Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3533

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-07-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
20/7052
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Onterecht opleggen last onder bestuursdwang tot sluiten woning voor 3 maanden o.g.v. de Opiumwet (art. 13-B) Awb; verzoek toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7052 OPIUMW VV

uitspraak van 15 juli 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. W.N. Ramnun,

en

de burgemeester van de gemeente Gilze en Rijen, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam woningstichting] , te [vestigingsplaats woningstichting].

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juni 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van de woning aan [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker] voor de duur van drie maanden. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 juli 2020.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Stouten en H. Agdas. Derde partij is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten

Verzoeker staat, samen met nog twee andere personen waaronder de huurder, ingeschreven in een woning aan [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker]. [naam woningstichting] (derde partij) is eigenaar van de woning. Verzoeker is de (hoofd)bewoner. De huurder heeft de woning – zonder toestemming van de derde partij – onderverhuurd aan verzoeker.

Op 14 mei 2020 heeft de politie Zeeland-West-Brabant een controle uitgevoerd in de woning in verband met inschrijvingen in de Basisregistratie Personen.

Uit een proces-verbaal van bevindingen volgt dat verbalisant tijdens deze controle in de slaapkamer van verzoeker een hennepgeur rook. In een tas werd een hoeveelheid hennep aangetroffen in een schoenendoos, met daarbij meerdere weegschalen, een telefoon en één klein gripzakje met hennep. Verbalisant heeft van verzoeker uitlevering van alle opium gerelateerde goederen gevorderd. Hierop haalde verzoeker uit een jas in zijn slaapkamer een klein zwart portemonneetje. Uit deze portemonnee haalde hij meerdere gripzakjes met wit poeder, een gripzakje met een wit bolletje en een zilverfolie wikkel. Verzoeker zei dat in de gripzakjes cocaïne zat en in de wikkel cocaïne en hasj. Verzoeker heeft vervolgens toestemming gegeven voor vrijwillige doorzoeking van de woning en verklaarde dat hij niets te verbergen had. Tijdens deze doorzoeking werd in een doos in de slaapkamer van verzoeker nog een groot hasjblok aangetroffen in een gripzak.

Met toestemming van verzoeker is in de berging van de woning in de kelder van het appartementencomplex gekeken. In de berging werd een grote hoeveelheid goederen bestemd voor het oprichten een hennepkwekerij aangetroffen. Verzoeker verklaarde aan verbalisant dat hij geen sleutel had van de berging en dat hij nog nooit in de berging was geweest. Verbalisant stelt vast dat de sleutel van de woning aan de sleutelbos van verzoeker ook op het slot van de berging past. De centrale deur is blijkens het proces-verbaal met de sleutel van iemand anders geopend.

De volgende goederen zijn inbeslaggenomen in de slaapkamer van verzoeker:

- 99,23 gram henneptoppen

- 79,17 gram hashish

- 3,06 gram cocaïne

De volgende goederen zijn inbeslaggenomen in de berging:

- schakelbord inclusief tijdschakelaar 12 uur en diverse stopcontacten

- één zak steenwol

- twee dozen met lucht afvoerslangen

- twee dozen met assimilatielampen

- één dompelpomp

- elf zakken met plantenpotten

- twee koolstoffilters

- vijf dozen met lampenkappen voor assimilatielampen

- één blauwe handsproeier

- één tas met transformatoren

- twee tassen met elektriciteitskabels

- één slakkenhuis

- één zak metalen flenzen

In een brief van 3 juni 2020 heeft de burgemeester aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij voornemens is de woning te sluiten voor een periode van drie maanden.

In een brief van 9 juni 2020 heeft verzoeker zijn zienswijze naar voren gebracht.

In het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd en gelast om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet uiterlijk

29 juni 2020 om 10.00 uur te sluiten voor een periode van drie maanden.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In de brief van 23 juni 2020 heeft de burgemeester laten weten dat de sluiting van de woning zal worden uitgesteld totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

2. Standpunt verzoeker

Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik zijn en dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die maken dat in redelijkheid niet tot sluiting van de woning kan worden overgegaan. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Voorlopige voorziening

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Wettelijk kader

Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Op grond van artikel 2 van de Opiumwet – voor zover relevant – is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I:

(..)

