Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3610

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AWB- 18_7909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/7909 ZW

uitspraak van 4 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[werkgever]., te Breda, (de werkgever)

gemachtigde: mr. W. Sisson.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2018 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Eiser heeft toestemming verleend voor inzage in de medische stukken door de werkgever. Er gelden derhalve geen beperkingen voor kennisneming van de medische stukken door de werkgever op grond van artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 juli 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn partner, [naam partner]. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. Barto. Derde partij is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Op 27 augustus 2017 heeft de rechtbank het onderzoek tegen de hersteldverklaring heropend om eiser in de gelegenheid te stellen medische stukken te overleggen. De rechtbank heeft eisers beroepschrift, voor zover betrekking hebbende op de eerste ziektedag/de periode voorafgaande aan de hersteldverklaring, aan het UWV doorgestuurd om als bezwaarschrift te behandelen.

Bij brief van 21 oktober 2019 heeft eiser medische informatie overgelegd. Het UWV heeft op deze informatie gereageerd.

Op verzoek van eiser heeft op 23 juni 2020 een nadere zitting plaatsgevonden. Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn partner, [naam partner]. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. Barto. Derde partij is niet verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiser was met ingang van 14 augustus 2017 voor de werkgever werkzaam als inpakmedewerker. Voor dat werk is hij uitgevallen. Aan eiser is ziekengeld betaald.

Bij besluit van 19 april 2018 (primair besluit) heeft het UWV eiser, op verzoek van de werkgever, met ingang van 13 april 2018 hersteld verklaard en zijn ziekengeld beëindigd. (hersteldverklaring)

Met het bestreden besluit heeft het UWV eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

Uitsluitend is nog in geschil of het UWV op goede gronden eiser per 13 april 2018 hersteld heeft verklaard, nu eisers beroep voor wat betreft de periode vóór de hersteldverklaring aan het UWV is doorgestuurd om als bezwaarschrift te worden gehandeld.

3. Wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft, wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan: de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid (artikel 19, vijfde lid, van de ZW).

4. Arbeidsmaatstaf

De rechtbank stelt vast dat het werk als inpakker als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt.

5. Medische beoordeling

Het bestreden besluit is gebaseerd op rapportages van een bedrijfsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

5.1

De bedrijfsarts heeft eiser gehoord tijdens een telefonisch spreekuur op

12 april 2018. De bedrijfsarts rapporteert dat hoewel de medische situatie niet geheel duidelijk is, het na aanpassing van de behandeling wel beter gaat met eiser. De bedrijfsarts acht eiser met ingang van 13 april 2018 niet langer arbeidsongeschikt.

De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien op de hoorzitting, hem daar geobserveerd en dossieronderzoek verricht. Voorts heeft de verzekeringsarts b&b medische informatie van de bedrijfsarts, de huisarts van 2 oktober 2018, van internist Biemond van 15 februari 2017 en van internist Van Kasteren van 26 september 2018 in zijn onderzoek betrokken. De verzekeringsarts b&b rapporteert dat in de beschikbare gegevens en het eigen onderzoek geen onderbouwing kan worden gevonden dat eiser in de periode 16 augustus 2017 tot

13 april 2018 (structurele) beperkingen had op grond van ziekte dan wel hierdoor arbeidsongeschikt was voor zijn arbeid. Eiser gaf tijdens de hoorzitting aan dat hij in de betreffende periode regelmatig zijn huisarts bezocht, alsook internisten. Noch in het huisartsenjournaal, noch in de brieven de specialisten wordt melding gemaakt van medische contacten in de bedoelde periode. In de brief van internist Van Kasteren wordt in de anamnese aangegeven dat eiser minder misselijk is en minder buikklachten heeft. Uit brieven van internist Biemond (van 15 februari 2017 en 3 januari 2017, zijnde meer dan een halfjaar voor 16 augustus 2017) blijkt dat een virale gastro-enteritis (een ontsteking van het spijsverteringsstelsel) het meest waarschijnlijk is. Nadien volgt geen enkel (gedocumenteerd) contact of onderzoek meer. Internist Biemond plande nog een controle op 6 april 2017, met de vermelding dat als het dan goed gaat, de controle beëindigd zal worden. Het is volgens de verzekeringsarts b&b medisch niet aannemelijk dat de spijsverterings-klachten continu of recidiverend zijn blijven bestaan zonder dat eiser daarvoor terug gezien werd door de internist of zijn huisarts. Hiervoor is volgens de verzekeringsarts b&b trouwens geen enkel bewijs. Mogelijk zijn de klachten onder controle gebleven dankzij het gebruik van Esomeprazol, een maagbeschermer die eiser nog steeds gebruikt (zie brief internist Van Kasteren van 26 september 2018). Alles overziend heeft de verzekeringsarts b&b geen medische grond om arbeidsongeschiktheid wegens beperkingen door ziekte of gebrek aan te nemen in de genoemde periode en moet eiser hersteld worden geacht voor zijn arbeid per 13 april 2018.

