Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3587

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
02-018982-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het aanwezig hebben van 2.454 XTC-pillen, 3,2 gram heroïne en 14,4 gram cocaïne, eenvoudig witwassen van onder andere € 28.262,55 en het voorhanden hebben van wapens. Oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met bijzondere voorwaarden. Vordering tenuitvoerlegging toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02/018982-20 en 20/003912-16 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 augustus 2020

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht,

raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan drugshandel, in elk geval het opzettelijk aanwezig hebben van drugs

(feit 1), aan witwassen van onder andere € 28.262,55 en aan het voorhanden hebben van wapens (feiten 3 en 4).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 2.550 pillen en een hoeveelheid cocaïne en heroïne. Zij acht de verklaring van verdachte, dat hij niet bekend was met de aanwezigheid van de drugs in zijn auto en woning, ongeloofwaardig, niet aannemelijk en niet verifieerbaar. Daarnaast kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2, het witwassen. Er bestaat een vermoeden van witwassen en de verklaring die verdachte bij de reclassering heeft afgelegd, mag niet als zodanig worden gebruikt in het strafproces. De verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd is onvoldoende concreet, niet verifieerbaar en te laat. Voorts kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 3 en 4, het voorhanden hebben van wapens, omdat verdachte heeft verklaard dat hij deze wapens heeft gehad.

De officier van justitie heeft in repliek aangevoerd dat er geen sprake is van een onrechtmatige staandehouding, omdat de verbalisant alle redenen had om te vermoeden dat er sprake was van een drugsdeal. Ook de doorzoeking in een heterdaad situatie, zoals genoemd in artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering, is – ondanks het feit dat deze bevoegdheid niet als zodanig in het proces-verbaal is opgenomen – rechtmatig. Er kan niet worden gesproken over een vormverzuim.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting primair verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 2, 3 en 4, omdat sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De staandehouding en doorzoeking van de auto zijn onrechtmatig en dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alles wat is aangetroffen. Er was geen redelijk vermoeden van schuld om verdachte staande te houden. Daarnaast is de doorzoeking in de auto gedaan op grond van de Opiumwet, waardoor alleen zoekend mocht worden rondgekeken. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de rechtbank per feit een beslissing neemt. Met betrekking tot feit 1 heeft hij verzocht verdachte gedeeltelijk – te weten voor de aangetroffen drugs in de auto en woning – vrij te spreken, omdat verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat deze drugs in zijn woning en auto lagen. Daarnaast is niet gebleken van de aanwezigheid van amfetamine en is niet duidelijk geworden hoeveel pillen zijn aangetroffen. De raadsman heeft betoogd dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt hoe men tot de genoemde aantallen is gekomen. Verdachte dient van feit 2 te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van een vermoeden van witwassen. Het enkele feit dat geld is aangetroffen, is niet voldoende. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van een vermoeden van witwassen, dan had het openbaar ministerie onderzoek moeten verrichten naar de verklaring die verdachte bij de reclassering heeft afgelegd. Met betrekking tot de feiten 3 en 4 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De (on)rechtmatigheid van de staandehouding

Op grond van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering is iedere opsporingsambtenaar bevoegd een verdachte staande te houden, teneinde diens identiteit vast te stellen.

Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] kan het volgende worden afgeleid. Verbalisant is wijkagent en was op 21 januari 2020 aanwezig op het terrein van [naam 1] te Tilburg, een voorziening waar veelal harddrugsgebruikers woonachtig zijn. Bij die gelegenheid zag hij dat een hem ambtshalve bekende harddrugsgebruikster al bellend het terrein afliep en naar een flat aan de [straatnaam 1] liep en daar stilstond. De verbalisant stapte in zijn dienstauto en bracht deze op de [straatnaam 2] in een parkeerhaven tot stilstand. Na ongeveer een minuut stapte de harddrugsgebruikster de haar naderende auto in aan de passagierszijde. De auto reed weg over de parkeerplaats van de flat en kwam vanaf de parkeerplaats weer over de [straatnaam 1] weer teruggereden richting de [straatnaam 2] . Het was de verbalisant ambtshalve bekend dat “mobiele harddrugsdealers” op deze wijze verdovende middelen verhandelen om te voorkomen dat er vanaf de openbare weg duidelijk een overdracht zichtbaar is. De auto werd tot stilstand gebracht en de verbalisant vorderde het rijbewijs van de bestuurder, die later verdachte [verdachte] bleek te zijn.

Gelet op bovengenoemde gang van zaken en de ervaring van de verbalisant met betrekking tot mobiele drugsdeals was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat sprake was van een onrechtmatige staandehouding.

De (on)rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto

Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat, nadat de auto van verdachte was staande gehouden, de verbalisant zag dat verdachte zijn rechtervuist gebald had en dat hij hierin iets kleins, een combinatie van wit papier en doorzichtig plastic, vast hield. Het was de verbalisant ambtshalve bekend dat verdovende middelen op deze wijze worden verpakt en verhandeld. Verdachte gaf geen gehoor aan de vordering van de verbalisant om de verdovende middelen over te geven en ontnam het zicht van de verbalisant op zijn rechterhand door met zijn borst voorover te buigen. Toen verdachte buiten zijn auto stond had hij niets meer in zijn rechterhand vast. Verbalisant [verbalisant 1] geeft in zijn proces-verbaal aan dat hij verbalisant [verbalisant 2] heeft verzocht de auto te doorzoeken op grond van de Opiumwet. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] blijkt dat zij vervolgens de auto heeft doorzocht. Uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet blijkt dat opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang hebben tot – kort gezegd – vervoermiddelen, waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed dat daarmee verdovende middelen van lijst I of II van de Opiumwet worden vervoerd. Nu dit redelijk vermoeden bestond, hadden de verbalisanten toegang tot de auto.

