Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3525

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
20/6464
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6464 PW VV

uitspraak van 8 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , wonende te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 april 2020 (bestreden besluit) van Orionis waarbij een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet is afgewezen. Hij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft op 1 april 2020 bij Orionis een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet ingediend. In brieven van 1 april 2020 en 14 april 2020 heeft Orionis hem gevraagd om aanvullende gegevens te verstrekken.

Volgens door verzoeker verstrekte gegevens is hij tot 22 november 2019 gedetineerd geweest. Hij heeft verklaard dat hij daarna een maand uitzendwerk heef gedaan, en dat hij om te leven en huur te betalen geld heeft geleend van zijn oom.

Orionis heeft vastgesteld dat uit verzoekers bankafschriften niet blijkt dat hij geld van zijn oom heeft ontvangen. Ook is geen bewijs van een geldlening ontvangen. Op de bankafschriften zijn twee pintransacties en één huurbetaling zichtbaar.

Orionis heeft geconcludeerd dat verzoeker niet heeft aangetoond waar hij in de aan de aanvraag voorafgaande periode van heeft geleefd, dat hij niet heeft voldaan aan de informatieverplichting en dat daarom het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Daarop is het bestreden besluit genomen.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij na zijn ontslag in december 2019 geen inkomen meer heeft. Hij heeft, op verzoek van Orionis, talrijke bewijsstukken ingeleverd. Het is duidelijk dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert. Dat hij enkele malen contant geld van familie heeft moeten lenen om eten te kunnen kopen is niet relevant. Het betreft de periode vóórdat bijstand werd gevraagd. Een verklaring van verzoekers oom over de geldlening is, volgens verzoeker, ook niet relevant, evenmin als de hoogte van zijn schulden. Hij was bezig die verklaring te verkrijgen toen de aanvraag werd afgewezen.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen waardoor hij lopende de procedure een uitkering ontvangt.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Daarbij zal de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen beslissing niet in stand kan blijven, moeten worden beantwoord.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Omdat niet is gebleken dat verzoeker middelen heeft om in zijn bestaan te voorzien is aannemelijk dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

5. Op deze zaak zijn de volgende wettelijke bepalingen van toepassing.

In artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te raken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

6. Bij de beoordeling van het bestreden besluit gaat het om het recht op bijstand in de periode die begint op de datum van de aanvraag, 1 april 2020, en die eindigt op de datum van het bestreden besluit, 30 april 2020.

7. Bij een aanvraag is het aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat hij in de in artikel 11 van de Participatiewet bedoelde omstandigheden verkeert. De uitkering is geweigerd omdat onduidelijk is gebleven hoe verzoeker in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daarbij heeft Orionis niet alleen de hier te beoordelen periode, maar ook de daaraan voorafgaande periode beoordeeld. Anders dan verzoeker stelt was Orionis, daartoe bevoegd op grond van de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in bijstandszaken in Nederland (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2318).

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had Orionis voldoende aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken, omdat verzoeker sinds december 2019 geen werk en geen uitkering heeft gehad en pas op 1 april 2020 een uitkering aanvroeg.

8. Ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit verzoekers bankafschriften over de aan de aanvraag voorafgaande periode onvoldoende waar hij van heeft geleefd. Als verzoeker verklaart dat hij geld heeft gekregen of geleend van een oom, mag in het licht van de vaste rechtspraak van de CRvB van hem worden verlangd dat hij dat aannemelijk maakt door bewijsstukken over te leggen. Dat heeft hij niet, of onvoldoende, gedaan.

9. Verzoeker voert aan dat hij bezig was een verklaring van zijn oom te verkrijgen toen de aanvraag werd afgewezen. Orionis heeft hem in de brief van 14 april 2020 gevraagd om vóór 21 april 2020 die verklaring in te leveren. Die termijn is ongebruikt verstreken. Als verzoeker meer tijd nodig had, dan had hij om verlenging van de termijn kunnen vragen. Uit de stukken blijkt niet dat hij dat heeft gedaan. Hij heeft die verklaring ook niet bij het verzoek om een voorlopige voorziening overgelegd.

10. De voorzieningenrechter overweegt ten slotte en ten overvloede dat uit de grondslag van de weigering voortvloeit dat, als verzoeker tijdens de bezwaarprocedure alsnog de ontbrekende bewijsstukken overlegt, Orionis die in de heroverweging bij de beoordeling van het bestreden besluit moet betrekken.

11. Bij de huidige stand van zaken verwacht de voorzieningenrechter echter dat het bestreden besluit in rechte stand zal houden. Hij zal het verzoek daarom afwijzen. Voor

een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 8 juni 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

*griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.