Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3409

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
27-07-2020
Zaaknummer
C/02/370402 / JE RK 20-573
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking tot aanhouding. Verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing met zorgregeling kan niet goed beoordeeld worden nu het Hof op korte termijn uitspraak zal doen over het perspectief van de kinderen. Het perspectief van de kinderen vormt de basis voor de vast te stellen zorgregeling en dient daarom voorafgaand aan de vaststelling daarvan duidelijk te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaakgegevens : C/02/370402 / JE RK 20-573

datum uitspraak: 2 juni 2020

beschikking conflictbehandeling schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[verzoekster] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Middelburg, advocaat: mr. S. van de Voorde te Middelburg,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2004 te Middelburg, hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2012 te Goes, hierna te noemen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag] 2014 te Goes, hierna te noemen [minderjarige 3] ,

[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag] 2018 te Goes, hierna te noemen [minderjarige 4] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[minderjarige 1] , voornoemd,

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI), gevestigd te Amsterdam,

[belanghebbende 1] , hierna te noemen grootmoeder (pleegmoeder van [minderjarige 1] ), wonende te Middelburg,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de pleegouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 4] ,

wonende te Zierikzee,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de pleegouders van [minderjarige 3] ,

wonende te ’s-Heer Hendrikskinderen.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[informant] , hierna te noemen de (stief)vader, wonende te Middelburg.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, om de rechtbank te adviseren.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 24 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 24 maart 2020;

- het verweerschrift met bijlagen van de GI van 4 mei 2020, ingekomen bij de griffie op 6 mei 2020;

- de brief van mr. Van de Voorde met bijlage van 14 mei 2020, ingekomen bij de griffie op 14 mei 2020;

- de e-mail met bijlage van de pleegouders van [minderjarige 3] , ingekomen bij de griffie op 17 mei 2020;

- de brieven van mr. Van de Voorde met bijlagen van 18 mei 2020, beiden ingekomen bij de griffie op 18 mei 2020.

Op 19 mei 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- een tweetal vertegenwoordigers van de GI,

- een vertegenwoordiger van de Raad,

- de grootmoeder.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de vader,

- de pleegouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 4] ,

- de pleegouders van [minderjarige 3] .

De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt uitgeoefend door de moeder.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen in pleeggezinnen.

Bij beschikking van de kinderrechter van 3 oktober 2017 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI tot 3 oktober 2018. Bij deze beschikking is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend en tot 3 april 2018.

Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de kinderrechter bij beschikking van 30 maart 2018 de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend, te weten bij mevrouw [pleegmoeder] , tot 3 oktober 2018.

Bij beschikking van 7 september 2018 is [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de GI tot 7 september 2019. Bij beschikking van 9 augustus 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 7 september 2019.

Bij beschikking van 3 september 2019 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] (laatstelijk) verlengd tot 7 september 2020. Bij deze beschikking is tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg (laatstelijk) verlengd tot 7 september 2020. Bij beschikking van 23 december 2019 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg (laatstelijk) verlengd tot 7 september 2020.

De GI heeft op 13 maart 2020 in een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Hierin is het volgende opgenomen:

“De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering stelt de volgende omgangsregeling vast:

- De bezoeken vinden 1 x per 6 weken plaats gedurende 90 minuten, aan [adres] te Goes.

- De bezoeken vinden plaats op: 18 maart 2020, 29 april 2020, 10 juni 2020, 22 juli 2020, 02 september 2020, 14 oktober 2020, 25 november 2020 en op 23 december 2020.

- Het bezoek vindt plaats van 14.30 – 16.00 uur.

- Kort voor het bezoek is er een moment om de afspraken door te nemen met de begeleiders en om de spulletjes voor het bezoek klaar te zeten. De moeder wordt derhalve om 14.15 uur verwacht.

- Bij ieder bezoek is naast de moeder, de vader en oma [naam 1] welkom.

- Bezoeken worden begeleid door 2 jeugdzorgwerkers/pleegzorgwerkers.

- Er wordt niet gefilmd, geen audio-opnames gedaan en er worden geen foto’s gemaakt tijdens de bezoeken.

- Er wordt afgestemd op de behoeftes van de kinderen.

- Aanwijzingen van de begeleiding worden opgevolgd.

- Gedrag dat niet wordt getolereerd: schreeuwen, agressie (fysiek, verbaal, emotioneel), negeren van aanwijzingen van de begeleiding, het niet laten uitpraten van anderen, het in gevaar brengen van de kinderen of hulpverlening.

- Gedurende de bezoeken zult de moeder indien nodig eenmalig gewaarschuwd worden als haar gedrag de voorwaarden overschrijdt. Wanneer de moeder hier geen gehoor aan geeft, wordt het verzoek direct afgebroken.