B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

(..)

Op grond van artikel 3 van de Opiumwet – voor zover relevant – is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II:

(..)

B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

(..)

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Cocaïne staat op lijst I. Hennep en hashish staan op lijst II.

5. Bevoegdheid tot sluiting

5.1

De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt in het door hem vastgestelde “Gewijzigd handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) gemeente Gilze en Rijen” (de beleidsregels).

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de beleidsregels bij de eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning en/of bij woningen behorende erven, een sluiting van 3 maanden volgt.

Ook niet in geschil is dat de beleidsregels bepalen dat indien bij één constatering zowel harddrugs als softdrugs wordt aangetroffen, bij toepassing van het beleid wordt uitgegaan van het zwaarste misdrijf, dus het handhavingsbeleid voor harddrugs.

handelshoeveelheid

5.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) kan de burgemeester bij zijn beoordeling van de vraag of sprake is van een handelshoeveelheid in redelijkheid aansluiten bij de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria, inhoudende dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid harddrugs die groter is dan 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs die groter is dan 5 gram in beginsel aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking (zie AbRS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362). Deze criteria zijn ook in de beleidsregels verwerkt.

5.4

Verzoeker erkent de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen hard- en soft drugs zoals omschreven in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgeving van inbeslagneming. Derhalve staat vast dat de gehanteerde grenzen van 0,5 gram harddrugs en 5 gram softdrugs zijn overschreden en is in beginsel aannemelijk dat het om een handelshoeveelheid hard- en softdrugs gaat die (mede) bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning.

5.5

Verzoeker heeft echter betwist dat de aangetroffen drugs voor de handel zouden zijn bestemd en stelt dat deze voor eigen gebruik waren.

5.6

In een uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) heeft de AbRS overwogen dat het aan de rechthebbende is om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Wanneer de rechthebbende een helder en consistent betoog heeft over zijn eigen gebruik dat een geringe overschrijding van de grens vanwege dat gebruik aannemelijk maakt, geen andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden, kan in de regel worden geoordeeld dat het tegendeel aannemelijk is gemaakt. Er is dan in beginsel toch geen bevoegdheid tot sluiting en de burgemeester zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd is voor de verkoop, aflevering en verstrekking, zodat hij niettemin bevoegd is om ter zake van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

De voorzieningenrechter dient dus te beoordelen of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetroffen hard- en softdrugs niet aanwezig waren voor de verkoop, verstrekking of aflevering daarvan maar slechts voor eigen gebruik.

5.7

De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat verzoeker daarin niet is geslaagd. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik zijn, heeft verzoeker een proces-verbaal van verhoor verdachte van

5 december 2018 overgelegd. Daarin verklaart verzoeker dat hij verslaafd is aan cocaïne en dat hij 2 gram per dag gebruikt. Hoewel de aanwezigheid van 3,06 gram cocaïne in de woning gelet hierop als een geringe overschrijding van de grens kan worden aangemerkt, maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat deze hoeveelheid drugs niet (mede) voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel, namelijk de hennep, met daarbij meerdere weegschalen, een telefoon en één klein gripzakje met hennep en het grote hasjblok in een gripzak. Ter zitting is daarbij door verzoeker erkend dat hij eerder is veroordeeld voor drugsbezit.

De goederen bestemd voor het oprichten van een hennepkwekerij die zijn aangetroffen in de berging laat de voorzieningenrechter buiten beschouwing. Niet gebleken is immers dat verzoeker zelfstandig toegang had tot die berging, aangezien hij niet over een sleutel van de centrale toegangsdeur beschikte. Bovendien staan nog twee anderen in de woning ingeschreven, die antecedenten op het gebied van de Opiumwet hebben en mogelijk toegang hadden tot de berging.

5.8

Alle voornoemde omstandigheden tezamen bezien maken naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de burgemeester terecht heeft geconcludeerd dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs (mede) bestemd was voor de verkoop, aflevering en verstrekking. Gelet hierop is de burgemeester bevoegd om met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet sluiting van de woning voor een periode van drie maanden te gelasten.

