Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3616

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
02-049745-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ongeval waarbij tractor over bromfietser heenreed bij naar links afslaan. Onvoldoende gekeken of de weg vrij was. Ernstige verkeersfout, maar onvoldoende voor schuld in de zin van art. 6 WVW, dus vrijspraak. Wel veroordeling voor art. 5 WVW (gevaarzetting), maar geen straf of maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/049745-20

vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. H.O. de Boer, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Verhoeven - Ivankovic, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [naam 1] ernstig gewond is geraakt. Dit is in verschillende juridische varianten tenlastegelegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als bestuurder van een tractor aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor hij in botsing is gekomen met een bromfiets, met als gevolg dat de bestuurder van die bromfiets zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarmee is sprake van schuld van verdachte aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De officier van justitie heeft zich hierbij gebaseerd op de verklaring van het slachtoffer en het forensisch onderzoek.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit, omdat de in artikel 6 WVW genoemde schuld niet kan worden bewezen. Verdachte heeft immers niet te hard gereden, heeft goed gekeken en zijn snelheid aangepast voor hij afsloeg en over het fietspad reed.

De verdediging heeft tevens vrijspraak van de subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 5 WVW bepleit omdat verdachte zich niet zodanig heeft gedragen dat een reële kans is ontstaan op een ongeval. Verdachte had namelijk goed geslapen, had goed zicht vanuit zijn tractor, heeft goed gekeken, ook op het fietspad, en heeft de brommer niet gezien. Verdachte heeft alle handelingen verricht die van hem gevergd konden worden op dat moment.

De verdediging heeft tot slot bepleit dat de meer subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 weliswaar bewezen kan worden, maar dat daarbij sprake is van afwezigheid van alle schuld. Verdachte moet om die reden worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 12 oktober 2018 op het kruispunt van de Diessenseweg met de Groenendaal te Hilvarenbeek een ongeval heeft veroorzaakt. Verdachte is rijdend met zijn tractor op de Diessenseweg richting Hilvarenbeek linksaf de Groenendaal ingeslagen terwijl, op een parallel aan de Diessenseweg gelegen fietspad, vanuit de tegengestelde richting, een bromfiets kwam gereden, met welke bromfiets verdachte op het fietspad in aanrijding is gekomen. Verdachte is met zijn tractor over de bromfiets en de bestuurder hiervan heengereden, waardoor het slachtoffer zeer ernstig letsel heeft opgelopen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de bromfiets niet heeft gezien. De rechtbank leidt uit de verklaring van verdachte en het forensisch onderzoek af dat verdachte de bromfiets wel had kunnen en moeten zien. Immers was er voor verdachte geen ander (tegemoetkomend) verkeer dat zijn zicht belemmerde en zijn er geen andere omstandigheden in de omgeving geconstateerd die het ongeval (mede) veroorzaakt zouden kunnen hebben.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat het zicht van verdachte op het fietspad waarop de bromfiets aan kwam rijden, bij het naderen van de botsplaats werd belemmerd door de rechter A-stijl, de uitlaatpijp en de rechterbuitenspiegel van de tractor. Bij reconstructie is geconstateerd dat de bromfiets - bij het aanrijden van de botsplaats door zowel de bromfiets als de tractor - op een bepaalde moment geheel achter deze A-stijl en buitenspiegel uit het zicht van de bestuurder van de tractor verdween. Gebleken is dat verdachte de bromfiets eerder op had kunnen merken wanneer geen sprake zou zijn geweest van deze belemmering van het zicht.

De rechtbank overweegt dat verdachte bekend moest zijn met deze zichtbelemmering, zeker gezien zijn jarenlange ervaring als bestuurder van een tractor, en dat hij deze zichtbelemmering had moeten compenseren door extra te kijken. Verdachte had om de A-stijl, de uitlaatpijp en de buitenspiegel heen moeten kijken. Doordat verdachte dit kennelijk heeft nagelaten - hij heeft immers de bromfiets niet gezien terwijl hij deze wel had kunnen zien - heeft verdachte zich er onvoldoende van vergewist dat de weg die hij af wilde leggen vrij was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte op dit punt een ernstige verkeersfout heeft gemaakt.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld op welke wijze deze verkeersfout juridisch dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen.

