Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3599

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
02/127627-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor 2 verkrachtingen.

Bewijs uit verklaring verdachte: ik ben een dominante alfaman, aangiften en forensisch bewijs.

TBS met dwang na PBC rapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/127627-19

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Vught

raadslieden: mr. C.D.W. Herrings en mr. C.R. Pirone, advocaten te Rijen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte drie vrouwen heeft verkracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] meermalen heeft verkracht (feit 1 en 2) en dat hij mevrouw [slachtoffer 3] heeft verkracht (feit 3). Bij mevrouw [slachtoffer 3] maakt de officier van justitie gebruik van schakelbewijs.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbaar feit en de verklaringen van aangeefsters zijn onvoldoende betrouwbaar om als bewijs te worden gebruikt. Als de rechtbank die verklaringen wel betrouwbaar acht, geldt subsidiair dat niet aan het bewijsminimum wordt voldaan. Er bestaat namelijk onvoldoende steunbewijs, ook niet in de vorm van schakelbewijs. Meer subsidiair wordt vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van overtuigend bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Bewijs in zedenzaken algemeen

In het Nederlands strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring. Het gaat in zedenzaken echter vaak om handelingen waar maar twee mensen bij aanwezig zijn geweest: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare handelingen zou hebben gepleegd. Indien de verdachte ontkent, is er maar één getuige van de handelingen zelf. De Hoge Raad heeft beslist dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering slechts geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen daarvan mogen wel degelijk op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen of voor de dwang één getuigenverklaring genoeg mits deze op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal (Vgl. Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717 en Hoge Raad 23 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094).

Feit 1

De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 mei 2018 aangeefster [slachtoffer 1] meerdere keren heeft verkracht toen zij samen in de woning van verdachte waren. Verdachte heeft erkend dat hij bij meerdere gelegenheden seks met [slachtoffer 1] heeft gehad, maar betwist dat daarbij ooit sprake is geweest van afgedwongen seks. Anders dan de verdediging acht de rechtbank echter de aangifte van [slachtoffer 1] dat op 10 mei 2018 in Tilburg sprake is geweest van afgedwongen seks (voldoende) betrouwbaar, mede nu daarvoor steun wordt gevonden in andere bewijsmiddelen.

Allereerst heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij in de ochtend van 10 mei 2018 geen seks meer wilde hebben met verdachte, omdat zij pijn had aan haar vagina door de vrijwillige seks die tussen hen had plaatsgevonden de avond ervoor, op 9 mei 2018. Die avond bloedde zij na de seks en had zij ook al pijn. Dit wordt ondersteund door de bevindingen van het forensisch medisch onderzoek dat op 11 mei 2018 heeft plaatsgevonden. Daarbij werd namelijk geconstateerd dat sprake was van een huidbeschadiging in de buurt van de vagina van [slachtoffer 1] met scherpe (rechtbank: al) genezende wondranden. De forensisch medische constatering verklaart waarom [slachtoffer 1] bloed had verloren in de avond van 9 mei 2018 en pijn had in de ochtend van 10 mei 2018 en maakt haar verklaring geloofwaardig dat zij die ochtend geen seks meer wilde.

Dat sprake is geweest van afgedwongen seks wordt ook ondersteund door de gang van zaken op 11 mei 2019, de dag na de verkrachting. Omstreeks 09:08 uur zit [slachtoffer 1] in de trein naar huis en bevindt zij zich niet meer in de machtssfeer van verdachte. Tijdens de treinreis neemt zij om 09:34 uur contact op met getuige [getuige] , een vriendin met wie zij vijf jaar bevriend is. [slachtoffer 1] vertelt dan in een aantal WhatsAppberichten wat haar is overkomen. Ze vertelt dat ze twee keer is verkracht, maar ook dat ze wil dat niemand het komt te weten. Ze vraagt [getuige] te beloven dat ze dit nooit tegen iemand zal vertellen. Op Rotterdam Centraal heeft [slachtoffer 1] de politie gebeld, waarop zij om 10:13 uur in haar eigen woning wordt bezocht door twee verbalisanten. Ook tegen hen vertelt [slachtoffer 1] dat zij twee keer is verkracht door verdachte. Om 14:00 uur is [getuige] bij [slachtoffer 1] thuis. Zij ziet gelijk dat het niet goed gaat met [slachtoffer 1] en dat zij zichzelf niet is. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] vrijwel direct contact heeft opgenomen met een goede vriendin en met de politie toen zij buiten fysiek bereik van verdachte was en zich weer veilig voelde. Dat zij tot dat moment heeft gewacht, vind de rechtbank alles behalve vreemd of opmerkelijk en past juist bij hetgeen [slachtoffer 1] is overkomen.

