Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3072

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6594 tot en met 17 _ 6611
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB en OB; Verlengde navorderingstermijn; in het buitenland opgekomen inkomen; voortvarendheid; vereiste aangifte; redelijke schatting; vergrijpboete.

Belanghebbende verkocht motorcrossonderdelen op eBay. Voor de betaling werd gebruik gemaakt van het betaalsysteem PayPal, waar aan een Duitse Postbankrekening was gekoppeld. De rechtbank oordeelt dat sprake is van in het buitenland opgekomen inkomen waarop de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. Niet van belang is of belanghebbende ook de intentie had omzet aan het zicht van de fiscus te onttrekken. De vergrijpboeten OB vernietigt de rechtbank omdat de inspecteur de aangiften niet heeft overgelegd en daardoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende te weinig omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan, heeft betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-10-2020
V-N Vandaag 2020/2607
FutD 2020-3185
V-N 2020/62.29.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/6594 tot en met 17/6611

Uitspraak van 9 juli 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] wonende te [adres]

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming,

de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ), premie Ziekenfondswet (Zfw) en naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) voor de daarbij vermelde jaren, belastbare inkomens, bijdrage-inkomens, premie-inkomens en belastingbedragen opgelegd, en ook bij de belastingaanslagen de volgende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente (tot en met het jaar 2011), beschikkingen belastingrente (vanaf het jaar 2012), beschikkingen revisierente en verliesbeschikkingen gegeven:

Zaaknr.

Aanslagnr.

Middel

Jaar

Inkomen

Belastingbedrag

Boete

Rente

Revisierente

Verliesverrekening

17/6594

W37

WAZ

2003

€ 22.725

€ 851

€ 288

17/6595

S37

Zfw

2003

€ 22.044

€ 893

€ 446

€ 407

17/6596

H67

IB/PVV

2006

€ 57.287

€ 16.079

€ 8.039

€ 6.235

17/6597

W67

Zvw

2006

€ 30.015

€ 409

€ 204

€ 150

17/6598

H86

IB/PVV

2008

€ 8.420

€ 0

€ 57

€ 805

€ 8.420

17/6599

H87

IB/PVV

2008

€ 36.966

€ 10.509

€ 5.254

€ 3.060

€ 805

€ 14.478

17/6600

W87

Zvw

2008

€ 31.231

€ 650

€ 325

€ 189

17/6601

H97

IB/PVV

2009

-€ 32.462

€ 0

€ 156

17/6602

H96

IB/PVV

2009

-€ 12.673

-€ 894

€ 77

17/6603

H06

IB/PVV

2010

-€ 23.473

€ 0

17/6604

W06

Zvw

2010

€ 14.863

€ 735

€ 85

17/6605

W97

Zvw

2009

€ 25.926

€ 1.244

€ 622

€ 300

17/6606

H1601

IB/PVV

2011

-€ 12.417

€ 36

€ 3

17/6607

W16014

Zvw

2011

-€ 8.509

€ 0

Zaaknummer 17/6605 betreft de navorderingsaanslag Zvw 2010 (W07). Deze aanslag is echter nooit opgelegd. De rechtbank gaat er met partijen vanuit dat bedoeld is de

navorderingsaanslag ZVW 2009 (W97) en merkt het bezwaar, de uitspraak hierop en het beroep aan als zijnde gericht tegen de laatstgenoemde aanslag.

Zaaknr.

Aanslagnr.