Vrijspraak artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van voornoemd artikel. Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke verkeersvoorschriften niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld in de zin van dit artikel op te leveren. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat uit de enkele omstandigheid dat een verdachte een verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien - hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte zijn rijgedrag daarop moet hebben kunnen afstemmen - niet kan volgen dat hij zich 'aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen' als bedoeld in artikel 6 WVW.

De rechtbank is van oordeel dat het niet waarnemen van de bromfiets, terwijl verdachte deze bromfiets wel had kunnen en moeten waarnemen, in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 WVW kan worden gemaakt is immers niet gebleken. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring artikel 5 WVW

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank wel van oordeel dat door het gedrag van verdachte gevaar werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. Verdachte is afgeslagen en heeft het fietspad gekruist terwijl hij zich er onvoldoende van had vergewist dat de door hem af te leggen weg vrij was. Hierdoor heeft verdachte gevaar veroorzaakt, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. Verdachte is in aanrijding gekomen met een bromfietser en is over deze bromfietser heengereden. De rechtbank acht de subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 5 WVW derhalve wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 oktober 2018 te Hilvarenbeek als bestuurder van een voertuig (tractor), daarmee rijdende op de Diessenseweg, zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde afleggen vrij was naar links is afgeslagen, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd

gehinderd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte voor de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW op te leggen een taakstraf van 90 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat indien er een bewezenverklaring volgt, toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of dat (meer) subsidiair een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte bestuurde op 12 oktober 2018 een tractor met aanhanger op de Diessenseweg in de richting van Hilvarenbeek om een vracht zand te leveren bij de instelling die is gelegen aan de weg Groenendaal. Hij moest ter hoogte van de inrit naar de Groenendaal wachten op een truck met oplegger die de Groenendaal juist verliet en wegreed in de richting van Hilvarenbeek. Verdachte reed langzaam door toen de vrachtwagen hem was gepasseerd en hij zag dat de andere rijbaan vrij was. Verdachte heeft ook geen verkeer op het fietspad gezien. Op de kruising met het fietspad is hij echter in aanrijding gekomen met een 17-jarige bromfietser en is over deze bromfietser heengereden.

Zoals hiervoor is overwogen moet verdachte worden vrijgesproken van overtreding van artikel 6 WVW, maar is hij wel schuldig aan het overtreden van artikel 5 WVW, het veroorzaken van gevaar op de weg. Hij is immers naar links afgeslagen, zonder dat hij voldoende heeft gekeken of de weg én het fietspad vrij waren. Dat dit gevaarlijk was is wel gebleken uit het ongeval, dat ernstige gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer.

Verdachte is blijkens zijn verklaring bij de politie zeer geschrokken van het ongeval en heeft ook meteen een volledige verklaring van de toedracht gegeven die past bij de toedracht zoals die verder uit het dossier blijkt. Verder heeft hij ook meteen blijk gegeven van zijn zorg over de toestand van het slachtoffer en gezegd dat hij liever met het slachtoffer mee naar het ziekenhuis was gegaan dan naar het politiebureau. Hij heeft bij de politie uitdrukkelijk gevraagd op de hoogte te worden gesteld van de toestand van het slachtoffer en de contactgegevens van (de ouders van) het slachtoffer.

Blijkens zijn verklaring ter zitting heeft hij nadien, ondanks dat die contactgegevens hem niet werden verstrekt, zelf contact weten te leggen met de ouders van het slachtoffer én met het slachtoffer en heeft hij zich ook in die contacten bezorgd getoond over de toestand van het slachtoffer en diens herstel. Hij merkte daarbij op dat dat voor hem logisch is omdat het ook één van zijn kinderen had kunnen overkomen. Ter zitting heeft verdachte verder verklaard dat hij zelf psychische hulp heeft moeten zoeken om het ongeval en de herinnering aan de beelden ervan te verwerken en dat hij ook nu nog regelmatig aan het ongeval denkt.