Anders dan de verdediging vindt de rechtbank het (ook) niet vreemd dat [slachtoffer 1] een dag eerder, op 10 mei 2018 na de verkrachtingen in de ochtend, aardig is gaan doen tegen verdachte en nog seks met hem heeft gehad, waarbij zij deed alsof zij het zelf ook wilde. De rechtbank ziet dit als een ‘overlevingsstrategie’ van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat verdachte na de tweede vaginale verkrachting aan haar heeft gevraagd of zij het normaal vond dat zij hem zo'n gevoel gaf door te zeggen dat zij niet wil. Daarop zei [slachtoffer 1] dat zij gewoon naar huis wilde en dat het ook niet normaal was. Verdachte gooide haar vervolgens weer op bed en pakte met zijn hand haar keel en kaak vast en zei: "Je gaat naar mij luisteren, je gaat het leuk vinden".

Anders dan voor de verdediging is voornoemd gedrag van [slachtoffer 1] voor de rechtbank geen aanleiding om vraagtekens te plaatsen bij de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 1] en de overtuigingskracht van die aangifte en de ondersteunende bewijsmiddelen. Daartoe behoort tot slot ook de eigen verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris dat hij een imposante alfaman is die dominant kan zijn. Zijn imposante fysiek van 1 meter 89 komt duidelijk naar voren op de bij de bewijsmiddelen aangehaalde foto uit het eindproces-verbaal.

Gezien het voorgaande gaat de rechtbank uit van de aangifte van [slachtoffer 1] en acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tot twee keer toe zijn penis in de vagina van [slachtoffer 1] heeft geduwd en dat hij eenmaal met zijn vingers de vagina van [slachtoffer 1] is binnengegaan, waarbij hij steeds een fysiek overwicht op haar had. Voor de rechtbank bestaat er geen enkele twijfel dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] dit allemaal niet wilde. Zij heeft dit meerdere keren tegen verdachte gezegd en gedurende de tweede vaginale verkrachting moest zij huilen.

Dat verdachte wist dat hij handelde tegen de wil van [slachtoffer 1] , blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het door verdachte gebruikte geweld. Voorafgaand aan beide vaginale verkrachtingen ontstond een gevecht, waarbij verdachte de arm van [slachtoffer 1] op haar rug klemde en zich vervolgens bovenop haar drong. Ook heeft verdachte gedreigd met geweld door tegen [slachtoffer 1] te zeggen dat hij een mes zou gaan halen. Dat [slachtoffer 1] zelf het gedwongen vingeren op het balkon niet als verkrachting bestempelt, doet niet af aan het strafbare karakter ervan, nu uit haar verklaring blijkt dat ook dit tegen haar wil gebeurde. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van feit 1 zoals hierna onder 4.4 weergegeven.

Feit 2

De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 mei 2019 aangeefster [slachtoffer 2] meerdere keren anaal heeft verkracht toen zij samen in de woning van verdachte waren. Verdachte heeft erkend dat hij op die dag in zijn woning meermalen seks met [slachtoffer 2] heeft gehad, maar betwist dat daarbij ook sprake is geweest van afgedwongen seks. Anders dan de verdediging acht de rechtbank echter de aangifte van [slachtoffer 2] dat toen ook sprake is geweest van afgedwongen seks (voldoende) betrouwbaar, mede nu daarvoor steun wordt gevonden in andere bewijsmiddelen.

Nadat vaginale seks al pijn deed, heeft verdachte volgens [slachtoffer 2] tot twee keer toe tegen haar wil zijn penis in haar anus geduwd; de eerste keer een klein stukje en de tweede keer ging hij een stuk dieper, waarna hij hard bleef stoten. Ook zou verdachte haar hebben vastgehouden door zijn arm om haar nek te doen. Hoe harder zij hem wegduwde, hoe harder hij haar vasthield bij haar nek. Het letsel dat één dag later bij [slachtoffer 2] is geconstateerd tijdens een onderzoek door forensisch geneeskundige Gan past bij haar verklaring. Het betreft allereerst bloeduitstortingen op de linker bovenarm en een bloeduitstorting aan de basis van de hals en roodheid van de huid in de hals onder kin. Bovendien zijn twee bloedende kloven vanuit de anus waargenomen. Volgens forensisch geneeskundige Gan passen de kloven bij anale penetratie; deze verwondingen treden op als de huid overmatig gerekt wordt. Bij anale penetratie past eveneens dat bij onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut van de uit de anus van [slachtoffer 2] genomen monsters, sperma van verdachte is aangetroffen. De daarover gevoerde verweren worden door de rechtbank verworpen, nu zij meer waarde hecht aan waarnemingen en conclusies van deskundige onderzoekers dan aan eigen opvattingen en aannames van de verdediging. Tot slot acht de rechtbank ook in deze zaak voor het bewijs van belang dat verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij een imposante alfaman is die dominant kan zijn en dat hij inderdaad een imposante fysiek heeft.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte zijn penis met kracht in de anus van [slachtoffer 2] heeft geduwd. Verdachte heeft anale penetratie van [slachtoffer 2] steeds ontkend. Pas op de zitting van 21 juli 2020 heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer 2] (mogelijk) ‘slechts’ tot aan de eikelrand heeft gepenetreerd. Deze erkenning van een minimale (en éénmalige) penetratie acht de rechtbank ongeloofwaardig in het licht van de eerdergenoemde bewijsmiddelen en gelet op het allerlaatste moment waarop verdachte deze verklaring heeft afgelegd.