5.2

Standpunt van eiser

Eiser heeft tegen de hersteldverklaring aangevoerd dat hij op 13 april 2018 niet in staat was om zijn arbeid te verrichten als gevolg van ziekte of gebrek. Door zijn aandoening was eiser vermoeid en had last van braken. Als gevolg van het handelen van de werkgever is eiser pas zeer laat door de bedrijfsarts gezien en daardoor is hij ten onrechte niet beoordeeld na zijn ziekmelding op 16 augustus 2017. Eiser is hierdoor in een bewijsprobleem gebracht. Dit handelen en nalaten ligt in de risicosfeer van de werkgever. Verder stelt eiser dat het onderzoek van de verzekeringsarts b&b onzorgvuldig is, omdat hij de klachten niet heeft getoetst in relatie tot het eigen werk.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat hij op de hoogte was van de door eiser gestelde klachten van moeheid, misselijkheid, braken en diarree. De verzekeringsarts b&b heeft naar die klachten onderzoek gedaan. Hij heeft eiser gezien tijdens de hoorzitting, hem geobserveerd en dossieronderzoek verricht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b medische informatie van de bedrijfsarts, de huisarts, van internisten Van Kasteren en Biemond en van de cardioloog in zijn onderzoek betrokken. Daarmee acht de rechtbank het medisch onderzoek door de verzekeringsarts b&b zorgvuldig verricht.

In beroep heeft eiser medische informatie van internist Van Kasteren van 16 oktober 2019 overgelegd. Van Kasteren geeft daarin aan dat hij eiser op 20 september 2017 heeft gezien met klachten van misselijkheid. Op 21 maart 2018 heeft Van Kasteren eiser opnieuw gezien met aanhoudende klachten van misselijkheid. Onder verdenking van reflux heeft Van Kasteren de Omeprazol tijdelijk opgehoogd voor 6 weken.

De verzekeringsarts b&b heeft in reactie hierop gesteld dat er geen eenduidige medische verklaring is voor eisers misselijkheid en dat niet is gebleken dat eiser daaraan continu (gedurende maanden) leed. Misselijkheid kan wel een vervelende klacht zijn maar op zich geen reden tot arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk als inpakker. Er zijn volgens de verzekeringsarts b&b geen structurele beperkingen te benoemen waardoor eiser zijn maatgevende arbeid niet zou kunnen uitvoeren. Het werk is fysiek niet zwaar, er worden lichte voorwerpen getild en het werk gebeurt meestal staande.

De rechtbank ziet in de informatie van Van Kasteren van 16 oktober 2019 geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b. De rechtbank acht de reactie van de verzekeringsarts b&b in beroep op die informatie afdoende. Zij betrekt hierbij nog de eerdere reactie van de verzekeringsarts b&b over ophoging van de Omeprazol/Esomeprazol. De rechtbank acht door de verzekeringsarts b&b voorts voldoende gemotiveerd waarom eiser geschikt is om zijn eigen arbeid te verrichten, omdat op datum in geding (13 april 2018) er geen medische grond is om beperkingen door ziekte of gebrek aan te nemen. Bevestiging voor dit standpunt van de verzekeringsarts b&b vindt de rechtbank in het gegeven dat eiser op 12 april 2018 bij de bedrijfsarts heeft aangegeven dat het – na aanpassing van de behandeling – beter gaat.

Eiser heeft gesteld dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte zijn belastbaarheid niet heeft beoordeeld in relatie tot zijn eigen werk. De rechtbank leidt uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b af dat hij, behalve dat hij concludeert dat eiser geen structurele beperkingen heeft die maken dat hij zijn eigen werk niet zou kunnen verrichten, aandacht heeft besteed aan de belasting in dat eigen werk. Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd per 13 april 2018.

6. Conclusie

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Gelet daarop is er geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier, op 4 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.