 2020. Hierbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde en namens het CBR [vertegenwoordiger CBR].

Overwegingen

1. Feiten

Eiser heeft op 17 januari 2019 een aanvraag tot verlenging van zijn rijbewijs ingediend.
Het CBR heeft eiser in het primaire besluit rijgeschikt verklaard voor een bepaalde tijd en daarbij een termijnbeperking van drie jaar opgelegd tot en met 31 mei 2022.
De termijnbeperking is opgelegd omdat volgens het primaire besluit sprake is van maculadegeneratie.

Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit en heeft daarbij aangevoerd dat hij conform het advies van de keurend oogarts van Visio voor vijf jaar rijgeschikt had moeten worden verklaard. Hij heeft er verder op gewezen dat bij hem geen maculadegeneratie aan de orde is, maar dat het gaat om diabetische retinopathie.

In het bestreden besluit heeft het CBR de oogafwijking van eiser gewijzigd van maculadegeneratie in diabetische maculopathie en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

2. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

3. Standpunt van eiser

Eiser voert in beroep, samengevat, aan dat uit de keuringsrapporten blijkt dat hij geschikt is bevonden voor een periode van vijf jaar, zonder verdere beperkingen. Ook is hij inmiddels weer in staat tot autorijden zonder de speciale bril (bioptic), zodat de voorwaarde die bril tijdens het autorijden te dragen ten onrechte is opgelegd. Nu een oogarts heeft geadviseerd dat eiser geschikt is te rijden voor een periode van vijf jaar is het CBR ongemotiveerd en in strijd met beleid en regelgeving ingegaan tegen de medische adviezen. In dat verband heeft eiser in zijn aanvullende beroepschrift van 15 mei 2020 gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:844).

4. Standpunt van het CBR

In het verweerschrift van 4 maart 2020 heeft het CBR, samengevat, naar voren gebracht dat eiser de progressieve oogaandoening niet ontkent en evenmin ontkent dat die kan leiden tot achteruitgang van het gezichtsvermogen. Het CBR hanteert een vuistregel bij progressieve oogaandoeningen. Op grond van die vuistregel is een termijnbeperking aan de orde van één jaar bij een progressieve oogaandoening en een (gecorrigeerde) visus van beide ogen tezamen van 0.5 tot 0.6 . Bij eiser is sprake van een gecorrigeerde visus met beide ogen tezamen van 0.5, waarbij eveneens sprake is van een progressieve oogaandoening. Op grond van de vuistregel zou voor eiser dus een termijnbeperking van één jaar aangewezen zijn geweest. Maar in verband met de bij eiser geconstateerde vooruitgang en gelet op het advies van de oogarts heeft het CBR in afwijking van de vuistregel een verlenging van drie jaar toegekend. Verder is eiser een brilcode opgelegd, waar het eerder verplicht gestelde rijden met een bioptic niet meer verplicht is gesteld. Zonder bril kan eiser niet rijgeschikt verklaard worden, zodat van die brilcode niet kan worden afgezien.

5. In geschil is of het CBR eiser terecht slechts voor drie en niet voor vijf jaren rijgeschikt heeft geacht en of het CBR daarbij terecht de voorwaarde van het brildragen heeft opgenomen.

6. Oordeel van de rechtbank

Ter zitting is allereerst komen vast te staan dat met de code 01.01 ‘Bril’ in het bestreden besluit bedoeld is dat van eiser verwacht wordt dat hij zijn gewone bril op heeft bij het autorijden. Eiser ging er vanuit dat met deze code de bioptic werd bedoeld. Nu dat niet het geval is en eiser geen bezwaar heeft tegen het dragen van een gewone bril, hoeft dit punt verder niet besproken te worden.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat eiser een progressieve oogaandoening heeft en dat de oogarts van Visio, die eiser gekeurd heeft, op 27 mei 2019 geadviseerd heeft om eiser voor 5 jaar rijgeschikt te verklaren, zonder bioptic.

Op grond van paragraaf 3.7 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 moet de termijn worden beperkt bij een progressieve oogaandoening. Het CBR hanteert voor de toepassing van paragraaf 3.7 een vuistregel. Die vuistregel is opgesteld om rechtsongelijkheid te voorkomen en is door de hoogste rechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geaccepteerd (zie de uitspraak van 4 juni 2014 met als nummer ECLI:NL:RVS:2014:2012). Volgens die vuistregel krijgen personen die de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt en bij wie -zoals in het geval van eiser- sprake is van een progressieve oogaandoening en een (gecorrigeerde) visus van beide ogen tezamen van 0,5 tot 0,6 een termijn beperking van één jaar. Gelet op het advies van de oogarts van Visio is het CBR in positieve zin afgeweken van de eigen vuistregel en is eiser geen termijnbeperking van één jaar, maar van drie jaar opgelegd. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 niet kan worden afgeleid dat de vuistregel is komen te vervallen of niet meer zou gelden.

Eiser heeft gesteld dat het CBR niet van het advies van de oogarts van Visio had mogen afwijken, maar dat standpunt deelt de rechtbank niet. Ingevolge artikel 103, achtste lid, van het Reglement rijbewijzen ligt het uiteindelijke oordeel omtrent de geschiktheidstermijn bij het CBR en kan het CBR afwijken van het advies van de oogarts, mits zijn besluit is toegespitst op de situatie van betrokkene en het CBR een op de vuistregel aansluitende motivering geeft om af te wijken van het advies van de oogarts (zie opnieuw de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014). Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. In het bestreden besluit is immers toegelicht dat het CBR het raadzaam acht dat eiser over drie jaar opnieuw onderzocht wordt om te bezien of zijn visus na afloop van die termijn nog altijd voldoet aan de gestelde geschiktheidseisen. De rechtbank kan die toelichting volgen en billijken.

7. Conclusie


Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 5 augustus 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement registreert het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 103, achtste lid, van het Reglement registreert het CBR, indien naar zijn oordeel redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, die termijn in het rijbewijzenregister.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage (hierna: de Bijlage).

Ingevolge paragraaf 3.2.1. van de Bijlage moet de binoculaire visus, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,5 bedragen.

Ingevolge paragraaf 3.7. van de Bijlage is beperking van de geschiktheidstermijn aangewezen bij progressieve oogaandoeningen, zoals cataract, glaucoom met gezichtsveldbeperking, degeneratieve en vasculaire netvliesaandoeningen, progressief lijden van de nervus opticus. Voor de beoordeling is een rapport van een oogarts vereist.