Dat [slachtoffer 2] de gebeurtenissen in een andere volgorde plaats bij het informatieve gesprek en bij het verhoor bij de rechter-commissaris, maakt haar verklaringen niet minder geloofwaardig. De kern van haar verklaringen is steeds hetzelfde: zij is twee keer anaal verkracht door verdachte. Bovendien acht de rechtbank het begrijpelijk dat [slachtoffer 2] de volgorde van gebeurtenissen door elkaar haalt, gezien het traumatische effect van hetgeen haar is overkomen en het tijdsverloop.

Gezien het voorgaande gaat de rechtbank uit van de aangifte van [slachtoffer 2] en acht zij niet alleen wettig, maar ook overtuigend bewezen dat verdachte tot twee keer toe zijn penis in de anus van [slachtoffer 2] heeft geduwd, waarbij hij steeds een fysiek overwicht op haar had. Voor de rechtbank bestaat er geen enkele twijfel dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] dit allemaal niet wilde. Zij heeft dit meerdere keren tegen verdachte gezegd, zij heeft geprobeerd hem weg te duwen en ze moest huilen. Dat verdachte wist dat hij handelde tegen de wil van [slachtoffer 2] blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit zijn (gewelddadig) handelen. Na de eerste verkrachting probeerde [slachtoffer 2] weg te komen, maar zij werd daarin door verdachte belet. Verdachte sloeg toen met zijn vuist op het kussen naast het hoofd van [slachtoffer 2] en hij heeft haar vastgehouden met zijn armen om haar nek en middel en zijn benen om haar heen geklemd. Verdachte zei daarbij dat ze niet weg mocht voordat ze het goed hadden gedaan. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van feit 2, zoals hierna onder 4.4 weergegeven.

Feit 3

De rechtbank acht feit 3 niet bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat alleen met schakelbewijs aan het bewijsminimum kan worden gekomen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs is toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal voor die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte (Vgl. Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118). Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat van een specifiek en onderscheidend patroon geen sprake is, zodat het gebruik van schakelbewijs in dit geval niet mogelijk is. Omdat er daardoor sowieso onvoldoende wettig bewijs is, komt de rechtbank niet meer toe aan een weging van de verklaringen van mevrouw [slachtoffer 3] . De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 3.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 10 mei 2018 te Tilburg door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte

  • -

    tweemaal zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en

  • -

    eenmaal zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht

en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte

  • -

    een fysiek overwicht op die [slachtoffer 1] heeft gehad en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] angst heeft ingeboezemd door haar te zeggen dat hij een mes zou gaan halen en en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] met kracht haar arm op haar rug heeft geklemd en/of op die [slachtoffer 1] is gaan zitten en/of

  • -

    met kracht zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of

aldus voor die [slachtoffer 1] een ongelijkwaardige en bedreigende situatie heeft doen ontstaan waardoor die [slachtoffer 1] zich niet kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen;

feit 2

op 21 mei 2019 te Tilburg door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft verdachte meermalen

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer 2] geduwd

en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte

  • -

    een fysiek overwicht op die [slachtoffer 2] heeft gehad en/of

  • -

    die [slachtoffer 2] angst heeft ingeboezemd door met zijn vuist op het kussen naast het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan en die [slachtoffer 2] heeft belet om het bed te verlaten door zijn armen om haar nek en haar middel te houden, en zijn benen om haar heen te klemmen en haar daarbij meermalen te zeggen dat zij niet weg mocht en/of

  • -

    met kracht zijn penis in de anus van die [slachtoffer 2] geduwd en vervolgens met kracht heen en weer heeft bewogen en/of

aldus voor die [slachtoffer 2] een ongelijkwaardige en bedreigende situatie heeft doen ontstaan waardoor die [slachtoffer 2] zich niet kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte voor het verkrachten van drie vrouwen op te leggen een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich verzet tegen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Deze dwangmaatregel is een ultimum remedium, terwijl verdachte een first offender is en uit gegevens van Fivoor blijkt dat verdachte inzicht geeft in de bij hem aanwezige pathologie en een ambulante behandeling onder voorwaarden haalbaar wordt geacht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van twee jonge vrouwen. Hij kwam met beide vrouwen in contact via de datingapp Tinder. Eind 2017 leerde verdachte de toen 35-jarige [slachtoffer 1] kennen. Zij kregen een relatie waarin verdachte zich dwingend en controlerend opstelde. Op 10 mei 2018 overschreed verdachte alle grenzen. Hij wilde seks en toen aangeefster [slachtoffer 1] aangaf dat zij niet wilde, ontstond er een gevecht waarna verdachte zich bovenop haar drong en haar verkrachtte. Hierna nam hij [slachtoffer 1] mee naar buiten op zijn balkon, waar hij met zijn vingers haar lichaam binnendrong terwijl zij dat niet wilde. Zij werd vervolgens opgetild door verdachte en weer de woning binnengebracht. Hij zei tegen haar dat hij een mes zou gaan halen en in de slaapkamer verkrachtte hij haar nog een keer. [slachtoffer 1] heeft steeds aangegeven dat zij het niet wilde en moest huilen, maar verdachte bleef maar doorgaan.