Daarnaast bepaalt artikel 96b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat een opsporingsambtenaar, in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, bevoegd is ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken (en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was er sprake van een verdenking van het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen. Deze verdenking is een verdenking in de zin van artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verbalisant was dan ook bevoegd om de auto te doorzoeken. Dat verbalisant [verbalisant 1] als grondslag voor de doorzoeking de Opiumwet heeft genoemd, doet hier niet aan af. Het verweer van de verdediging dat er sprake was van een onrechtmatige doorzoeking, wordt verworpen.

Feit 1

Uit de bewijsmiddelen volgt, dat op 21 januari 2020 in de auto van verdachte en in zijn kleding diverse gripzakjes met verschillende soorten harddrugs zijn aangetroffen. Ook in de woning van verdachte is een grote hoeveelheid drugs aangetroffen.

Aan de orde is de vraag of verdachte degene was die de drugs aanwezig heeft gehad. Daarvoor is vereist dat hij wist van de aanwezigheid van de drugs én dat die drugs zich binnen zijn machtssfeer bevonden.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de aangetroffen drugs niet van hem zijn, behalve de drugs die in zijn kleding zijn aangetroffen. Deze waren voor eigen gebruik. De drugs in zijn auto en woning waren van een vriend van hem die vijf dagen bij hem in zijn woning had geslapen en aan wie hij zijn auto had uitgeleend. Hij heeft de drugs niet gezien. Toen zijn vriend bij hem aankwam, had zijn vriend een doos en een tas met kleding bij zich. De drugs zijn in die doos aangetroffen. De naam van deze vriend wilde hij niet noemen. Verdachte heeft de bankpassen, simkaarten, notitieblaadjes, weegschaaltjes en het A4’tje met gripzakjes en prijzen niet eerder gezien. Hij heeft wel twee Nokia’s in zijn auto zien liggen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft niet willen zeggen wie deze vriend van hem is, zodat zijn verklaring niet geverifieerd kan worden. Daarnaast zijn niet alleen in zijn auto en woning gripzakjes met drugs aangetroffen, maar verdachte had zelf ook meerdere kleine gripzakjes met drugs bij zich. Voorts lagen er tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte vier bankpassen van andere personen op de aangetroffen doos, waarbij op drie van deze bankpassen post-its geplakt zaten met onder andere de teksten “homo, zes maanden niks” en “Die indo heeft jou twee weken geleden gebeld bij inna 15 euro”. Die bankpassen moet verdachte in ieder geval hebben zien liggen, waardoor de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aangetroffen drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Het verweer dat het aantal pillen op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld omdat niet blijkt dat men de aantallen heeft geteld, wordt verworpen. Ten eerste omdat zonder nadere onderbouwing er geen aanleiding is om aan hetgeen op ambtseed is vermeld, waaronder ook de hoeveelheden vallen, te twijfelen. Ten tweede omdat zelfs als er alleen maar is gewogen en niet is geteld, bij terugrekenen van de aantallen en gewichten blijkt dat er voor de twee pillen elk verschillende gemiddelde gewichten naar voren komen. Groen 0,349 en oranje 0,4137. Dat duidt erop dat als er niet is geteld, men heeft berekend op basis van het gewicht van elke soort pil afzonderlijk, hetgeen een juiste methode is om aantallen te bepalen.

Feit 2

Beoordelingskader

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen bewijs bevindt op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de in de woning van verdachte aangetroffen geldbedragen en een concreet aan te duiden misdrijf. Niettemin kan bewezen worden geacht dat deze geldbedragen ‘uit enig (eigen) misdrijf’ afkomstig zijn, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van de geldbedragen. Indien de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de geldbedragen, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de geldbedragen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dan moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaarbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen

Het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] houdt in dat hij ziet dat een voor hem ambtshalve bekende harddrugsgebuikster, [naam 2] , bij verdachte in de auto stapt. Op het moment dat de verbalisant het rijbewijs van verdachte vordert, ziet hij dat verdachte zijn rechtervuist gebald houdt en dat hij hierin iets kleins, een combinatie van wit papier en doorzichtig plastic, vasthoudt. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat zij twee keer in de week drugs gebruikt en dat zij denkt dat zij en verdachte in verband met drugs aan de kant werden gezet. In de woning worden diverse versnijdingsmiddelen, bankpassen van andere personen, weegschaaltjes, dozen gripzakjes in verschillende maten, diverse wapens, telefoons, simkaarten, een A4’tje met daarop verschillende gripszakjes en prijzen en notitieblaadjes met daarop namen en geldbedragen aangetroffen. Ook is in de woning van verdachte een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen, te weten in totaal een bedrag van € 28.262,55 en 400 Zwitserse Franken. Uit onderzoek naar de telefoons bleek dat in één telefoon contacten stonden, waarbij de meeste verwijzen naar een buurt of straat in Tilburg. Uit de inhoud van de berichten blijkt dat onder andere wordt gesproken over schulden, pasjes, geld, verkopen en het naar verschillende plekken rijden om iets – aantallen, “eieren” , “snoepjes”, in vijf apart verpakt – in de brievenbus te gooien. De tenaamgestelden van de aangetroffen pinpassen staan bij de politie bekend als harddrugsgebruikers. Eén daarvan, [naam 3] , heeft verklaard dat de Marokkaanse man bij wie zijn pinpas is aangetroffen, nog geld van hem kreeg, dat hij geen snitch is en als hij meer zou weten, dit niet zou vertellen omdat “als de man vrij komt, komen ze elkaar namelijk ook weer tegen op straat”.

Voornoemde feiten en omstandigheden, in samenhang met het bewezen geachte aanwezig hebben van drugs, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat de aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn van de verkoop van drugs door verdachte en dus onmiddellijk uit enig eigen misdrijf afkomstig zijn.