Middel

Tijdvak

Belastingbedrag

Boete

Rente

17/6608

F.01.9502

OB

2009

€ 9.858

€ 4.929

€ 1.414

17/6609

F.01.0502

OB

2010

€ 7.479

€ 3.739

€ 1.188

17/6610

F.01.1502

OB

2011

€ 6.092

€ 3.046

€ 1.045

17/6611

F.01.2502

OB

2012

€ 8.561

€ 4.280

€ 1.269

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 23 augustus 2017 de (navorderings-/naheffings)aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 oktober 2017, ontvangen bij de rechtbank op 3 oktober 2017, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 168.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend, waarvan door de griffier een afschrift aan de inspecteur is verstrekt.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020 te Breda. Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt. Voor een overzicht van de personen die op de zitting zijn verschenen en voor een overzicht van wat op de zitting is besproken, verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting. Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting is tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] . De activiteiten bestonden uit de handel in motor- en fietscrossonderdelen. Belanghebbende verkocht de artikelen tijdens de motorcrosswedstrijden van zijn zoon en op eBay . Belanghebbendes zoon nam tot zijn ongeval in 2006 deel aan nationale-en internationale wedstrijden. De verkoop tijdens de wedstrijden was voornamelijk in contanten. Voor de verkoop op eBay werd naast betaling via bankoverschrijving gebruik gemaakt van het betaalsysteem PayPal . Aan het PayPal -account was een Duitse Postbankrekening met het nummer 754.208.853 (hierna: de Postbankrekening) gekoppeld. Van de Postbankrekening werden regelmatig contante bedragen opgenomen en op belanghebbendes Nederlandse bankrekening werden regelmatig contante bedragen gestort. De eBay -winkel beschikt vanaf 2003 over minimaal 9.000 recensies.

2.2.

Volgens de overzichten van de Postbankrekening heeft belanghebbende de volgende bedragen ontvangen:

Voor 2009 (2e helft) € 75.268

Voor 2010 € 58.716

Voor 2011 € 49.060

Voor 2012 € 64.933

De door belanghebbende ontvangen bedragen zijn inclusief omzetbelasting en inclusief de door de koper aan belanghebbende betaalde verzendkosten.

2.3.

Belanghebbende heeft over de jaren 2003 tot en met 2012 de volgende bedragen aan de belastbare winst, belastbaar inkomen en omzet aangegeven:

Jaar

Belastbare winst

Belastbaar inkomen

Omzet

2003

€ 7.903

€ 11.478

2004

€ -2.478

€ 695

2005

€ -2.668

€ 3.772

2006

€ 20.714

€ 25.200

2007

€ 27.615

€ 33.181

2008

€ -10.285

€ 8.420

2009

€ -19.789

€ -32.462

€ 25.019

2010

€ -10.534

€ -32.743

€ 12.151

2011

€ -22.341

€ -26.249

€ 6.820

2012

€ -9.611

€ -15.063

€ 14.553

2.4.

In 2008 en 2009 is in de loods van belanghebbende een hennepplantage aangetroffen. Belanghebbende is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. In zijn aangifte IB/PVV over 2008 en 2009 heeft belanghebbende geen inkomsten uit de hennepplantage of de verhuur van de loods aangegeven.

2.5.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld voor de IB/PVV over de periode 2003 tot en met 2012 en voor de OB over de periode 2009 tot en met 2012. Een afschrift van het controlerapport van 20 oktober 2016 behoort tot de gedingstukken. Naar aanleiding van het onderzoek zijn de belastbare winsten en inkomens als volgt gecorrigeerd:

Jaar

Belastbare winst

Belastbaar inkomen

2003

€ 17.799

€ 22.044

2004

€ 13.862

€ 17.180

2005

€ 21.493

€ 28.089

2006

€ 52.801

€ 57.287

2007

€ 56.530

€ 62.096

2008

€ 18.261

€ 36.966

2009

€ 16.647

€ 3.974

2010

-€ 1.264

-€ 23.473

2011

-€ 8.509

-€ 12.417

2012

€ 0

-€ 5.452

De naheffingsaanslagen omzetbelasting over de correcties over de jaren 2009 tot en met 2012 zijn als volgt:

Jaar

Meer ontvangsten

OB

Bedrag naheffing

2009

€ 51.884

19%

€ 9.858

2010

€ 39.399

19%

€ 7.479

2011

€ 32.062

19%

€ 6.092

2012

€ 43.886

19,5%

€ 8.561

2.6.