In 2019 leerde verdachte de toen 33-jarige [slachtoffer 2] kennen. Op 21 mei 2019 spraken zij af in de woning van verdachte. In de middag was sprake van vrijwillige seks, maar in de avond wilde verdachte anale seks en [slachtoffer 2] wilde dat niet. Ze zei meerdere keren dat ze dat niet wilde en stribbelde tegen, maar dat was tevergeefs. [slachtoffer 2] werd toen anaal verkracht door verdachte. Hierna probeerde zij weg te komen van hem. Verdachte sloeg met zijn vuist op het kussen naast het hoofd van [slachtoffer 2] en klemde zijn armen en benen om haar heen. Hij zei tegen haar dat ze pas weg zou mogen als ze het goed hadden gedaan. Daarna vond een tweede anale verkrachting plaats.

Verkrachting is een zeer ernstig feit. Verdachte heeft meermalen op gewelddadige wijze de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat als gevolg van fysiek misbruik de geestelijke gezondheid van slachtoffers ernstig kan worden geschaad. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, blijkt uit de slachtofferverklaringen die door de jonge vrouwen ter zitting zijn voorgedragen. [slachtoffer 1] heeft last van angsten en nachtmerries. In plaats van de vrolijke vrouw die ze was, is ze nu een verdrietige, sombere en vermoeide vrouw. Ze omschrijft zichzelf als ‘een verpest iemand’. Verdachte heeft haar eer als mens en vrouw afgepakt. Ze voelt zich gebroken en dat zal voor altijd zo blijven. Ook [slachtoffer 2] heeft erg te lijden onder wat verdachte haar heeft aangedaan. Zij heeft verdachte die avond gesmeekt om te stoppen en om haar te laten gaan. Ze begon de hoop op te geven en heeft zelfs gedacht dat ze het niet zou overleven. Sindsdien heeft ze last van angstaanvallen. [slachtoffer 2] is onder behandeling van een psycholoog. De behandeling bestaat uit EMDR gericht op het verminderen van acute Post Traumatische stressstoornis klachten.

Verdachte had lak aan het welzijn van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij stelde zijn eigen bevrediging voorop terwijl het voor hem volkomen duidelijk was, dat zij niet wilden wat hij wilde. Tekenend is verder de respectloze manier waarop verdachte met anderen over seks met vrouwen spreekt, wat verdachte zelf ‘mannentaal’ noemt, kennelijk met de bedoeling om aan te geven dat hetgeen hij feitelijk zegt onjuist zou zijn, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om de eigen woorden van verdachte slechts te geloven wanneer hij de inhoud daarvan zelf achteraf bevestigt. De rechtbank acht het handelen van verdachte onbegrijpelijk en neemt het hem ten zeerste kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Integendeel, verdachte is blijven volhouden dat hij door aangeefster en justitie is ‘geframed’. Verdachte geeft er hiermee blijk van dat hij totaal geen inzicht heeft in de verwerpelijkheid van zijn gedrag. Dat vindt de rechtbank buitengewoon zorgwekkend.

Bij de bepaling van de strafmaat neemt de rechtbank de landelijk vastgestelde richtlijnen als uitgangspunt. Doorgaans wordt voor een verkrachting een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd. In deze zaak is sprake van twee verkrachtingen, meermalen gepleegd.

De rechtbank slaat ook acht op het strafblad van verdachte van 14 augustus 2019, waaruit volgt dat verdachte zich eerder schuldig geeft gemaakt aan gewelddelicten. In 2007 en 2008 heeft hij stevige veroordelingen opgelegd gekregen voor meerdere mishandelingen in de relationele sfeer, waarbij toen ook verplicht reclasseringscontact is opgelegd. Die veroordelingen en dat contact hebben blijkbaar niet voldoende effect gehad op verdachte en zijn gedrag.

In het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 31 januari 2020 wordt melding gemaakt van genoemde veroordelingen. De veroordeling van 2007 zag op mishandeling van twee jonge vrouwen met wie verdachte een relatie had. In die zaak is in 2006 een Pro Justitia rapportage uitgebracht door psycholoog Labrijn. Zij concludeerde dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische kenmerken. In het kader van het verplichte reclasseringscontact zou verdachte een agressietraining hebben gevolgd. De veroordeling van 2008 zag ook op mishandeling van een vrouw met wie verdachte een relatie had. Verdachte heeft naar aanleiding van die veroordeling een behandeling gevolgd bij GGzE De Woenselse Poort. In het rapport van het PBC is verder te lezen dat verdachte in ambulante behandeling is geweest bij Fivoor vanaf april 2018 tot mei 2019. Het PBC heeft echter geen informatie kunnen verkrijgen over het verloop van de agressietraining en de behandelingen bij de Woenselse Poort en Fivoor. Verdachte heeft daar namelijk geen toestemming voor gegeven. Ook heeft verdachte niet inhoudelijk willen meewerken aan het gedragskundig onderzoek in het PBC. Ondanks deze beperkingen hebben de onderzoekers van het PBC toch een consistent beeld gekregen van de ontwikkelings- en gedragsproblematiek bij verdachte. Zij concluderen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en mogelijk antisociale trekken wordt vermoed. De gebrekkige ontwikkeling was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Geadviseerd wordt om de te ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte te rekenen. Gezien de gebrekkig ontwikkeling van de geestvermogens, het hoge recidiverisico, de benodigde intensieve behandeling en het feit dat verdachte beperkt zicht geeft op de bij hem aanwezige pathologie, wordt oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling geadviseerd. Een voorwaardelijk kader heeft volgens het PBC onvoldoende kans van slagen, om welke reden zij verpleging van overheidswege noodzakelijk acht.