Verklaring van verdachte over de herkomst van de geldbedragen

Verdachte heeft zich bij de politie op vragen omtrent de herkomst van het aangetroffen geld op zijn zwijgrecht beroepen. Ter zitting heeft hij verklaard dat het geld van hem is. Hij heeft het geld van zijn familie in Marokko in contanten gekregen om een eigen cafetaria te openen. Hij weet niet of het geld per vliegtuig naar Nederland is gekomen en of het via de douane is gegaan, maar een kennis stond in januari aan zijn deur en bracht het geld. Hij is vervolgens op zoek gegaan naar een pand, was bezig met het regelen van vergunningen en papieren en zou zich gaan aanmelden voor een cursus die nodig was om een cafetaria te openen. Op zitting heeft verdachte verklaard dat degene die hem het geld heeft geleend, [naam 4] heet en een oom van zijn moeder betreft. Vervolgens heeft hij, nadat hij werd geconfronteerd met de vraag hoe een familielid uit de familielijn van zijn moeder ook [familienaam] , de naam van zijn vader, zou heten, zijn verklaring aangepast en verklaard dat de oom [naam 5] heet. Hij heeft geen contact meer kunnen krijgen met deze persoon.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die verdachte over de herkomst van de geldbedragen heeft gegeven, niet kan worden aangemerkt als een verklaring die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Verdachte zegt het bedrag geleend of gekregen te hebben van een familielid. Hij hoeft het geld pas terug te betalen wanneer het goed zou gaan met de onderneming. Verdachte zegt het geld te hebben ontvangen om een eigen bedrijf te starten, namelijk een cafetaria. Ter zitting gaf hij aan nog geen voorbereidende handelingen te hebben. Verdachte weet niet zeker wat de naam is van zijn familielid, te weten een oom, van wie hij het geld zou hebben geleend en geeft hier wisselende verklaringen voor. De rechtbank acht zijn verklaring reeds hierom hoogst onwaarschijnlijk nu hij een groot geldbedrag heeft gekregen zonder voorwaarden van een oom waarvan hij wisselend over de naam verklaart. Daarnaast heeft verdachte zijn verklaring niet verder geconcretiseerd met onderbouwende stukken, zoals stukken omtrent de voorgenomen onderneming, persoonsgegevens van ‘ [naam 5] ’ of stukken met betrekking tot de lening. Het door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie, nog daargelaten het tijdstip in de procedure waarop de naam is genoemd.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dat de bedragen van € 28.262,55 en 400 Zwitserse Franken onmiddellijk uit enig eigen misdrijf afkomstig zijn, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen.

Feiten 3 en 4

Aangezien verdachte ten aanzien van feiten 3 en 4 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank die feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 21 januari 2020 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 14,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne en

- 3,2 gram van een materiaal bevattende heroïne en

- 2454 pillen, van een materiaal bevattende MDMA;

Feit 2

op 21 januari 2020 te Tilburg 28.262,55 euro en 400 Zwitserse Franc voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;

Feit 3

op 21 januari 2020 te Tilburg,

- een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (Stun Gun 50000W), en

- een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten Pepperspray (Nato Cs-Gas), voorhanden heeft gehad;

Feit 4

op 21 januari 2020 te Tilburg een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten Nanchaku, voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering, met aftrek van het voorarrest. Zij heeft daartoe aangevoerd dat, gelet op het strafblad van verdachte, de hoeveelheden drugs, de ernst van de feiten en de combinatie daarvan, een forse gevangenisstraf moet volgen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt de eis van de officier van justitie onnodig hoog is en wenst dat het voorwaardelijke strafdeel hoger is, als stok achter de deur. Verdachte heeft al zes maanden onder extreem zware omstandigheden in voorlopige hechtenis gezeten. Hij heeft zijn dochter door de coronamaatregelen niet kunnen zien en is zijn woning kwijtgeraakt. De moeder van zijn kind werkt in de zorg, maar kan niet werken omdat ze haar kind niet kan meenemen. Daarnaast zit zijn hond in een asiel en is het maar de vraag of hij die kan behouden. Ook dient te worden gekeken naar de rol van verdachte, want er kan niet worden vastgesteld dat hij iets van plan was met de drugs in zijn woning of dat het zijn eigendom was. Voorts is verdachte niet eerder veroordeeld ter zake van witwassen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 21 januari 2020 2.454 XTC-pillen, 3,2 gram heroïne en 14,4 gram cocaïne voorhanden gehad. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid, waardoor het aanwezig hebben en de handel daarvan verboden is. Alleen al met het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid harddrugs heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het instandhouden van het drugsmilieu. Het is immers duidelijk dat dergelijke hoeveelheden bestemd zijn voor de handel. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van zijn eigen opbrengsten uit drugshandel. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van wapens. Dat brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitie Documentatie van 25 maart 2020 is hij eerder ter zake van overtredingen van artikel 2, onder C van de Opiumwet veroordeeld. Bovendien liep verdachte in een proeftijd.

In het reclasseringsadvies van 3 april 2020 is gerapporteerd dat het sociaal maatschappelijk functioneren van verdachte zorgelijk is. Hij heeft al langere tijd geen dagbesteding, hij heeft schulden en begeeft zich in een gebruikerscircuit. Ook is er sprake van problematisch middelengebruik. Verdachte is zijn woning kwijtgeraakt vanwege het in zijn bezit hebben van drugs. Om die redenen wordt door de reclassering, bij een veroordeling, geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Om de kans op herhaling te verkleinen zal verdachte binnen een reclasseringstoezicht ondersteund moeten worden op het gebied van gedrag, middelengebruik, dagbesteding, financiën en sociaal netwerk.