- Als er 3 bezoeken achtereenvolgens goed verlopen, vindt een gesprek tussen de jeugdzorgwerkers en de ouders plaats. Er worden in dat gesprek afspraken gemaakt over wijzigingen van de bezoekregeling en de aanwezigheid van tante [naam 2] .

Wanneer niet aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, zal het bezoek worden gestaakt en zal er een gesprek met de moeder en de WSSjb plaatsvinden waarin het betreffende bezoek wordt geëvalueerd. De evaluatie kan tot gevolg hebben dat het eerst volgende bezoek geen doorgang heeft of dat de WSSjb de hierboven genoemde omgang zal herzien.”

Het verzoek


De moeder heeft verzocht:

I. de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren;

II. te bepalen dat er eens per veertien dagen een begeleid bezoekmoment tussen de

kinderen en de moeder plaatsvindt voor de duur van 1,5 uur, waarvan eens per

maand een dagdeel bij de moeder thuis, dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht;

III. te bepalen dat er gedurende één dag binnen een periode van 3 maanden vanaf de datum van de beschikking, omgang zal zijn tussen de moeder en de kinderen om een bezoek te brengen aan de Efteling, al dan niet onder begeleiding;

IV. de beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

V. kosten rechtens.

De GI voert verweer tegen het verzoek van de moeder en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de schriftelijke aanwijzing van 13 maart 2020 te bekrachtigen.

De standpunten

[minderjarige 1] heeft in een apart gesprek met de kinderrechter haar mening kenbaar gemaakt. Het gaat goed met haar, zij heeft het wel wat druk op school. [minderjarige 1] gaat bij haar moeder en stiefvader langs wanneer zij daar zin in heeft en voor haar geldt dus geen vaste bezoekregeling. Zij gaat elke dag of om de dag wel een keer bij de moeder en de stiefvader langs.

De moeder legt, kort samengevat, aan haar verzoek ten grondslag dat de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing van 13 maart 2020 niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De Checklist Ouderencontacten in de Pleegzorg (hierna: CHOP) is niet met de moeder besproken. De GI heeft bovendien het positieve advies van de SDW naar aanleiding van de gezinsopname, geheel buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is de schriftelijke aanwijzing onvoldoende gemotiveerd. De omgangsregeling wordt gemotiveerd aan de hand van de CHOP, maar de moeder heeft er weinig vertrouwen in dat deze lijsten eerlijk zijn ingevuld. Ook worden de uitkomsten beïnvloed door de antwoorden die daarop gegeven zijn, uitgaan van de veronderstelling dat het perspectief voor de kinderen niet bij de ouders ligt. De antwoorden staan haaks op het advies van de SDW, dit zou dus enige toelichting behoeven. Daar komt bij de laatste drie bezoekmomenten en de gezinsopname positief zijn verlopen. De GI blijft teruggrijpen naar bezoekmomenten uit het verleden. In lijn met het advies van de SDW dient er een frequent contact tussen de minderjarigen en de ouders plaats te vinden.

Door en namens de moeder is daarbij ter zitting aangevuld dat het Hof ten tijde van de zitting van september 2019 nog niet op de hoogte was van de positieve resultaten van de gezinsopname. Het Hof kon niet anders dan de beslissing van de rechtbank van 29 maart 2019, waarin het perspectief van de minderjarigen niet bij de ouders is bepaald, in stand te laten. Dit mede gelet op het feit dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing reeds verstreken was. Sinds de advocaat van de moeder is aangeschoven bij bezoeken, zijn deze steeds beter verlopen. De moeder heeft geen vertrouwen in de hulpverleners die meekijken met de bezoeken. Als de advocaat of andere vertrouwenspersonen van de moeder aansluiten, verlopen de bezoeken goed. De gezinsopname is positief verlopen en de SDW heeft gerapporteerd dat de moeder voorspelbaar is en het belang van de minderjarigen voorop zet. Dat de minderjarigen hebben gereageerd op de gezinsopname en de bezoeken die daaraan vooraf gingen, is niet gek. Zij hadden door dat er iets gaande was en hadden de ouders daarvoor weinig gezien. Ook de onduidelijkheid over het perspectief geeft onrust bij de minderjarigen. Het Hof zal naar waarschijnlijkheid op 11 juni 2020 einduitspraak doen in het hoger beroep van de moeder tegen de beslissing van de rechtbank van 23 december 2019. Desondanks wordt het verzoek gehandhaafd. Het verzoek is eind maart ingediend, maar door de coronamaatregelen kon de zaak pas laat op zitting worden behandeld. In de tussentijd heeft een positieve gezinsopname plaatsgevonden en is er geadviseerd over de omgang. De GI wist dat wanneer zij het advies niet zouden overnemen, de moeder beroep in zou stellen tegen de beslissing van de rechtbank van 23 december 2019. Eigenhandig beslist de GI, anders dan op basis van een uitspraak, dat het perspectief bij het pleeggezin ligt en besluiten zij de omgang terug te schroeven. Zij hadden er ook voor kunnen kiezen om voorlopig het advies van de SDW op te volgen. Op die manier hadden de minderjarigen de ouders regelmatig kunnen zien en had de beslissing van het Hof afgewacht kunnen worden. Door de coronacrisis heeft de moeder de minderjarigen lang niet kunnen zien en het eerste bezoek staat pas gepland op 10 juni 2020. Dit duurt de moeder te lang.