De verdediging heeft uit eigen beweging een brief van 17 juli 2020 van Fivoor in het geding gebracht, ondertekend door psycholoog Rijckmans en psychiater Van der Velden.

In genoemde brief wordt -kort gezegd- vermeld dat bij verdachte sprake is van PTSS en een

ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis waarbij trekken van borderline en narcisme worden herkend.

De rechtbank stelt vast dat psycholoog Labrijn, de onderzoekers van het PBC én de onderzoekers van Fivoor allen bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis met borderline of narcistische kenmerken vermoeden of herkennen. Gelet hierop en op de deskundigheid van het PBC, de motivering en de goede onderbouwing van de conclusies in haar rapport, acht de rechtbank het verantwoord om de bevindingen en de conclusies van het PBC als uitgangspunt te nemen. De rechtbank acht verdachte derhalve op grond van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank realiseert zich dat oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een vergaande stap is. De rechtbank ziet echter geen ander alternatief. Het PBC geeft aan dat minder ingrijpende behandelvormen niet afdoende zijn, wat de rechtbank ook terugziet in het behandelverleden van verdachte. In dat verband constateert de rechtbank, anders dan de verdediging, dat ook de minder stringente behandeling bij Fivoor niet adequaat is gebleken. Verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk gepleegd terwijl hij bij Fivoor in behandeling was. Bovendien acht de rechtbank de houding van verdachte dermate zorgelijk, dat zij een ambulant/voorwaardelijk kader onvoldoende acht. De rechtbank ziet dan ook geen andere optie dan de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen om de maatschappij tegen het gevaarlijke gedrag van verdachte te beschermen. Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen daarvan is voldaan.

Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf noodzakelijk. De feiten hebben een grote impact op de samenleving en de slachtoffers gehad en eisen een strafrechtelijke reactie. Mede gezien de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

Bij monde van mr. J. van der Wouden, advocaat te Rotterdam, vordert de benadeelde partij [slachtoffer 1] bij wijze van voorschot een bedrag van € 12.500,00 ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat verkrachting een ernstige normschending is die direct een hooggewaardeerd persoonsbelang raakt en dat in zo’n geval aanspraak op smartengeld zonder meer gerechtvaardigd is. Gezien de gegeven onderbouwing van het gevorderde stelt de rechtbank de vergoeding vast op € 5.000,00, waarbij zij aansluiting zoekt bij de Letsellijst van het Schadefonds. De rechtbank acht het gevorderde tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 10.511,25, waarvan

€ 511,25 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 511,25 volledig toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat verkrachting een ernstige normschending is die direct een hooggewaardeerd persoonsbelang raakt en dat in zo’n geval een aanspraak op smartengeld zonder meer gerechtvaardigd is. Gezien de gegeven onderbouwing van het gevorderde, waaruit blijkt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] nog niet uitbehandeld is, stelt de rechtbank de vergoeding vast op € 7.500,00, waarbij zij aansluiting zoekt bij de Letsellijst van het Schadefonds. De rechtbank acht het gevorderde tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3)

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 10.066,79.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van feit 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert
    feit 1: Verkrachting, meermalen gepleegd;
    feit 2: Verkrachting, meermalen gepleegd;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 5.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 10 mei 2018 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 472,00;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 5.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 10 mei 2018 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat bij niet betaling 60 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 8.011,25, waarvan € 511,25 ter zake van materiële schade en € 7.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 21 mei 2019 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 8.011,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 21 mei 2019 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat bij niet betaling 75 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide, voorzitter, mr. Broeders en
mr. De Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

feit 1

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te Tilburg door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit of mede bestaande uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft/is verdachte meermalen, althans eenmaal,

  • -

    zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

  • -

    zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht

en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte

  • -

    een fysiek overwicht op die [slachtoffer 1] heeft gehad en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] angst heeft ingeboezemd door haar te zeggen dat hij een mes zou gaan halen en/of haar bij haar keel en/of kaak vast te pakken en/of daarbij op te merken dat die [slachtoffer 1] naar hem moest luisteren en/of die [slachtoffer 1] op haar herhaalde vraag of zij zijn woning mocht verlaten te antwoorden dat zij niet weg mocht en/of dat zij het eerst leuk moest gaan vinden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking

  • -

    die [slachtoffer 1] met kracht haar arm op haar rug geklemd en/of op die [slachtoffer 1] gaan zitten en/of