Verdachte heeft verklaard mee te zullen werken aan de door de reclassering genoemde voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere voorwaarden verdachte een goede kans geven om uit het drugsmilieu te komen en een leven op te bouwen zonder crimineel gedrag. Om die reden zal de rechtbank aan deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Om de invloed daarvan op verdachte te vergroten, zal de rechtbank het voorwaardelijk deel langer doen zijn dan de officier van justitie heeft geëist.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten, hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken dienen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna toe noemen straffen – waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen en maatregel van onttrekking aan het verkeer – passend en geboden.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de ring wordt teruggegeven aan de rechthebbende, de voormalige echtgenote van verdachte. Het is vastgesteld dat het horloge nep is en om die reden dient het te worden onttrokken aan het verkeer. De geldbedragen en de auto dienen te worden verbeurdverklaard, want de ten laste gelegde feiten zijn daarmee gepleegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ring moet worden teruggegeven aan verdachte dan wel de rechthebbende. Het horloge dient te worden teruggegeven aan verdachte. Dat het horloge nep is en om die reden dient te worden onttrokken aan het verkeer, is te kort door de bocht. Er is geen verder geen onderzoek naar gedaan, het staat niet vast dat verdachte het niet mocht hebben en de geschatte waarde betreft slechts € 2,-. De geldbedragen dienen, in verband met de bepleite vrijspraak van feit 2, ook te worden teruggegeven aan verdachte. Voorts heeft de raadsman verzocht de auto terug te geven aan verdachte, omdat verdachte de auto niet heeft gebruikt voor het plegen van een misdrijf.

De rechtbank overweegt als volgt.

De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten de ring, aan de rechthebbende, zijnde de ex-echtgenote van verdachte, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten het horloge, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Uit het dossier blijkt dat het horloge een imitatie betreft en een taxeerwaarde van € 2,- heeft. Het voorwerp behoort aan verdachte toe en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten de geldbedragen en de auto, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat de geldbedragen aan verdachte toebehoren en deze door middel van feit 2 zijn verkregen. Gebleken is dat feit 1 is begaan met behulp van de auto.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 20/003912-16

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat het, als stok achter de deur, wenselijk is de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging te verlengen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36b, 36c, 57, en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: eenvoudig witwassen;

Feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

Feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

*dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich bij het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland en zich daarna zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte deelneemt aan een intake en zich, indien geïndiceerd, zal laten behandelen voor zijn middelenproblematiek door Antes of een soortgelijke zorgverlening, te bepalen door de reclassering, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling geeft. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

* dat verdachte de volgende bijkomende bijzondere voorwaarden naleeft en zich houdt aan de opdrachten van de reclasseringsorganisatie die in het kader van het toezicht op de naleving van deze voorwaarden noodzakelijk zijn: verdachte heeft de inspanningsverplichting om mee te werken aan begeleiding gericht op dagbesteding, vrijwillig/passend werk of andere soorten dagactiviteiten, verdachte heeft de inspanningsverplichting om een zelfstandige woonruimte te zoeken en te behouden en verdachte krijgt een inkomen uit legaal werk of legale activiteiten/bronnen;

- geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende, zijnde [naam 6] , de ex- echtgenote van verdachte, van het volgende in beslag genomen voorwerp:

* 1 STK Ring (G2147758);

- verklaart onttrokken aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:

* 1 STK Horloge (G2147764);

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

* 28221,25 EUR (G2147755);

* 400 Zwiterse Franken (G2148211);

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 20 juli 2017 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 20-003912-16 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Beudeker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 augustus 2020.

Mr. Kooijman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij, op of omstreeks 21 januari 2020 te Tilburg, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 89,4 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 3,2 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, en/of

- ongeveer 2550 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), en/of

- ongeveer 90 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), (telkens) zijnde cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2

hij, op of omstreeks 21 januari 2020 te Tilburg, althans in Nederland, 28.262,55 euro, en/of 400 Zwitserse Franc en/of een hoeveelheid kleingeld/munten, althans enig groot contant geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

Feit 3

hij, op of omstreeks 21 januari 2020 te Tilburg,

- een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (Stun Gun 50000W), en/of

- een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten Pepperspray (Nato Cs-Gas), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, voorhanden heeft gehad;

Feit 4

hij, op of omstreeks 21 januari 2020 te Tilburg, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten Nanchaku, voorhanden heeft gehad.

12 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2020019628 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 232.

Ten aanzien van feiten 1 en 2

1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 13 en 14 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 21 januari 2020 bevond ik mij in het huismeesterskantoor van [naam 1] . Op dit terrein zijn diverse overlastgevende personen, veelal bekend met