De GI heeft, kort samengevat, aan het verweer ten grondslag gelegd dat de conclusie dat de ouders over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikken, niet op basis van de nieuwe bevindingen van SDW kan worden getrokken. De SDW heeft tijdens de gezinsopname zorgtaken van de ouders overgenomen. Ook is de vader naar buiten gestuurd vanwege zijn boze gedrag. Tijdens de gezinsopname is tevens gebleken dat de ouder de strijd tegen de jeugdzorg voortzetten. De GI vat de signalen die de minderjarigen hebben gegeven tijdens de gezinsopname anders op dan de SDW dit doet, mede in het licht van hun kind-eigen problematiek, waaronder hechting. Indien de minderjarigen terug thuis worden geplaatst, is de kans groot dat er opnieuw traumatisering zal plaatsvinden. De hulpverlening is tot heden niet op stand gekomen en de samenwerking met de ouders ontbreekt. Een garantie op een veilige opvoedingsomgeving kan hierdoor niet geboden worden. De GI is daarom van mening dat het perspectief van de minderjarigen in de pleeggezinnen ligt. Dit is ook de reden dat met het invullen van de CHOP, de plaatsing als ‘lang’ is beoordeeld. De omgang voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] blijft gelijk aan de regeling zoals deze was voor de gezinsopname. Wel kan worden gekeken naar uitbreiding, indien de bezoeken positief verlopen. Nu het perspectief voor [minderjarige 4] duidelijk is, wordt de bezoekregeling gelijkgesteld gesteld aan die van de andere minderjarigen. Deze regeling is mede tot stand gekomen na advies van Juvent op basis van het invullen van de CHOP. Voor Juvent is de uitspraak van de rechtbank 29 maart 2019, waarin de eerdere vaststelling van het perspectief bij de pleegouders ongewijzigd is gebleven, nog steeds leidend. De CHOP is niet met de ouders besproken, maar wel per e-mail aan hen verstuurd. Ook heeft de GI tweemaal aangeboden om met de ouders in gesprek te gaan, maar zij zijn hier niet op ingegaan. Het klopt dat er veel positieve bezoeken zijn geweest, maar er zijn ook veel bezoeken negatief verlopen. Dit heeft een grote impact op de minderjarigen gehad. Er dient in het belang van de minderjarigen gekozen te worden voor stabiliteit. Voor de minderjarigen zijn de gezinsopname en de bezoeken die daaraan vooraf gingen intensief geweest. De huidige frequentie past het beste bij de ontwikkelingen en behoeften van de minderjarigen.

In aanvulling op het verweerschrift is namens de GI ter zitting naar voren gebracht dat het perspectief niet enkel is vastgesteld op basis van het verloop van de afgelopen periode, maar ook op basis van het verleden. De moeder heeft het goed gedaan tijdens de gezinsopname en zij heeft ook positieve punten en krachten. Een passende bezoekregeling hangt samen met het perspectief, en het perspectief ligt niet bij de ouders. De opvoedsituatie is meer dan alleen het beschikken over voldoende vaardigheden. De moeder heeft in het verleden al vaker een wisselend beeld laten zien. Het is voor de minderjarigen een onduidelijke periode geweest. Ook zijn zij kwetsbaar. Het is niet wenselijk om in afwachting van de uitspraak van het Hof de omgang alvast te verruimen. Mocht het Hof het perspectief alsnog bij de moeder te bepalen, dan zou de omgang opnieuw gewijzigd moeten worden.

De Raad adviseert het verzoek aan te houden tot een nadere zitting, nu het Hof op 9 juni 2020 zal beslissen over het hoger beroep van de moeder. Indien de kinderrechter wel een beslissing zal nemen op het verzoek, zal de uitspraak op 2 juni 2020 worden gedaan. Het kan dan zo zijn dat die beslissing niet in lijn is met die van het Hof. Dat houdt in dat er in korte tijd veel aanpassingen moeten plaatsvinden, wat in niemands belang is. De huidige omgang dient te worden voortgezet totdat er meer duidelijkheid is. Vervolgens kunnen nieuwe afspraken worden gemaakt over de bezoekregeling. Dat kan inhouden een regeling gericht op een terug thuisplaatsing of een regeling die ziet op een nadere definiëring van de contacten tussen de ouders en de minderjarigen. Het nu al nemen van een beslissing op het verzoek, is niet in het belang van de minderjarigen.