Op 9 april 2014 heeft de inspecteur een informatiebeschikking afgegeven, omdat belanghebbende van de eBay -winkel een groot aantal gegevens niet

heeft verstrekt. Belanghebbende is hiertegen in bezwaar en beroep gegaan. Nadat de inspecteur te kennen had gegeven alsnog aan belanghebbendes bezwaren tegen de informatiebeschikking tegemoet te komen, heeft belanghebbende het beroep op 5 september 2016 ingetrokken.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

a. Is de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 AWR, vierde lid, van toepassing?

b. Is de inspecteur voldoende voortvarend geweest met het opleggen van de navorderingsaanslagen?

c. Is de navorderingsaanslag over het jaar 2008 tijdig opgelegd?

d. Zijn de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld?

e. Heeft belanghebbende niet de vereiste aangiften gedaan?

f. Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de (navordering-/naheffings)aanslagen en rente-en boetebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

De rechtbank heeft de inspecteur ter zitting verzocht om de bijlagen 7, 35 en 36 bij het verweerschrift na te sturen omdat die bijlagen ontbreken dan wel niet compleet zijn bijgevoegd.1 Bij brief van 2 juni 2020 heeft de inspecteur de verzochte bijlagen bij het verweerschrift nagezonden. Daarnaast heeft de inspecteur de ontbrekende aangiften omzetbelasting 2009 tot en met 2012 en de ontbrekende naheffingsaanslagen bijgevoegd. De rechtbank heeft ter zitting het aanbod van de inspecteur om de laatstgenoemde stukken na te sturen afgewezen en zal die daarom ook niet bij haar oordeel betrekken.

Verlengde navorderingstermijn

4.2.

Artikel 16, vierde lid, van de AWR bepaalt dat de bevoegdheid tot navordering vervalt door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Indien zich niet een zodanig geval voordoet, bedraagt de termijn voor navordering vijf jaar.

4.3.

Belanghebbende betoogt dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is omdat sprake is van in Nederland opgekomen omzet en hij nimmer de intentie heeft gehad om de omzet buiten het zicht van de inspecteur te houden.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De wetgever heeft bij het tot stand brengen van artikel 16, vierde lid, van de AWR specifiek het oog gehad op inkomsten die in het buitenland zijn verkregen of op in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt.2 Daaronder moet mede worden begrepen de situatie waarin inkomsten die in Nederland zijn gegenereerd, rechtstreeks door de Nederlandse afnemer naar een buitenlandse bankrekening worden overgemaakt waardoor deze inkomsten aan het zicht van de Nederlandse fiscus worden onttrokken.3 Wat betreft in het buitenland opgekomen inkomsten moet worden beoordeeld of sprake is van winstbestanddelen waarvan de verwerving en ontvangst geen enkel aanknopingspunt hadden met een ander land dan Nederland.4

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende inkomsten heeft verkregen uit de verkoop van motorcrossonderdelen op eBay . Vaststaat ook dat de kopers de koopprijs hebben betaald via het aan de Duitse eBay -account gekoppelde betaalsysteem PayPal . Tevens staat vast dat belanghebbende de tegoeden op de PayPal -rekening heeft overgeboekt naar de Postbankrekening. Gelet hierop is sprake van in het buitenland opgekomen inkomen waarop de verlengde navorderingstermijn van toepassing is.

4.6.

Voorts overweegt de rechtbank dat voor de toepassing van de verlengde navorderingstermijn slechts van belang is dat het inkomen in het buitenland is opgekomen en aan het zicht van de Nederlandse fiscus is onttrokken. Of belanghebbende ook de intentie had omzet aan het zicht van de fiscus te onttrekken, zoals belanghebbende bepleit, is hierbij niet van belang.5 Uit de tekst van artikel 16, vierde lid, van de AWR kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt dan wel afgeleid dat voor toepassing van dit artikel de intentie van een belastingplichtige van belang is. Daarnaast blijkt uit de parlementaire geschiedenis bij de invoering en totstandkoming van dit artikel dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de mogelijkheid van navordering niet afhankelijk te stellen van de goede of de kwade trouw van een belastingplichtige. De goede trouw is alleen van invloed op een eventueel op te leggen boete.6 De stelling dat hij nooit enige intentie heeft gehad om omzet buiten het zicht van de inspecteur te houden, baat belanghebbende daarom niet.

Voortvarendheidsvereiste

4.7.

Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur bij de aanslagregeling en in de bezwaar- en beroepsprocedure niet voortvarend genoeg heeft gehandeld.

4.8.

De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur moet voldoende voortvarendheid betrachten bij het verkrijgen van inlichtingen ter vaststelling van de belastingschuld en vervolgens het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen (hierna: het voortvarendheidsvereiste). Aan de voortvarendheidseis wordt in elk geval niet voldaan indien bij de werkzaamheden van de belastingautoriteiten een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden.7

4.9.

Belanghebbende stelt zich hierbij op het standpunt dat tussen 26 februari 2015, laatste correspondentie naar de inspecteur, en 18 december 2015, de dag dat het concept van de rapportage wordt toegezonden, een periode is verstreken die langer dan 6 maanden heeft geduurd waarin niets is gebeurd. Bovendien wordt volgens belanghebbende vervolgens pas op 3 oktober 2016 gevraagd of het conceptrapport kan dienen als grondslag voor de eindbespreking.

4.10.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat de inspecteur op 9 april 2014 een informatiebeschikking heeft genomen en deze op 30 augustus 2016 heeft ingetrokken. De periode waarin de informatiebeschikking is genomen en de daartegen aangewende rechtsmiddelen zijn behandeld, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat geoordeeld kan worden dat de werkzaamheden van de belastingautoriteiten in die periode onverklaarbaar zijn vertraagd. Er is immers niet stil gezeten met betrekking tot de belastingheffing over die jaren maar er is gebruik gemaakt van de mogelijkheid informatiebeschikkingen te nemen met betrekking tot die belastingheffing. Daarom kan niet worden geoordeeld dat niet voortvarend is gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen. De omstandigheid dat de informatiebeschikking uiteindelijk door de inspecteur is ingetrokken maakt dat niet anders. Voor zover de navorderingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR, is derhalve voldaan aan het voortvarendheidsvereiste. Het betoog van belanghebbende slaagt niet.

Tijdigheid van de navorderingsaanslag over 2008

4.11.

Belanghebbende heeft gesteld dat de navorderingsaanslag 2008 is opgelegd buiten de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar. Nu uit 4.10 volgt dat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is en de aanslag is opgelegd binnen de verlengde navorderingstermijn, behoeft hetgeen belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd geen behandeling.

Vereiste aangifte en hoogte van de (navorderings)aanslagen

4.12.

Op grond van artikel 27e van de AWR is, kort gezegd, de bewijslast omgekeerd en verzwaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de AWR. Vaststaat dat de inspecteur de informatiebeschikking ten aanzien van belanghebbende voor de onderhavige jaren heeft ingetrokken. Dat betekent niet dat omkering en verzwaring van de bewijslast met toepassing van artikel 27e, eerste lid, van de AWR niet aan de orde kan zijn, echter het kan dan alleen aan de orde zijn als belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.13.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Voorts geldt dat per aangifte (voor ieder tijdvak) moet worden beoordeeld of de vereiste aangifte is gedaan. De bewijslast van dit alles rust op de inspecteur.

4.14.

De inspecteur stelt dat de omzet behaald met de verkoop op eBay in alle jaren niet volledig is aangegeven en heeft onder meer gewezen op het verschil tussen de ontvangsten die belanghebbende in zijn kasboek heeft genoteerd, die als basis heeft gediend voor de aangiften, en de op de Postbankrekening ontvangen bedragen in de jaren 2009 tot en met 2012. Daarnaast heeft hij gewezen op recensies van de webshop [bedrijf] die teruggaan tot 2003. Hieruit blijkt dat de webshop van belanghebbende in ieder geval vanaf 2003 actief was en dat er veel gebruik van is gemaakt.

4.15.