  • -

    (met kracht) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of vervolgens met kracht heen en weer heeft bewogen en/of

aldus voor die [slachtoffer 1] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer 1] zich niet kon verzetten tegen en/of kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen;

feit 2

hij op of omstreeks 21 mei 2019 te Tilburg door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit of mede bestaande uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal,

- zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht

en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte

  • -

    een fysiek overwicht op die [slachtoffer 2] heeft gehad en/of

  • -

    die [slachtoffer 2] angst heeft ingeboezemd door met zijn vuist op het kussen naast het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan en/of die [slachtoffer 2] heeft belet om het bed (in verdachte’s slaapkamer) te verlaten door zijn arm om haar nek en/of haar middel te houden, althans haar vast te houden en/of zijn benen over/om haar heen te klemmen en haar daarbij meermalen te zeggen dat zij niet weg mocht en/of

  • -

    (met kracht) zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of vervolgens met kracht heen en weer heeft bewogen en/of

aldus voor die [slachtoffer 2] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer 2] zich niet kon verzetten tegen en/of kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen;

feit 3

hij op of omstreeks 27 augustus 2016 te Tilburg door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit of mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , immers heeft/is verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] geduwd/gebracht

en/of en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte

  • -

    een fysiek overwicht op die [slachtoffer 3] heeft gehad en/of

  • -

    op die [slachtoffer 3] is gaan liggen en/of de armen van die [slachtoffer 3] boven haar hoofd vast heeft gehouden en/of vervolgens (met kracht) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] heeft geduwd/gebracht en/of

aldus voor die [slachtoffer 3] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer 3] zich niet kon verzetten tegen en/of kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZBRBC18074 (onderzoek Aliveri) van de politie Zeeland-West-Brabant (team Zeden), opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 269.

Voor feit 1

Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , pagina 1292 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

p. 1293

Op 9 mei 2018 had ik met [verdachte] afgesproken. Ik kwam om 19:52 uur in Tilburg aan. We zijn samen naar zijn woning gegaan in Tilburg. Daar hebben we seks gehad. Na de seks bloedde ik en ik had daar een beetje pijn van. De volgende ochtend wilde hij weer seks. Ik wilde niet, omdat het pijn deed. Hij zette door en hij begon agressief te worden. Ik zei tegen hem dat het niet normaal was wat hij deed en dat ik het niet wilde. Hij pakte mijn rechterarm vast en draaide die om. Hierdoor kwam ik op het bed terecht en raakten we in gevecht. Het gevecht wat ontstond heb ik toen verloren en zo heeft hij mij de eerste keer verkracht.

Na de verkrachting gingen we naar het balkon. Op het balkon zaten we op een bank. Op een gegeven moment ging hij met zijn handen tussen mijn benen. Ik hielde mijn benen dicht tegen elkaar, maar hij ging op een gegeven moment toch met zijn vingers bij mij naar binnen. Dat deed heel veel pijn. Ik zei dat ik het niet fijn vond. Toen tilde hij mij op en liep met mij richting de slaapkamer. In de slaapkamer gooide hij mij op bed en daar begon een groter gevecht dan de eerste keer. Hij pakte me bij mijn nek en bij mijn arm. Hij klemde mijn arm achter mijn rug. Vervolgens draaide hij mij om en ging hij op mij zitten. Ik probeerde van zijn bed te glippen. Hij pakte toen mijn benen en trok mij terug op het bed. Ik hield mijn benen bij elkaar en gilde. Toen werd ik voor de tweede keer verkracht. Tijdens de verkrachting was ik heel erg aan het huilen en aan het huilen, maar hij ging maar door.

p. 1294

De volgende ochtend heeft hij mij naar het station gebracht. Ik had de trein van 09:08 uur. Toen ik 10 minuten in de trein zat en zeker wist dat ik Tilburg had verlaten, heb ik mijn vriendin, [getuige] , geappt en verteld wat er was gebeurd. Toen ik op Rotterdam Centraal aankwam, heb ik de politie gebeld.

p. 1294/1295

[verdachte] sport heel veel. Daarom was het ook een oneerlijk gevecht.

p.1295/1296

De eerste keer heeft hij mij verkracht na een gevecht dat ik verloor. Hij was sterker dan ik. Ik probeerde hem van mij af te duwen en ik probeerde onder hem weg te bewegen, maar dat lukte niet. Die eerste en de tweede keer heeft er penetratie plaatsgevonden met zijn penis in mijn vagina. Tijdens de eerste verkrachting lag ik op mijn rug met mijn benen omhoog. Hij stapte van mij af. Hij pakte mijn hand en toen liepen we naar het balkon. Toen hij mij optilde om verder te gaan in bed zei hij tegen mij: "Ik ga nu een mes halen". Toen was ik doodsbang. Ik dacht echt dat hij dat zou doen. Ik dacht echt dat ik niet levend uit zijn woning weg zou komen.