De rechtbank ziet geen reden om aan de oprechtheid van deze verklaringen van verdachte te twijfelen.

Het voorgaande leidt er toe dat de vraag gerechtvaardigd is welk doel het opleggen van een straf of maatregel nog kan hebben. De rechtbank betrekt bij de beantwoording van die vraag de omstandigheid dat het sinds het ongeval één jaar en bijna tien maanden heeft geduurd voordat in deze zaak uitspraak wordt gedaan en dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Broeders, voorzitter, mr. Breeman en mr. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 augustus 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I - De tenlastelegging

hij op of omstreeks 12 oktober 2018 te Hilvarenbeek als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tractor), daarmede rijdende over de weg, de Diessenseweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde afleggen vrij was naar links af te slaan en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [naam 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten 13, althans 1 of meer gebrolen rib(ben) en/of een gebroken rugwervel en/of een gescheurde plasbuis en/of twee, althans één gebroken bekken en/of twee, althans één breuk(en) in het rechterbeen en/of een klaplong, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2018 te Hilvarenbeek als bestuurder van een voertuig (tractor), daarmee rijdende op de weg, de Diessenseweg, zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde afleggen vrij was naar links is afgeslagen en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2018 te Hilvarenbeek als bestuurder van een tractor op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Diessenseweg, bij het afslaan naar links, teneinde de uitrit van [adres 2] in te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende snor/bromfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is

ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

( art 18 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 )

Bijlage II - De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018240147 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 57.

I

Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict, opgenomen als pagina 13 tot en met 18 in voornoemd eindproces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Wij zagen dat een verkeersongeval had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Diessenseweg, op de kruising met de Groenendaal, gelegen buiten de bebouwde kom, in de gemeente Hilvarenbeek.

De Diessenseweg bestond uit 2 rijbanen, met aan beide zijden van de rijbanen een vrij gelegen brom/fietspad.

De op de weg en op de voertuigen aangetroffen sporen waren passend bij het scenario dat de bromfiets had gereden over het brom-/fietspad komende uit de richting van Hilvarenbeek en dat het landbouwvoertuig had gereden over de Diessenseweg komende uit de richting van Diessen en gaande in de richting van de Groenendaal.

Ter hoogte van het kruispunt Diessenseweg met de Groenendaal sloeg het landbouwvoertuig linksaf de Groenendaal in, ter hoogte van het fietspad reed het landbouwvoertuig met de band van het rechterachterwiel over de linkerzijkant van de bromfiets en deels over het lichaam van de bestuurder van de bromfiets.

Wij stelden vast dat het uitzicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd door vaste obstakels.

Wij hebben een zichtonderzoek uitgevoerd en stelden vast dat wanneer het landbouwvoertuig de botsplaats tot op 4,5 meter was genaderd, de bromfiets in zijn geheel achter de rechter A-stijl en of rechter buitenspiegels van het landbouwvoertuig was verdwenen.

Ten aanzien van de hypothese mens stelden wij vast dat de bestuurder van het landbouwvoertuig de bromfiets geen voorrang had verleend.

II

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgenomen als pagina 50 tot en met 53 in voornoemd eindproces-verbaal, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik reed op 12 oktober 2018 als bestuurder van een tractor over de Diessenseweg richting Hilvarenbeek en wilde linksaf slaan de inrit van ‘ [naam 2] ’ op, gelegen aan de Groenendaal. Ik moest wachten op een vrachtwagen die uit die inrit kwam. Nadat de vrachtwagen de weg was opgereden, had ik vrij zicht. Ik heb op het fietspad gekeken, maar ik zag niets en ben met de tractor over het fietspad de Groenendaal opgereden. Ik voelde op een gegeven moment mijn tractor een smak maken en voelde iets onder de banden. Ik zag een brommer met bestuurder net voor de wielen van mijn aanhanger liggen en zag dat ik met de tractor over hem heen was gereden. Ik heb de brommer daarvoor helemaal niet gezien. Misschien heeft de brommer achter een spiegel gezeten. Het was mijn schuld dat het ongeval heeft plaatsgevonden. Ik had de brommer voor moeten laten gaan. Hij had voorrang.