6. Gebruikmaking van de bevoegdheid

6.1

Tussen partijen is in geschil of de burgemeester in dit geval in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken.

6.2

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen (zie AbRS

28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912).

In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij is ook van belang of feitelijke handel heeft plaatsgevonden in of vanuit de woning of daarbij behorende erven. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken de verwijtbaarheid, de gevolgen van de sluiting en de aanwezigheid van minderjarige kinderen (zie AbRS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083).

6.3

De burgemeester stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

noodzaak sluiting

6.4

Verzoeker heeft gesteld dat handelen overeenkomstig de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen, omdat niet gebleken is dat sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en de openbare orde. Uit het dossier blijkt volgens verzoeker niet dat sprake is van een loop naar de woning of dat de woning in de omgeving bekend staat als drugspand.

6.5

Namens de burgemeester is ter zitting gesteld dat een buurman van verzoeker zou hebben verklaard dat er ’s avonds veel aanloop is naar de woning van wisselende personen. Deze verklaring is niet overgelegd, maakt thans geen onderdeel uit van het dossier en is niet toetsbaar voor de voorzieningenrechter. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat ’s avonds regelmatig vrienden komen kaarten bij hem thuis.

Verder blijkt niet dat deze verklaring ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. De belangrijkste reden om tot sluiting van de woning over te gaan is volgens de burgemeester de signaalfunctie die van een dergelijke sluiting uitgaat.

6.6

Op grond van vaste jurisprudentie van de AbRS geldt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (zie AbRS 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435).

6.7

De voorzieningenrechter acht in dit geval echter van belang dat sprake is van een geringe overschrijding van de toegestane hoeveelheid harddrugs voor eigen gebruik. De AbRS heeft in voormelde uitspraak van 14 maart 2018 overwogen dat de burgemeester in zo’n geval dient af te wegen of met een minder verstrekkende maatregel zoals een waarschuwing kan worden volstaan, dan wel of sluiting als reparatoire maatregel is aangewezen ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en herstel van de openbare orde. In dit geval blijkt uit het dossier niet dat sprake is van een loop naar de woning, noch van (overlast)meldingen ter zake handel in drugs, dan wel drugsgebruik. Gelet hierop is de noodzaak om ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde de woning te sluiten in dit geval minder groot (zie AbRS van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912).

Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat voor de in de woning aangetroffen hoeveelheid softdrugs op grond van de beleidsregels met een schriftelijke bestuurlijke waarschuwing had kunnen worden volstaan, zoals ook van de zijde van de burgemeester ter zitting is bevestigd.

evenredigheid – gevolgen van de sluiting

6.8

Verzoeker voert verder aan dat handelen overeenkomstig de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen, omdat hij ten gevolge van de sluiting dakloos zal worden. Verzoeker stelt dat hij geen sociaal netwerk heeft dat hem kan opvangen en wijst erop dat de burgemeester ten onrechte niet heeft geïnformeerd naar vervangende huisvesting.

6.9

Ter zitting is namens de burgemeester gesteld dat verzoeker bij Stichting Travese in Tilburg terecht kan voor noodopvang. De burgemeester heeft verklaard dat nog niet is geïnformeerd naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting, omdat verzoeker in de zienswijze nog niet stelde dat hij dakloos zou worden ten gevolge van de sluiting. Dat verzoeker dakloos zal worden, heeft de burgemeester evenwel niet weersproken.

6.10

De voorzieningenrechter overweegt dat inherent aan een sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Van belang is in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar ook voor de burgemeester is een rol weggelegd. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting (zie AbRS van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912). Nu dat nog niet is gedaan, overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester hier bij de beslissing op bezwaar aandacht aan dient te besteden.

7. Conclusie

7.1

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester gelet op het voorgaande zijn standpunt dat er geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen, onvoldoende gemotiveerd. De burgemeester heeft daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik kunnen maken.

7.2

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit. Deze voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

7.3

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

7.4

De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 15 juli 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.