Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3590

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
AWB- 19_3965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BRE 19/3965

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2020/32 met annotatie van Thoonen, J.J., Have, T. ten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3965

uitspraak van 23 juli 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres (gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 juni 2019 (bestreden besluit) van verweerder over de weigering van een tegemoetkoming in planschade, omdat de aanvraag te laat zou zijn ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 13 juli 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger].

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres heeft de eigendom van het perceel [naam perceel] (perceel). Daar bevindt zich een bedrijf dat zich toelegt op de teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden.

Het perceel ligt in het gebied waarop het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ van toepassing was. Aan het perceel was een agrarische bestemming toegekend. Op de plankaart was een zogeheten ‘bouwvlak’ ingetekend. Binnen dit vlak mochten bedrijfsgebouwen worden opgericht, zo volgt uit de planregels.

Op 25 juni 2013 heeft de raad van de gemeente Terneuzen de beheersverordening ‘Axelse Vlakte’ vastgesteld. De beheersverordening is op 4 juli 2013 in werking getreden. Hierdoor heeft een deel van het perceel de bestemming ‘verkeersdoeleinden’ gekregen, wat heeft geleid tot verval van het bouwvlak ter plaatse. Daardoor kunnen op het perceel minder gebouwen dan voorheen worden opgericht.

In de e-mail van 30 oktober 2017 heeft de gemeente eiseres onder meer laten weten dat de beheersverordening in werking is getreden en dat de agrarische bestemming voor een deel van haar perceel is komen te vervallen.

Op 18 september 2018 heeft eiseres een aanvraag om tegemoetkoming in planschade ingediend vanwege het ‘wegbestemmen’ van het agrarisch bouwvlak.

Bij besluit van 18 december 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag meer dan vijf jaren na inwerkingtreding van de beheersverordening is ingediend. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Standpunt van eiseres

2. Eiseres is – samengevat – van mening dat verweerder de aanvraag niet wegens overschrijding van de aanvraagtermijn had mogen afwijzen. Zij stelt dat geen sprake is van een termijnoverschrijding omdat zij van begin af aan heeft aangegeven dat, als het ‘wegbestemmen’ definitief wordt, zij schadevergoeding wenst. Ook stelt zij dat een aanvraag om tegemoetkoming in planschade niet schriftelijk hoeft te worden ingediend. Ook voert zij aan dat bij haar lang onduidelijkheid over de oorzaak van de gestelde schade heeft bestaan en dat deze onduidelijk mede door de handelwijze van een wethouder en ambtenaren van de gemeente is ontstaan.

Beoordeling

3. Niet in geschil is dat de door eiseres gestelde schade wordt veroorzaakt door de inwerkingtreding van de beheersverordening op 4 juli 2013 en dat die verordening op juiste wijze en tijdig is bekendgemaakt door publicatie in de Staatscourant. Ter beoordeling ligt de vraag voor of eiseres tijdig, dus binnen vijf jaar na onherroepelijk worden van de beheersverordening, een aanvraag om tegemoetkoming in planschade heeft ingediend (artikel 6.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening; Wro).

De rechtbank is – anders dan eiseres stelt – van oordeel dat een aanvraag om tegemoetkoming in planschade enkel schriftelijk kan worden ingediend. Dit volgt uit artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de Wro of andere relevante regelgeving komt – zoals eiseres en haar gemachtigde ook ter zitting hebben erkend – geen bepaling voor waaruit blijkt dat de aanvraag mondeling of op andere wijze kan worden ingediend. Nu de beheersverordening op 4 juli 2013 in werking is getreden en daarmee onherroepelijk is geworden, diende eiseres op grond van art. 6.1, vierde lid, van de Wro binnen vijf jaar nadien een schriftelijke aanvraag om tegemoetkoming in planschade in te dienen. Door de aanvraag pas op 18 september 2018, dus buiten de termijn van vijf jaar, in te dienen, heeft zij de aanvraag te laat ingediend.

Dit betekent dat het college het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag wegens termijnoverschrijding terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank ziet geen reden om de termijnoverschrijding – wat daar overigens ook van zij – verschoonbaar te achten, omdat een wettelijk voorschrift hiervoor ontbreekt.

Conclusie

4. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenvergoeding ziet zij geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 23 juli 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.