1.2

Het geschrift, te weten de letselbeschrijving door forensisch arts Van den Hondel van 12 juni 2018, pagina 1291 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij forensisch medisch onderzoek op 11 mei 2018 was bij aangeefster [slachtoffer 1] op de overgang van de vagina met de ingang naar de anus een huidbeschadiging te zien, met scherpe genezende wondranden door alle huidlagen en slijmvlies heen, die wat ontstoken leek te zijn. In het midden een uitbreiding van de beschadiging te zien.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1300 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 11 mei 2018 omstreeks 10:13 uur zijn verbalisanten naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan. [slachtoffer 1] verklaarde: Ik ben net uit Tilburg teruggekomen. Ik ben in Tilburg vanaf woensdag vastgehouden in een woning en ben vandaag eindelijk weggekomen. Ik ben in

deze dagen twee keer verkracht door deze man.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] en de daarbij behorende bijlagen, pagina 1302 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op vrijdagochtend 11 mei 2018 kreeg ik via whatsapp een berichtje van [slachtoffer 1] , waarin

stond wat er was gebeurd. Toen ze het berichtje naar mij stuurde, zat ze in de trein. In de app van [slachtoffer 1] stond dat hij haar had gedwongen om seks te hebben, terwijl ze pijn had.

Hij heeft haar tot twee keer toe verkracht. Later die vrijdagmiddag rond 14:00 uur was ik bij haar en ik zag dat zij [slachtoffer 1] niet was. Het leek wel of ze een soort waas over zich heen had. Ik zag gelijk dat het niet goed ging. Ik ken haar 5 jaar, dus ik zie wel aan [slachtoffer 1] hoe het met haar gaat. [slachtoffer 1] had tegen hem gezegd dat wat hij deed niet mocht. Ze had al seks gehad met die jongen en dat had pijn gedaan. Daarna wilde die jongen weer seks, maar deed het al zeer bij haar.

Op 11 mei 2018 heeft aangeefster [slachtoffer 1] de volgende WhatsApp berichten gestuurd naar getuige [getuige] :

09:34 uur:

“ [getuige] het was heel erg met hem .Ik wil dat niemand het weet. Beloof me alsjeblieft dat je dit nooit verteld”

09:35 uur:

“Midden in de nacht wilde hij weer sex en het deed pijn en ik wilde niet meer. Toen

werd hij boos heel boos. donderdagochtend ging de boosheid verder en ik wilde echt geen sex meer.”

09:36

“Toen gooide hij mij op bed draaide me arm om. Ik heb zo gevochten maar ik kon niet

Winnen.”

09:37

“Hij heeft me twee keer verkracht. Hij heeft me nu net vrijgelaten en zit in de trein naar Rotterdam.”

1.5

De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 21 juli 2020, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb bij meerdere gelegenheden seks gehad met [slachtoffer 1] .

1.6

Het proces-verbaal van verhoor verdachte vordering tot bewaring van 3 juni 2019, inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik ben een imposante alfaman die dominant kan zijn.

1.7

De ID-staat van verdachte, pagina 692, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Lengte verdachte 1.89 meter.

1.8

De foto van verdachte, pagina 1372, waarop de rechtbank waarneemt dat verdachte een zeer gespierd postuur heeft.

Voor feit 2

2.1

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina 1445 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

p. 1446-1448

Ik kom aangifte doen tegen [verdachte] . Ik ben op 21 mei 2019 omstreeks 19:00 uur voor de tweede keer die dag naar het appartement van [verdachte] in Tilburg gegaan.

p. 1449

Rond 20:45/21:00 uur gaf aan dat ik zo zou gaan. Hij wilde nog chillen in de andere kamer. Ik ben samen met hem in bed gekropen. Het ging toen snel over naar seks. Bij mijn vagina was het gevoelig omdat hij ruiger was in de seks. Ik gaf aan dat het pijn deed. Hij wilde graag anaal. Hij bracht zijn penis bij mijn anus. Ik gaf aan dat ik dit niet wilde. Hij ging toch geforceerd door, ik stribbelde tegen en zei dat ik dit niet wilde. Hij vond dat ik het toch maar moest proberen. Ik stribbelde nog meer tegen en zei dat ik dit echt niet wilde. Hij probeerde toch, het deed echt pijn, hij zat met het topje van zijn eikel er net in. Hij werd weer boos. Ik

begon te huilen ook omdat ik pijn had en ook omdat ik bang voor hem werd. Hij zat bovenop mij. Ik lag met mijn hoofd op een kussen. Hij maakte een rechter vuist en sloeg naast mij op het kussen. Hij was duidelijk boos en agressief. Hij lag toen naast me. Hij pakte mij weer vast, hij pakte mij vast met zijn rechterarm om mijn nek geklemd. Hij zei, je gaat niet naar huis. Ik mocht niet van hem weg, niet voordat we het goed gedaan hadden.