De grootmoeder brengt naar voren dat er voor [minderjarige 1] , maar ook voor de andere minderjarigen, duidelijkheid dient te komen.

De pleegouders van [minderjarige 3] hebben middels een brief aan de kinderrechter kenbaar gemaakt dat er de laatste maanden veel gebeurd is in het leven van [minderjarige 3] . De gezinsopname en de frequentere bezoeken hebben een grote indruk op hem achtergelaten. De hechting in het pleeggezin zorgt ervoor dat de spagaat voor hem steeds groter aan het worden is. Hij heeft het er moeilijk mee en laat boos gedrag zien, voortkomend uit onmacht. Het verzoek wat voorligt draait om de vraag waar [minderjarige 3] gaat opgroeien. De ouders en de GI staan hierin lijnrecht tegenover elkaar. Omdat er van het Hof een einduitspraak verwacht wordt met hierin een duidelijke beslissing over het perspectief van de minderjarigen, is het in het belang van [minderjarige 3] om tot dat moment te wachten met heroverweging van de bezoekregeling. Het opvoeren van de frequentie van de bezoeken zou een grote impact hebben op [minderjarige 3] en de pleegouders willen hem hiervoor behoeden. De pleegouders hopen dat het perspectief van [minderjarige 3] snel duidelijk zal worden. Langer durende onduidelijkheid is voor [minderjarige 3] , maar ook voor de andere minderjarigen, de ouders, de grootmoeder en voor de pleegouders zelf, niet vol te houden.

De beoordeling

De kinderrechter overweegt als volgt. Vast is komen te staan dat de visies van de partijen over waar het perspectief van de minderjarigen moet liggen, ver uiteenlopen. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kinderrechter van 23 december 2019, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is verlengd tot 7 september 2020. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de beslissing op het hoger beroep van de moeder heeft gepland op 11 juni 2020. Het Hof zal naar alle waarschijnlijkheid in de beslissing op het hoger beroep onder meer ingaan op de perspectiefbepaling ten aanzien van de minderjarigen. Om een beslissing op het onderhavige verzoek te kunnen nemen, acht de kinderrechter het van belang dat er allereerst door het Hof uitspraak is gedaan in het hoger beroep van de moeder. Duidelijkheid over het perspectief van de kinderen is immers van doorslaggevend belang voor het vaststellen van een passende contactregeling.

Gelet hierop, zal de kinderrechter de beslissing op het verzoek aanhouden, tot de hierna te melden datum, in afwachting van de uitspraak van het Hof. Na bekendmaking van de uitspraak van het Hof zullen de (advocaat van) de moeder en de GI in de gelegenheid gesteld worden om binnen twee weken schriftelijk hun (nadere) standpunten kenbaar te maken aan de kinderrechter. Aan de Raad wordt tevens verzocht om de kinderrechter aan de hand van deze nieuwe ontwikkeling te rapporteren, waarbij zij dienen aan te geven of het eerder gegeven advies wordt gehandhaafd.

Daarnaast verzoekt de kinderrechter de partijen om zich uit te laten over de positie van [minderjarige 1] . Tijdens het minderjarigengesprek is gebleken dat [minderjarige 1] de moeder en de stiefvader bezoekt wanneer zij hier behoefte aan heeft. Dit verloopt goed. Zij krijgt zowel van de GI als van de moeder en stiefvader de vrijheid om de bezoeken zelf in te richten. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] tijdens het minderjarigengesprek dan ook medegedeeld dat de bezoekregeling voor haar naar alle waarschijnlijkheid niet veel zal veranderen. Het is gelet hierop niet noodzakelijk dat [minderjarige 1] de volgende zitting opnieuw naar de rechtbank komt voor een gesprek met de kinderrechter. Mocht zij hier wel behoefte aan hebben, dan kan zij dit op voorhand aan de kinderrechter kenbaar te maken. Zij mag ook een brief schrijven.

De beslissing


De kinderrechter:

houdt de beslissing op het verzoek van de moeder aan, zulks in afwachting van de uitspraak van het Hof en de schriftelijke reacties van partijen zoals hiervoor omschreven in de beoordeling en;

roept op de (advocaat van) de moeder, de pleegouders van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , de grootmoeder, de GI en de Raad op om te verschijnen ter terechtzitting bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE op de zitting van 14 juli 2020 te 09.15 uur, voor de voortzetting van de behandeling van het onderhavige verzoek;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.

(HH)

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch