Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3074

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
BRE-19_6539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Vertrouwensbeginsel. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2019 van belanghebbenden rioolheffing ter zake van garageboxen geheven, nadat jarenlang daarover niet is geheven. Belanghebbenden waren daarover eerder geïnformeerd per brief in januari 2019. In september 2019 wordt een beleidsregel vastgesteld die met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 voorziet in een lager tarief voor garageboxen. De aanslagen zijn nadien opgelegd naar dat tarief van € 50 per garagebox. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van belastingheffing met terugwerkende kracht. De toepasselijke Verordening is vóór het belastbaar feit in werking getreden en de aanslagen zijn nadien opgelegd. Niet de beleidsregel maar de Verordening is de grondslag voor de heffing. Dat de beleidsregel terugwerkende kracht heeft is in het voordeel van belanghebbenden. Het vertrouwensbeginsel is evenmin geschonden; de enkele omstandigheid dat jarenlang niet is geheven is onvoldoende voor gerechtvaardigd vertrouwen. De hoogte van het tarief wordt tevergeefs bestreden; er is geen sprake van een onredelijke heffing. Evenmin schending van het eigendomsrecht.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 231
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-10-2020
V-N Vandaag 2020/2438
FutD 2020-3056
V-N 2020/55.21.33
NTFR 2020/3335 met annotatie van mr. P.L. Cheung
Belastingblad 2020/464 met annotatie van L.J. Boone
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/6539 tot en met 19/6543 en 19/6544 tot en met 19/6548

uitspraken van 21 juli 2020

Uitspraken als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende 1] , wonende te [plaats 1] ,

belanghebbende 1,

en

[belanghebbende 2] , wonende te [plaats 2] ,

belanghebbende 2,

samen te noemen: belanghebbenden,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats 3],

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

  • -

    De uitspraken van de heffingsambtenaar van 21 november 2019 op de bezwaren tegen de aan belanghebbende 1 opgelegde aanslagen rioolheffing voor het jaar 2019 met aanslagnummers [aanslagnummer 1] inzake vijf garageboxen aan [adres 1] te [plaats 3] (BRE 19/6539 tot en met 19/6543);

  • -

    De uitspraken van de heffingsambtenaar van 21 november 2019 op de bezwaren tegen de aan belanghebbende 2 opgelegde aanslagen rioolheffing voor het jaar 2019 met aanslagnummers [aanslagnummer 2] , inzake vijf garageboxen aan [adres 2] te [plaats 3] (BRE 19/6544 tot en met 19/6548).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende 2, mede als gemachtigde van belanghebbende 1, en namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .

Met instemming van beide partijen zijn de zaken gelijktijdig behandeld. Beide partijen hebben tevens ingestemd dat de uitspraken in één geschrift wordt opgenomen.

1 Beslissing

Belanghebbende 1

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    handhaaft de aanslagen;

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan deze te vergoeden.

Belanghebbende 2

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    handhaaft de aanslagen;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 48,72;

- draagt de heffingsambtenaar op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan deze te vergoeden.

2 Gronden

Niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren

2.1.

De heffingsambtenaar heeft bij de uitspraken op bezwaar de bezwaren van belanghebbenden niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbenden argumenten aanvoeren tegen de vastgestelde tarieven en het niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen een algemeen verbindend voorschrift. Zoals ter zitting is uitgelegd, zijn de uitspraken op bezwaar onjuist. De bezwaarschriften zijn ingediend tegen de aanslagen en niet tegen de hierna te noemen Verordening of de Beleidsregel als zodanig. Een bezwaar tegen een aanslag kan niet niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de inhoudelijke gronden van het bezwaar; het gaat erom of – ongeacht de gronden – het bezwaar de indiener in een betere positie kan brengen.1 Bovendien, anders dan waarvan de heffingsambtenaar uitgaat, kan in het kader van een geschil over de aanslag wel degelijk aan de orde worden gesteld of de aanslag verminderd of vernietigd moet worden omdat een of meer bepalingen van een algemeen verbindend voorschrift in strijd zijn met hoger recht. In het algemeen bestuursrecht wordt dit ook wel de exceptieve toetsing genoemd.2

2.2.