Ik begon te huilen, ik wilde echt gaan. Hij had mij echt goed vast, met zijn rechterarm om mijn nek en zijn linkerarm om mijn middel. Zijn benen had hij over mijn benen gekruist. Ik kon mij niet bewegen. Ik probeerde hem weg te duwen maar hij was te sterk. Hij zei, je gaat niet weg. Hij heeft mij twee keer anaal gedaan. Ik weet dat de tweede keer dat de penis er dieper in ging. Ik had meer pijn.

p. 1450

Tussendoor probeerde ik weg te komen. Ik zat op de rand op het bed, hij trok me aan de haren op het bed terug. Hij gaf die stomp op het kussen. Daarna hadden we weer anale seks, hij probeerde het weer. Ik lag toen op mijn buik, ik schreeuwde het uit dat het pijn deed. Hij pakte mij toen vast en zei dat ik normaal moest doen. Ik probeerde hem met mijn rechterhand weg te duwen. Hoe harder ik duwde hoe harder hij mij bij mijn nek vasthield. Ik dacht: Ik kom hier nooit meer weg, hij houdt me hier gewoon. Hij stootte ook heel hard. Ik zei ook dat het zeer deed. Ik riep ‘au je doet me pijn. Hij bleef ook harder stoten. De tweede keer dat hij me anaal wilde nemen, lag ik op mijn buik. De eerste keer zat ik bovenop hem. Hij hield mij vast bij de heupen en drukte mij tegen hem aan. Ik probeerde met de onderkant weg te komen omdat ik het niet wilde. Uiteindelijk kon ik hem niet aan. Hij wrong zo heftig dat zijn penis er bijna inzat en dat ik daardoor begon te schreeuwen dat het pijn deed.

p. 1451

Toen gooide hij mij van hem af en toen lag ik naast hem en toen klemde hij mij vast.

De kopie conform van de brief van forensisch geneeskundige Gan aan een medewerker van de Forensische Opsporing, pagina 1442 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gan heeft [slachtoffer 2] onderzocht op 22 mei 2019.

Uitwendig waargenomen letsel:

Op verschillende plaatse zijn hematomen (blauwe plekken of onderhuidse bloeduitstortingen) te zien:

Op de binnenzijde / buigzijde van de linkerbovenarm is een gebied met bloeduitstortingen zichtbaar met een omvang van ongeveer 4 bij 3 cm. Hierin zijn twee ovaalronde bloeduitstortingen te zien, suggestief voor "finger-tip bruising" (veroorzaakt door stevig vastpakken);

Aan de basis van de hals, links aan de voorzijde van het lichaam, is een bloeduitstorting van ongeveer 4 bij 2 cm zichtbaar.

In de hals, onder de kin, is een lichte roodheid van de huid zichtbaar, ruwweg in de vorm van een driekhoek met de punt naar beneden, met een grootte van 5 bij 5 cm.

Bij inspectie van het genito-anale gebied zien we een tweetal bloedende fissuren (kloven), vanuit de anus. Als het slachtoffer op de rug ligt, en we de anus zien als het middelpunt van een klok, bevinden de bloedende fissuren zich respectievelijk op 7 en 8 uur, waarbij de fissuur op 8 uur de grotere verwonding is. Bij inspectie van de vagina, met speculum, is in de wand van de vagina ook een fissuur zichtbaar.

Schatting duur van de genezing:

- wat betreft zichtbare letsels: 1-2 weken

De hematomen op de arm en in de hals passen bij stevig vastpakken van de arm en het vastpakken van de hals. De fissuren vanuit de anus passen bij anale penetratie: deze verwondingen treden op als de huid overmatig opgerekt wordt. Een dergelijke letsel past niet bij botsend geweld tegen de anus.

2.3

Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, pagina 1442 en 1443, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 22 mei 2019 is bij [slachtoffer 2] een zedenkit afgenomen met Spoornummer PL2000-2019117359-122520 en SIN ZAAC9316NL.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 mei 2020 inhoudende, zakelijk weergeven:

ZAAC9316NL#01 bemonstering ‘in de anus’ (nat)

ZAAC9316NL#02 bemonstering ‘in de anus’ (droog)

In bemonstering ZAAC9316NL#01 zijn spermacellen waargenomen. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat.

Ondanks dat er in bemonstering ZMC9316NL#02 geen spermacellen zijn waargenomen, wordt op grond van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek geconcludeerd dat bemonstering ZAAC93 16N L#02 wel sperma bevat.

Op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat

het sperma in bemonsteringen ZAAC9316NL#01 en #02 afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte]

Hypothese 1: De bemonstering bevat sperma van verdachte [verdachte] en celmateriaal van slachtoffer [slachtoffer 2] .

Hypothese 2: De bemonstering bevat sperma van een willekeurige onbekende man en celmateriaal van slachtoffer [slachtoffer 2] .

Het verkregen DNA-mengprofiel van het DNA in elk van de bemonsteringen ZAAC9316NL#O1 en #02 is meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 21 juli 2020, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 21 mei 2019 in mijn woning meermalen seks gehad met [slachtoffer 2] .

2.6

Het proces-verbaal van verhoor verdachte vordering tot bewaring van 3 juni 2019, inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik ben een imposante alfaman die dominant kan zijn.

2.7

De ID-staat van verdachte, pagina 692, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Lengte verdachte 1.89 meter.

2.8

De foto van verdachte, pagina 1372, waarop de rechtbank waarneemt dat verdachte een zeer gespierd postuur heeft.