harddrugsgebruik, woonachtig. Ik ben in deze wijk werkzaam als wijkagent en bekend met de bewoners en de bijbehorende problematieken op en om het terrein. Ik zag vanuit het huismeesterskantoor dat de mij ambtshalve bekende harddrugsgebruiker, tevens bewoonster van [naam 1] , [naam 2] het terrein al bellend afliep. Ik liep naar mijn onherkenbare politieauto die voor het terrein van [naam 1] geparkeerd stond en zag dat [naam 2] de [straatnaam 3] overstak en naast de flat aan de [straatnaam 1] stilstond. De gedragingen van [naam 2] deden mij vermoeden dat [naam 2] telefonisch contact had met een dealer en dat er op elk moment een deal kon worden gesloten. Ik stapte in mijn dienstauto en begaf mij via de [straatnaam 3] , [straatnaam 4] en bracht mijn dienstauto op de [straatnaam 2] in een parkeerhaven tot stilstand. Ik had vanaf deze locatie zicht op [naam 2] . Na ongeveer een minuut zag ik dat een zwarte Seat Ibiza, met kenteken [kenteken] mij passeerde en in een rechte lijn doorreed naar de locatie waar [naam 2] stond. Ik zag dat [naam 2] op het moment dat de zwarte Seat haar naderde zich vanaf de hoek van de flat verplaatste richting de weg. Ik zag dat voornoemde Seat op de parkeerplaats [straatnaam 1] , ter hoogte van [naam 2] stopte en dat [naam 2] aan de passagierszijde instapte. Ik zag dat voornoemde zwarte Seat wegreed over de parkeerplaats van de flat en vanaf de parkeerplaats weer over de [straatnaam 1] teruggereden kwam richting de [straatnaam 2] . Mij is ambtshalve bekend dat "mobiele harddrugsdealers" op deze wijze verdovende middelen verhandelen om te voorkomen dat er vanaf de openbare weg duidelijk een overdacht zichtbaar is. Ik reed hierop voornoemde Seat tegemoet en plaatste mijn onherkenbare dienstauto voor voornoemde Seat welke ook tot stilstand werd gebracht. Ik stapte vervolgens uit en liep in de richting van de bestuurderszijde van voornoemde Seat. Ik zag dat er een lichtgetinte man achter het stuur zat en dat [naam 2] naast hem in de auto zat. Ik vorderde vervolgens het rijbewijs van de mannelijke bestuurder. Ik zag op dat moment dat hij zijn rechter vuist gebald had en dat hij hierin iets kleins wat wit van kleur was vast had. Ik zag tevens dat het een combinatie van wit papier en doorzichtig plastic betrof. Mij is ambtshalve bekende dat verdovende middelen op deze wijze wordt verpakt en verhandeld. Ik vorderde hierop de overgifte van de verdovende middelen die hij in zijn rechterhand vast had. Ik zag dat de bestuurder hier geen gehoor aan gaf maar mijn zicht op zijn rechterhand ontnam door voorover te buigen met zijn borst tegen het stuurwiel aan. Ik kreeg hierbij het vermoeden dat de bestuurder hetgeen hij in zijn hand vast had weg wilde maken en trok hem aan zijn linkerhand uit de auto. Ik zag vervolgens toen hij buiten zijn auto stond dat hij niets meer in zijn rechterhand had. Ik bracht bij hem de handboeien aan en wachtte de komst van mijn collega's af die ik portofonisch reeds van voornoemde bevindingen in kennis had gesteld. Dit om te

voorkomen dat hij bewijs weg kon maken. Mijn collega's kwamen vervolgens ter plaatse waarop ik collega [verbalisant 2] verzocht de betrokken Seat te doorzoeken op grond van de Opiumwet. Collega [verbalisant 2] trof tijdens de doorzoeking diverse gripzakjes met verschillende harddrugs aan. De bestuurder, de later bekend geworden verdachte [verdachte] en verdachte [naam 2] werden beiden door ons aangehouden. Op het politiebureau werden tevens in de kleding van verdachte [verdachte] verdovende middelen aangetroffen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , pagina 16 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 21 januari 2020 werd ik door de centralist van het operationeel centrum gevraagd om te rijden naar de [straatnaam 1] te Tilburg. Ik zag mijn collega bij het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] staan. Ik startte met het zoeken in het voertuig. Ter hoogte van het middenconsole onder de radio trof ik een zwart vakje. Voor het vakje zat een klep. Ik haalde het klepje weg. In het vakje zag ik meerdere gripzakjes met daarin onder andere blauwe en groene pillen, een witte poederachtige substantie en een bruine poederachtige substantie. Ik heb van alle goederen foto's gemaakt en ze door mijn collega [verbalisant 1] in beslag laten nemen.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 17 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 21 januari 2020 was ik aanwezig op het cellencomplex van de politie aan de Ringbaan-West 232 te Tilburg. De hulpofficier van justitie gaf een akkoord om verdachte [verdachte] na zijn insluitingsfouillering ook nog te onderzoeken aan zijn lichaam. Ik deelde dit mede aan verdachte [verdachte] , waarop hij al zijn kleding uittrok. Ik zag dat verdachte [verdachte] zijn trainingsbroek naar beneden trok. Ik zag dat er toen een doorzichtige zak uit zijn broek viel. Ik zag dat er in deze zak meerdere kleine gripzakjes zaten met een witte substantie. Ik zag dat er één klein gripzakje met diezelfde witte substantie op de grond viel, los van de wat grotere zak. Deze gripzakjes zijn meegenomen naar het politiebureau en in beslag genomen.

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 2] , pagina 33 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Ben je ergens aan verslaafd?

A: Speed.

V: Alleen speed?

A: Ik blow en gebruik wel een hasj.

V: Hoe vaak gebruik je drugs?

A: Twee keer in de week.

V: Waarom werden jullie aan de kant gezet denk je?

A: Misschien voor drugs. [naam 1] staat erom bekend.

5. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , pagina 18 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 21 januari 2020 werd een onderzoek ingesteld in verband met een

vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid verdovende middelen welke aan mij ter beschikking werden gesteld door [verbalisant 1] .

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

- 2147642: 3 gram (netto) bruin poeder/ verpakt in 11 gripzakjes

- 2147641: 14,4 gram (netto) witte brokjes verpakt in 51 gripzakjes

- 2147644: tabletten (15 stuks)

8 kleur: blauw, voorzien van een diepdruklogo, voorstellende Playbunny - verpakt in gripzak

7 kleur: groen, voorzien van een diepdruklogo, voorstellende Tesla embleem - verpakt in gripzak

Uit elke aangeboden hoeveelheid materiaal werd door mij een representatief monster genomen dat werd gewaarmerkt zoals in de onderstaande sporenlijst is vermeld.

Goednummer: 2147641

Totale hoeveelheid: 3,4 gram

SIN: AAMY2655NL

Monster: monster uit 14,4 gram

Goednummer: 2147642

Totale hoeveelheid: 0,4 gram

SIN: AAMY2654NL

Monster: monster uit 3,0 gram

Goednummer: 2147644

Totale hoeveelheid: 4 stuks

SIN: AAMY2652NL

Monster: monster uit 15 stuks

6. Het proces-verbaal NFident van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , pagina 187 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 4 februari 2020 onderzochten wij de navolgende vier monsters met

vermoedelijk verdovende middelen:

Monster 3

SIN: AAMY2652NL

Aantal: 2 stuks

Totale hoeveelheid: 8 stuks

Kleur: blauw

Bijzonderheden: goednummer partij 2147644

Monster 4

SIN: AAMK5920NL

Aantal: 1 stuks

Totale hoeveelheid: 7 stuks

Kleur: blauw (de rechtbank begrijpt: groen)

Bijzonderheden: goednummer partij 2147644

Monster 3 - SIN AAMY2652NL

Wij zagen dat het monster bestond uit twee ronde tabletten met stempel 'playboy logo'.

Monster 4 - SIN AAMK5920NL

Wij zagen dat het monster bestond uit twee groene tabletten in de vorm van een schild met stempel 'Tesla'.

7. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2020.02.04.177 (aanvraag 003), d.d. 4 februari 2020, pagina 190 van voornoemd eind-proces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Kenmerk: AAMY2655NL

Conclusie: bevat cocaïne

8. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2020.02.04.177 (aanvraag 004), d.d. 4 februari 2020, pagina 192 van voornoemd eind-proces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Kenmerk: AAMY2652NL

Conclusie: bevat MDMA

9. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2020.02.04.177 (aanvraag 005), d.d. 4 februari 2020, pagina 193 van voornoemd eind-proces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Kenmerk: AAMK5920NL

Conclusie: bevat MDMA

10. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , pagina 136 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 21 januari 2020 werd een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid verdovende middelen welke aan mij ter beschikking werden gesteld door [verbalisant 7] .

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

2147816: 90 gram (netto) bruin poeder/ verpakt in boterhamzakjes

Uit de aangeboden hoeveelheid materiaal werd door mij een representatief monster

genomen dat werd gewaarmerkt zoals in de onderstaande sporenlijst is vermeld.

Goednummer: 2147816

Totale hoeveelheid: 4 gram

Kleur: bruin

SIN: AAMY2638NL

Monster: monster uit 90 gram

11. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2020.02.04.177 (aanvraag 001), d.d. 4 februari 2020, pagina 198 van voornoemd eind-proces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Kenmerk: AAMY2638NL

Conclusie: bevat heroïne

12. De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 20 juli 2020, inhoudende, zakelijk weergegeven:

De drugs in mijn kleding waren wel van mij. De voorzitter vraagt of die gripzakjes allemaal van mij waren. Ja.

Het geld is van mij. Familie heeft mij geholpen. Ik zou daarmee een eigen onderneming starten. Dat geld is cash gegeven. Op 1 januari is het geld vanuit mijn familie bij mij aangekomen. Het geld kwam van familie uit Marokko. De voorzitter vraagt of dit met het vliegtuig is gekomen en of het via de douane is gegaan. Dat weet ik niet. Een kennis stond aan de deur en heeft het geld gebracht. De vier briefjes van 100 franken zaten er ook bij. Het geld is in de eerste week van januari aangekomen. De voorzitter vraagt of ik al iets had ondernomen voor het starten van een onderneming. Ik was op zoek naar een pand en op geld aan het wachten. Daarna ben ik op zoek gegaan naar een pand, maar niet alle panden waren geschikt. Ik wilde een cafetaria openen en was bezig met het regelen van een vergunning en papieren. De oudste rechter vraagt hoe lang dat nog zou gaan duren. Ik zou een cursus volgen. Ik zou niet weten na hoe lang ik een pand zou vinden. Ik wilde me nog aanmelden voor een cursus. Ik was dus nog niet begonnen.

Ik heb drie maanden geprobeerd mijn familie te bereiken. Ik kreeg geen contact met degene die mij heeft geholpen. Als het goed zou gaan met de cafetaria, moest ik het geld terugbetalen. Het geld heeft mijn familie aan mij gegeven. Als het goed zou gaan met de cafetaria, dan zouden ze meeprofiteren. Degene die mij geld heeft geleend heet [naam 4] . Hij is het broertje van mijn opa, de oom van mijn moeder. De jongste rechter vraagt hoe het komt dat een familielid uit de familielijn van mijn moeder ook [familienaam] , de naam van mijn vader, heeft. De achternaam klopt niet, ik denk dat hij [naam 5] heet.

13. Het proces-verbaal van doorzoeking woning [adres 1] van verbalisant [verbalisant 7] pagina 43 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Verdachte [verdachte] staat alleen ingeschreven het adres [adres 1] . Rechter-commissaris mr. Kouwenhoven betrad op 21 januari 2020 het pand en had de doorzoeking geopend. Gedurende de doorzoeking zijn de navolgende goederen strafrechtelijk in beslag genomen teneinde waarheidsvinding, bevonden door de politieambtenaar:

- zak plastic 86 gram, kleur bruin;

- 20 gram versnijdingsmiddel;

- 1645 stuks xtc tesla groen;

- 774 stuks xtc chupa chup;

- vijf plastic zakken 864 gram paracetamol;

- verschillende zakjes met hennep;

- drie zakken pijnstillers, twee stuks boorzuur;

- 100 stuks, meerdere zakjes met blauwe en roze pillen;

- vier bankpassen;

- weegschaal, verdovende middelen en vier dozen gripzakjes in verschillende maten, één zak cafeïne, één zak mannitol;

- verkoopblad;

- 10 stuks xtc tesla;

- 10 stuks chupa chups;

- een grote hoeveelheid geld.

14. Het proces-verbaal NFiDent van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 5] , pagina 201 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 februari 2020 onderzochten wij de navolgende twee monsters met vermoedelijk verdovende middelen:

Goednummer: 2147798

SIN: AAMY2640NL

Aantal : 10 stuks

Totale hoeveelheid: 1655 stuks

Kleur: groen

Bijzonderheden: opdruk Tesla

Goednummer: 2147799

SIN: AAMY2641NL

Aantal: 10 stuks

Totale hoeveelheid: 784 stuks

Kleur: oranje

Bijzonderheden: opdruk chupa chups

15. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2020.02.04.177 (aanvraag 006), d.d. 7 februari 2020, pagina 203 van voornoemd eind-proces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Kenmerk: AAMY2640NL

Conclusie: bevat MDMA

16. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2020.02.04.177 (aanvraag 007), d.d. 7 februari 2020, pagina 204 van voornoemd eind-proces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Kenmerk: AAMY2641NL

Conclusie: bevat MDMA

17. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 141 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Onderzoek naar de aangetroffen bankpassen in de woning van verdachte [verdachte] .

Bankpas 1:

- op naam van: hr. [naam 7]

- tekst post-it: "Mare staart homo 6mnd niks".

- [naam 7] betreft de voor ons als politie bekende, [naam 7] geboren op [geboortedag naam 7] -1978 te [geboorteplaats naam 7] . [naam 7] staat bij ons in het politiesysteem bekend

als (hard)drugs gebruiker. Hij is zwervende en veroorzaakt veel overlast.

Bankpas 2:

- op naam van: [naam 8]

- tekst post-it: "serg niks doen met pasje broer".

- [naam 8] betreft de voor ons als politie bekende, [naam 8] geboren op

[geboortedag naam 8] -1977 te [geboorteplaats naam 8] . [naam 8] komt bij ons in het systeem meerdere keren voor ter zake drugs en verklaard methadon te slikken voor een drugsverslaving.

Bankpas 3:

- op naam van: [naam 3]

- tekst post-it: "Die indo heeft jou 2 weken geleden gebeld bij inna 15 euro"

- [naam 3] betreft de voor ons als politie bekende, [naam 3] geboren op [geboortedag naam 3] -1975 te [geboorteland naam 3] . [naam 3] komt veel bij de politie voor onder andere met (hard)drugs.

Bankpas 4:

- op naam van: [naam 9]

- [naam 9] betreft de voor ons als politie bekende, [naam 9] geboren op [geboortedag naam 9] -1989 te [geboorteland naam 9] . [naam 9] verklaard in een eerdere verhoor wel een drugs te gebruiken.

18. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 143 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 24 januari 2020 kreeg ik naar meerdere poging toch telefonisch contact met

getuige [naam 3] . Ik vroeg hem hoe het kan dat ik zijn pinpas had aangetroffen. Ik zei dat de pinpas in een woning van een verdachte was aangetroffen samen

met andere bankpassen. Hierop hoorde ik dat [naam 3] aan mij vroeg of het was aangetroffen bij een Marokkaanse man. Ik bevestigde dit. Hierop hoorde ik [naam 3] zeggen dat hij die jongen, waarvan hij de naam niet kent, al een tijdje kent. Die jongen kreeg nog geld van hem. Ik vroeg hem of het mogelijk met drugs had te maken. Hij zei dat als hij meer zou weten hij mij dit niet zou zeggen. Als de man vrij komt komen ze elkaar namelijk ook weer tegen buiten op straat. Hij is geen snitch en wilt niets vertellen over drugs.

19. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 144 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 21 januari 2020 werd de woning van verdachte [verdachte] doorzocht. In de

woning werden meerdere goederen aangetroffen welke niet allemaal in beslag genomen zijn. Bijzonderheden:

- In de woning werden vier Nokia toestellen gevonden.

- In de woning werden drie smartphones aangetroffen.

- Er lagen meerdere opengescheurde Lebara simkaarten pakjes.

- In de woning lagen meerdere groene notitieblaadjes met hierop geldbedragen.

- Meerdere weegschaaltjes.

20. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] pagina 148 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 22 januari 2020 hebben wij verbalisanten het in beslag genomen geld naar het politiebureau aan de Mijkenbroek in Breda gebracht. Met het geld wordt bedoeld het geld welke in de woning van de verdachte aan het [adres 1] werd aangetroffen is op dinsdag 21 januari 2020. Het geld wat is afgestort in de automaat betrof 28.221,25 euro. Bij het geld werden ook vier briefjes van 100 Zwitserse Franc aangetroffen. Dit geld is op echtheid gecontroleerd door een politiedeskundige op Mijkenbroek.

21. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 166 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Onder verdachte [verdachte] werden bij zijn aanhouding in totaal drie telefoontoestellen aangetroffen. Twee toestellen betreffen Nokia toestellen en zijn uitgelezen door de digitale recherche van het district Hart-van-Brabant.

Telefoon [nummer] :

Het toestel heeft op de Lebara simkaart in totaal 41 contacten staan. Wat opvalt aan de telefooncontacten is dat de meeste verwijzen naar en buurt of straat in Tilburg.

Sms berichten op telefoontoestel:

- 17-01-2020 om 18.12 uur: van [naam 10] .: Maat kun jij 1 in de bus gooien aub? Gooi ik morgen bij je binnen.

- 17-01-2020 om 18.13 uur: Naar [naam 10] .: Ok is goed x

- 17-01-2020 om 18.48 uur: Naar [naam 10] .: Gedaan

- 19-01-2020 om 02.20 uur: Van [naam 11] : Bro ik heb geld geregeld kan je naar mijn huis komen

- 19-01-2020 om 02.20 uur: Naar [naam 11] : Ok w8 benede tammam

- 20- 01-2020 om 01.46 uur: Naar [naam 11] : Bro ben er over 5 min kom je alvast naar beneden

- 20-01-2020 om 01.48 uur: Naar [naam 11] : Ben er

- 19-01-2020 om 21.45 uur: Van [naam 13] : Hey broer, mag ik een halfje lenen aub.

- 19-01-2019 om 21.54 uur: van [naam 13] : Oké rij nu weg

- 19-01-2020 om 21.30 uur: van [naam 12] : Je mag ook in de brievenbus doen hoor dan hoef je niet trap te lopen. Als je meteen wil moet je ff anbellen maat.

- 17-01-2020 om 10.09 uur: Van [naam 14] : Yo met [naam 15] hier. Kan ik je even zien. Kun je 25 afhalen. Maar als ik er nu twee koffie kan voor vandaag dan kan je morgen of zondag en anders maandag 50 pinnen.

- 17-01-2020 om 10.11 uur: Van [naam 14] : Als dat kan ben ik geholpen en doen we echt voor laatste keer. Kan je dan naar spot komen maat?

- 17-01-2020 om 10.19 uur: Van [naam 12] : Wil je een 10 in de bus doen? Dan heb ik 200 euro sguld en dat is me max! Ik moet komende week heel de week weg en dit is melaatste chil dag. Als ik vrijdag thuis kom bel ik meteen en geef ik je 200. Dankjewel.

- 17-01-2020 om 13.02 uur: Van [naam 16] : Yo maat kunnen we vanavond afspreken in Maastricht?

- 17-01-2020 om 14.53 uur: Van [naam 16] : Ik heb 25 eieren en van die snoepjes nodig

- 17-01-2020 om 15.59 uur: Van [naam 16] : 5 apart verpakken svp tot straks

- 19- 01-2020 om 05.11 uur: Van [telefoonnummer] : Doe aub 3 van 10 voor 24.

- 20- 01-2020 om 10.32 uur: Van [naam 14] : Yo maat. Kan je? Kheb myn leefgeld op pasje staan he, en ik heb nodig. Kan ik je zo even zien?

22. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 224 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 21 januari 2020 werd er een huiszoeking gedaan in de woning van verdachte aan de [adres 1] . Hierbij werden er meerdere goederen in beslag genomen waaronder een A4 papier met hierop zeven verschillende gripzakjes geplakt.

- Gripzakje 1, links bovenin: klein gripzakje met hierop paarse naakt liggende vrouwen met als tekst: Heavy B. Hierbij staat de tekst: 0,10 - 10.00 euro +/-246 stuks.

- Gripzakje 2, naast gripzakje 1: klein gripzakje volledig doorzichtig. Hierbij staat de tekst: 0.15 - 15.00 euro

- Gripzakje 3, naast gripzakje 2: klein doorzichtig gripzakje met groene sluitstrip bovenop. Hierbij staat de tekst: 0.22 - 20.00 euro. Dele mag je doen dank je.

- Gripzakje 4, naast gripzakje 3: klein gripzakje blauw van kleur met kronen erop. Hierbij staat de tekst: 0.61 - 50.00 euro +/- 55 stuks.

- Gripzakje 5, onder gripzakje 1: klein doorzichtig gripzakje met groene sluitstrip bovenop. Hierbij staat de tekst: 0.15 - 10.00 euro. Bruin.

- Gripzakje 6, onder gripzakje 5: groot doorzichtig gripzakje met groene sluitstrip bovenop. In het gripzakje zit een witkleurige ponypack dichtgevouwen. Hierbij staat de tekst: 0.27 - 20.00 euro.

- Gripzakje 7, naast gripzakje 6: groot doorzichtig gripzakje met groene sluitstrip bovenop. In het gripzakje zit een witkleurige ponypack dichtgevouwen. Hierbij staat de tekst: 0.70 - 50.00 euro.

Naast gripzakje 7 staat de tekst: Snuif

23. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 226 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Onder verdachte [verdachte] werden in totaal drie telefoontoestellen aangetroffen. Twee toestellen betreffen Nokia toestellen. Ik heb de telefoons onderzocht. Hieruit kwam de volgende informatie:

Telefoon 1: 41 keer gebeld.

Berichten gestuurd naar het toestel:

[naam 13] : Broer mag ik een halfje lenen aub.

[naam 17] : Kom hierheen broer.

[naam 17] : Kom bij [adres 2]

[naam 10] .: Maat kun jij 1 in de bus gooien aub? Gooi ik morgen bij je binnen

Telefoon 2: 178 keer gebeld.

Berichten gestuurd naar het toestel:

[naam 18] : Verzonden op 22-01-2020 06.39 uur: Ik weet niet wat er is maar ik

ben echt niet goed door slechte shit ik wil alleen bij jou halen aub neem op ik heb

gewoon geld in mijn hand.

[naam 14] : Verzonden op 21-01-2020 om 17.34 uur: Maat alsjeblieft ik ben

ziek aan het worden nu man en khe 25 eu voor drie donker

[naam 14] : Verzonden op 22-01-2020 om 12.31 uur: Yo. Kan jue komen. Moet voor 25 hebben.

[naam 14] : Verzonden op 22-01-2020 om 11.21 uur: Kom op maat. Wat is dit nou. Dit is nix vor jou om te doen. Myn pasje man., laten we het f afhandelen man. Is belangryk vorm y man. Heb geld nu. Kom aub even langs man.

[naam 19] : Verzonden op 22-01-2020 om 15.47 uur: Hallo loco verkoop jullie nog of niet.

24. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 231 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 21 januari 2020 werd er een zoeking gedaan in de woning van verdachte [verdachte] . Tijdens de zoeking werden er meerdere goederen in beslag nemen waaronder twee groenkleurige notitieblaadjes. Op de notitieblaadjes staan namen en geldbedragen.

Notitieblad 1:

Maandag 13-1-2020

[naam 20] 100 betaald

[naam 21] 5 betaald

[naam 22] 5

[naam 23] 5

[naam 24] 10

[naam 25] 10

20

Notitieblad 2:

Vrijdag/zaterdag 17-01/18-01

[naam 26] 25 betaald

[naam 10] 20

[naam 23] 15

[naam 22] 10

[naam 27] 10 betaald -10

20 van mij

Ten aanzien van feiten 3 en 4

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 3 en 4 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

25. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 20 juli 2020.

26. Het proces-verbaal van doorzoeking woning [adres 1] van verbalisant [verbalisant 7] , pagina 43 van voornoemd eind-proces-verbaal.

27. Het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 12] , pagina 111 van voornoemd eind-proces-verbaal.

28. Het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 12] , pagina 114 van voornoemd eind-proces-verbaal.

29. Het proces-verbaal onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 12] , pagina 117 van voornoemd eind-proces-verbaal.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.