De beroepen zijn dus gegrond. Partijen hebben ter zitting ermee ingestemd dat de rechtbank de zaken inhoudelijk beslist.

Waar gaat het in deze zaken om?

2.3.

Ieder van belanghebbenden is eigenaar van vijf garageboxen in de gemeente [plaats 3] , die worden verhuurd. Vanuit het dak van de garageboxen wordt via een inpandige regenpijp (in)direct geloosd op de gemeentelijke riolering. Ter zake van elk van deze garageboxen is voor het jaar 2019 een aanslag rioolheffing opgelegd. Deze aanslagen zijn in geschil.

2.4.

In de jaren vóór het belastingjaar 2019 is geen rioolheffing geheven ter zake van garageboxen. De reden hiervan was niet dat sprake was van een vrijstelling in de toepasselijke verordening en evenmin dat sprake was van beleid om niet te heffen ter zake van garageboxen. De reden was dat bij de uitvoering van de belastingheffing eerder niet was ‘gezien’ dat rioolheffing geheven had kunnen worden ter zake van garageboxen. Bij een algemene controle kwam dit aan het licht.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft aan ieder van belanghebbenden bij brief van 24 januari 2019 medegedeeld dat, kort gezegd, bij controle is gebleken dat de afgelopen jaren ten onrechte niet is geheven ter zake van de garageboxen, dat de gemeente de bevoegdheid heeft om dit alsnog te doen voor de afgelopen drie jaren, en dat uit coulance ervoor gekozen is om dat niet te doen en pas te heffen vanaf het jaar 2019. Ook anderen in een vergelijkbare situatie hebben een dergelijk brief gehad. Deze brief heeft geleid tot diverse reacties van verschillende betrokkenen.

2.6.

Mede naar aanleiding van die reacties is de Beleidsregel rioolheffing garageboxen 2019 vastgesteld (hierna: de Beleidsregel).3 Deze beleidsregel is in werking getreden op 12 september 2019 en heeft terugwerkende kracht “vanaf 1 januari 2019”. De beleidsregel bepaalt onder meer dat het tarief voor het eigenarendeel voor een garagebox € 50 bedraagt, dit in afwijking van het tarief voor het eigenarendeel van € 166,85 in de Verordening rioolheffing 2019 (hierna: de Verordening). De bestreden aanslagen zijn na inwerkingtreding van de Beleidsregel opgelegd voor een bedrag van € 50 per garagebox.

2.7.

Beide partijen hebben een andere opvatting over de handelwijze van de gemeente c.q. heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar vindt in de kern dat behoorlijk gehandeld is, juist omdat – uit coulance – niet alsnog geheven is over jaren vóór 2019. Belanghebbenden vinden juist dat de gemeente c.q. de heffingsambtenaar onbehoorlijk heeft gehandeld door opeens ter zake van garageboxen rioolheffing te heffen, reeds vanaf het jaar 2019, terwijl bovendien het tarief te hoog is en onduidelijk is waarop dat tarief is gebaseerd.

Beoordeling door de rechtbank

2.8.

De rechtbank merkt allereerst op dat de verhouding van de rechter tot de (gemeentelijke)wetgever en het bestuur meebrengt dat het niet haar taak is om te zeggen of de gemeente c.q. de heffingsambtenaar anders had kunnen handelen, maar dat het haar taak is om te beoordelen of hier rechtmatig gehandeld is. De rechtbank laat zich daarom niet erover uit bijvoorbeeld of hier coulant is gehandeld (dat is aan het bestuur) en evenmin wat een wenselijke tariefstelling is (dat betreft een politieke kwestie en dat is aan de gemeentelijke wetgever). De rechtbank geeft een juridische beoordeling, waarbij getoetst wordt aan regelgeving en algemene rechtsbeginselen.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen rechtmatig zijn en zal dat hierna motiveren.

2.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbaar feit zich voordoet bij elk van de garageboxen. Op basis van de Verordening zou dan € 166,85 geheven kunnen worden. De Beleidsregel voorziet evenwel in een tarief van € 50. De aanslagen zijn daarmee in overeenstemming en zijn dus in zoverre rechtmatig. Verder zijn de aanslagen opgelegd binnen de driejaarstermijn die daarvoor geldt.4

2.11.

Volgens belanghebbenden is sprake van belastingheffing met terugwerkende kracht. Daarvan is echter geen sprake. De Verordening is bekendgemaakt op 19 december 2018 en de dag erna in werking getreden.5 De Verordening is dus in werking getreden vóór het moment van het belastbaar feit op 1 januari 2019, en de aanslagen zijn nadien opgelegd.

Dat de Beleidsregel wel terugwerkende kracht heeft, maakt dat niet anders. De grondslag voor de heffing is niet de Beleidsregel maar de Verordening. De Verordening is rechtsgeldig. Daarbij verdient opmerking dat voldaan is aan de zogenoemde opbrengstlimiet (zie 2.15).

Belanghebbenden hebben ook geen belang bij bestrijding van de terugwerkende kracht van de Beleidsregel. De Beleidsregel voorziet immers juist in een lager tarief voor garageboxen dan de Verordening en is dus gunstig voor belanghebbenden.

Van ongeoorloofde terugwerkende kracht dan wel schending van het vertrouwensbeginsel zou wel sprake kunnen zijn indien de niet-heffing van rioolheffing ter zake van garageboxen was gebaseerd op beleid. Beleid ten voordele van een belastingplichtige mag immers niet met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Van dergelijk beleid is hier echter geen sprake (zie 2.4).

2.12.

Belanghebbenden zijn ná 1 januari 2019 per brief geïnformeerd dat voortaan geheven zou worden, en wel met ingang van het jaar 2019. De rechtbank begrijpt dat dit een (onaangename) verrassing was voor belanghebbenden. De omstandigheid dat de brief is gestuurd ná 1 januari 2019, doet echter niet eraan af dat juridisch gezien geen sprake is van belastingheffing met terugwerkende kracht (zie 2.11). Die omstandigheid brengt evenmin mee dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

Als sprake is van een situatie van gerechtvaardigd vertrouwen over een belastingaangelegenheid, kan dat vertrouwen alleen voor de toekomst worden weggenomen. Hier kan echter niet worden vastgesteld dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen bij belanghebbenden dat geen rioolheffing wordt geheven ter zake van de garageboxen. Zo was dat laatste niet gebaseerd op gepubliceerd beleid (zie 2.4). Verder is het enkele feit dat jarenlang geen aanslagen rioolheffing zijn opgelegd, onvoldoende voor de aanwezigheid van gerechtvaardigde verwachtingen.6 De rechtbank kan zich voorstellen dat belanghebbenden dat anders zullen ervaren, maar juridisch is niet voldoende dat zij de aanslagen niet verwachtten en/of geen rekening hielden met rioolheffing ter zake van de garageboxen. Het gaat erom of belanghebbenden redelijkerwijs de indruk konden hebben dat het niet-heffen was gebaseerd op een bewuste standpuntbepaling van de heffingsambtenaar. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig naast de omstandigheid dat er jarenlang niet geheven is. Dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld.

2.13.

De aanslagen zijn dus terecht opgelegd.

2.14.

Belanghebbenden hebben ook klachten, met name beginselen, aangevoerd tegen het tarief.

2.15.

In het beroepschrift is daarbij een beroep gedaan op een rechterlijke uitspraak. Omdat die uitspraak op de zogenoemde opbrengstlimiet ziet, heeft de heffingsambtenaar daarop een overzicht ingebracht met de begrote baten en lasten. Gelet op dit overzicht, dat als zodanig verder niet betwist is, is de zogenoemde opbrengstlimiet niet overschreden. Belanghebbenden hebben wel aangevoerd dat uit overzicht niet is af te leiden hoe het tarief is bepaald. Dat hoeft de gemeente c.q. de heffingsambtenaar echter niet te doen. Het gaat erom dat de begrote opbrengsten niet hoger zijn dan de begrote lasten. Onder die randvoorwaarde heeft de gemeentelijke wetgever verder een grote vrijheid bij invulling van de rioolheffing zoals wat betreft de maatstaf van heffing en het tarief.7

2.16.

De vrijheid wordt overschreden indien de invulling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing, of indien (anderszins) sprake is van strijd met algemene rechtsbeginselen. Hier voorziet de Verordening in een vast tarief van € 166,85 voor eigenaren, zonder differentiatie naar type object. Voor zowel de hoogte van het tarief op zichzelf als de keuze om niet te differentiëren, ook niet voor garageboxen, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de gemeentelijke wetgever daarmee binnen de aan hem toekomende vrijheid is gebleven. Niet gezegd kan worden dat sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing. Evenmin is sprake van strijd met algemene rechtsbeginselen, ook niet met door belanghebbenden ingeroepen beginselen zoals het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank merkt daarbij op dat eerder in rechtspraak bijvoorbeeld een algemeen tarief van € 253,15 is aanvaard, in een zaak waarin het ook om garageboxen ging.8

2.17.

Hier is bovendien op grond van de Beleidsregel het tarief voor garageboxen verlaagd tot € 50. Aangezien dit een tegemoetkoming is, valt niet in te zien dat de Beleidsregel jegens belanghebbenden een schending van beginselen van behoorlijk bestuur inhoudt. Anders dan waarvan belanghebbenden uitgaan, behoefde het tarief van € 50 niet gemotiveerd te worden.

2.18.

Alle klachten tegen de tariefstelling kunnen belanghebbenden dus niet helpen.

2.19.

Belanghebbenden hebben daarnaast nog diverse klachten aangevoerd die er op neer komen dat zij de rioolheffing over 2019 niet kunnen doorrekenen aan de huurders en dat de heffing een forse negatieve impact heeft op het rendement. De regelgeving voorziet er (echter) niet in om op grond van deze omstandigheden de rioolheffing achterwege te laten of te verlagen. In dat opzicht zijn die omstandigheden niet relevant voor de beoordeling.

Wel zouden de klachten zo kunnen worden opgevat dat het standpunt is dat het eigendomsrecht wordt geschonden zoals dat is beschermd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dit standpunt wordt verworpen. De rioolheffing heeft een wettelijke grondslag en belastingheffing dient een legitiem doel. De gemeentelijke wetgever is verder binnen de aan hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid op belastingterrein gebleven met de tariefstelling van € 166,85. Van een (ongeoorloofde) schending van het eigendomsrecht kan dan alleen sprake zijn indien sprake is van een individuele en buitensporige last. Het moet dan gaan om een last die zich bij in het voorliggende geval sterker laat voelen dan in het algemeen.9 Daartoe zijn geen feiten gesteld. Overigens valt voorshands niet in te zien dat een rioolheffing van € 50 per garagebox een individuele en buitensporige last zou vormen. Opmerking verdient bij dit een en ander nog dat zelfs als de rioolheffing ertoe bijdraagt dat geen rendement wordt behaald met de garageboxen – wat overigens niet (onderbouwd) is gesteld –, dit nog niet betekent dat de gemeente zou moeten terugtreden met de rioolheffing.10

2.20.

Al wat belanghebbenden overigens hebben aangevoerd en hiervoor nog niet (expliciet) is besproken, kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat de aanslagen terecht zijn opgelegd naar een tarief van € 50.

Conclusie

2.21.

De beroepen zijn gegrond omdat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Wat betreft de aanslagen is het gelijk aan de heffingsambtenaar. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht vergoeden. Verder zijn partijen ter zitting overeengekomen dat een proceskostenvergoeding kan worden toegekend van € 48,72 voor de reiskosten.

Deze uitspraken zijn op 21 juli 2020 gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan een uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. Een uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraken kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, en HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844.

2 Bijv. ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.

3 Gemeenteblad gemeente [plaats 3] 11 september 2019, nr. 221535.

4 Artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op grond van artikel 231 Gemeentewet is dit artikel ook van toepassing voor heffing van gemeentelijke belastingen.

5 Gemeenteblad gemeente [plaats 3] 19 december 2018, nr. 272050.

6 Vgl. HR 10 januari 1996, nr. 30 585, ECLI:NL:HR:1996:AA1873.

7 Vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1174.

8 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4754.

9 Vgl. HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442.

10 Vgl. HR 29 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9232.