Belanghebbende betwist die stellingen en voert aan dat zijn gehele omzet is verantwoord in zijn aangiften. Het verschil met de ontvangsten op de Postbakrekening zou worden verklaard door de verkoop van privé-spullen zoals kleding, meubilair en sponsorartikelen van de zoon. Bovendien kan uit de recensies van de webshop niet de conclusie worden getrokken die de inspecteur daaruit trekt omdat, kort gezegd, die recensies geen of onvoldoende transactiegegevens bevatten.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in zijn bewijslast is geslaagd. Vaststaat immers dat belanghebbende in de onderhavige jaren op de Postbankrekening de opbrengsten uit de verkoop op eBay ontving en dat belanghebbendes ondernemingsactiviteiten onder meer bestaan uit de verkoop van motorcrossartikelen op eBay . Echter blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de (beperkte) administratie van belanghebbende die tot de stukken behoort, dat die opbrengsten volledig in belanghebbendes kasboek en administratie zijn verwerkt. De aansluiting tussen de ontvangsten op de Postbankrekening en belanghebbendes kasboek is volstrekt onduidelijk. De stelling van belanghebbende dat hij ook privé-goederen op eBay heeft verkocht is niet nader onderbouwd. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat belanghebbende zich hierbij op feiten beroept die een ander licht zouden werpen op de op de Postbankrekening ontvangen bedragen. Belanghebbende heeft dan bij betwisting van die feiten, hetgeen de inspecteur doet, de bewijslast. De rechtbank neemt hierbij ook in overweging dat het bij verkopen op eBay met gebruikmaking van PayPal eenvoudig is daarvan een administratie bij te houden aangezien die in wezen al door eBay en met name PayPal zelf worden bijgehouden. Ook na aandringen is belanghebbende niet bereid geweest die administratie beschikbaar te stellen aan de inspecteur. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat aannemelijk is dat de op de Postbankrekening ontvangen bedragen moeten worden aangemerkt als verkoopopbrengsten van belanghebbendes onderneming Verder blijkt uit het verschil tussen de stortingen op de Postbankrekening en het kasboek dat de in de aangiften in aanmerking genomen omzet zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijke omzet in die jaren. Dit heeft tot gevolg gehad dat ook de daarmee gemoeide te weinig betaalde belastingbedragen zowel absoluut als relatief omvangrijk waren. De verschillen zijn zo groot en belanghebbende heeft bewust gekozen voor deze werkwijze en de administratieve vastlegging daarvan, dat de rechtbank van oordeel is dat belanghebbende zich van die verschillen bewust moet zijn geweest. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan.

Redelijke schatting

4.17.

De omkering van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de belastingaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting. De rechtbank acht de door de inspecteur in het controlerapport gehanteerde uitgangspunten redelijk. De inspecteur is bij de berekeningen uitgegaan van de afschriften van de Postbankrekening over de periode 1 juli 2009 tot en met 31 december 2012. Er is rekening gehouden met de provisie van PayPal , de kosten van eBay en de verzendkosten. Omdat gegevens over de jaren 2003 tot en met 2008 van de Postbankrekening niet door belanghebbende zijn overgelegd, heeft de inspecteur de winstcorrectie over deze periode geëxtrapoleerd door de gemiddelde correctie te nemen van de jaren 2009 tot en met 2012 rekening houdend met een aanloopperiode in 2003 tot en met 2005. Tevens is een incidentele ontvangst in 2009 geëlimineerd. De rechtbank acht een schatting gebaseerd op deze uitgangspunten redelijk.

4.18.

Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft gesteld niet doen blijken dat de schatting te hoog is. Zijn stelling dat extrapolatie niet is toegestaan vanwege de gewijzigde omstandigheden is daartoe onvoldoende. De inspecteur heeft immers rekening gehouden met de startjaren van de onderneming en gelet op het aantal recensies en de ontvangsten op de Postbankrekening is niet aannemelijk geworden dat de verkoop via internet pas na het ongeval van de zoon een vlucht heeft genomen. Ook de enkele betwisting van de door de inspecteur gehanteerde winstmarges is hiervoor onvoldoende.

4.19.

Gelet op het voorgaande is sprake van redelijke schattingen en zijn de onderhavige aanslagen niet tot te hoge bedragen opgelegd. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

4.20.

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente en de revisierente aangevoerd, zodat ook de beroepen inzake die beschikkingen ongegrond worden verklaard.

Vergrijpboeten Zfw, Zvw en IB/PVV

4.21.

De boeten bij de navorderingsaanslag Zfw 2003, IB/PVV 2006, Zvw 2006, IB/PVV 2008, Zvw 2008 en Zvw 2009 zijn opgelegd wegens opzettelijk doen van onjuiste aangifte (artikel 67d AWR).

4.22.

De rechtbank acht gelet op het in 4.16 overwogene bewezen dat belanghebbende een substantieel deel van zijn inkomsten uit zijn onderneming niet in zijn aangiften heeft verantwoord en dat belanghebbende dit bewust heeft gedaan. Immers belanghebbende heeft de ontvangsten van de verkopen via eBay niet in zijn kasboek vermeld, de Postbankrekening niet op de balans opgenomen en de verkoopfacturen naar eigen zeggen na verzending verscheurd. De rechtbank vindt een boete van 50% dan in beginsel passend. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast aanleiding voor matiging van de opgelegde boeten. Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met de financiële omstandigheden van belanghebbende, nu belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat hij in slechte financiële omstandigheden verkeert en niet in staat zal zijn de aanslagen te betalen. Rekening houdend met al het voorgaande acht de rechtbank een boete van 15% passend en geboden. De boeten moeten gematigd worden tot:

Zaaknr.

Aanslagnr.

Middel

Jaar

Belastingbedrag

Boete

17/6595

S37

Zfw

2003

€ 893

€ 134

17/6596

H67

IB/PVV

2006

€ 16.079

€ 2.412

17/6597

W67

Zvw

2006

€ 409

€ 61

17/6599

H87

IB/PVV

2008

€ 10.509

€ 1.576

17/6600

W87

Zvw

2008

€ 650

€ 98

17/6605

W97

Zvw

2009

€ 1.244

€ 187

4.23.

Ten aanzien van een (verdere) matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank het volgende. De termijn begint te lopen op 27 oktober 2014, het tijdstip waarop de inspecteur voor het eerst zijn voornemen heeft geuit om vergrijpboeten op te leggen. Totdat de rechtbank uitspraak doet zijn vijf jaren en negen maanden verstreken, zodat de redelijke termijn in totaal met drie jaar en negen maanden is overschreden. De vermindering bedraagt in dat geval 20%. Dat betekent dat de boeten verder moet worden gematigd tot de volgende bedragen:

Zaaknr.

Aanslagnr.

Middel

Jaar

Belastingbedrag

Boete

17/6595

S37

Zfw

2003

€ 893

€ 107

17/6596

H67

IB/PVV

2006

€ 16.079

€ 1.929

17/6597

W67

Zvw

2006

€ 409

€ 49

17/6599

H87

IB/PVV

2008

€ 10.509

€ 1.261

17/6600

W87

Zvw

2008

€ 650

€ 78

17/6605

W97

Zvw

2009

€ 1.244

€ 149

Naheffingsaanslagen OB

4.24.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep tegen de naheffingsaanslagen OB ongegrond is omdat de rechtbank, mede gezien de in 4.16 gegeven beslissing, van oordeel is dat de inspecteur geloofwaardig en onweersproken heeft gesteld dat belanghebbende omzet niet heeft aangegeven in zijn aangiftes OB en belanghebbende voor het overige geen gronden heeft aangevoerd tegen de naheffingsaanslagen OB.

Vergrijpboeten OB

4.25.

De boeten bij de naheffingsaanslagen omzetbelasting 2009 tot en met 2012 zijn opgelegd omdat het aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten zou zijn dat te weinig belasting is betaald (artikel 67f AWR). De bewijslast dat belanghebbende een substantieel deel van zijn omzet niet in zijn aangiften heeft verantwoord en aldus willens en wetens het risico heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting zou worden betaald, rust op de inspecteur. De inspecteur heeft de aangiften OB 2009 tot en met 2012 echter niet overgelegd. Dit betekent dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat door belanghebbende te weinig omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan, is betaald. Daarom vernietigt de rechtbank de vergrijpboeten OB 2009 tot en met 2012. In zoverre zijn de beroepen gegrond.

Immateriëleschadevergoeding

4.26.

Niet in geschil is dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhang omdat de zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Dit betekent dat voor de zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. Sinds de ontvangst van het eerste bezwaarschrift op 6 oktober 2012 tot en met de datum van deze uitspraak is een periode van (afgerond) 94 maanden verstreken, waarmee de redelijke termijn van in dit geval 24 maanden is overschreven met 70 maanden. Belanghebbende heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 6.000. Hiervan komt 53/70 voor rekening van de inspecteur, en de rest voor rekening van de rechtbank. De inspecteur wordt dan ook veroordeeld tot betaling van € 4.542,86 en de Minister tot betaling van € 1.457,14. De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.917 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512, een wegingsfactor 1 en een factor 1,5 vanwege het aantal samenhangende zaken).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen met betrekking tot de boetebeschikkingen bij de navorderingsaanslag Zfw 2003, IB/PVV 2006, Zvw 2006, IB/PVV 2008, Zvw 2008 en Zvw 2009 en de naheffingsaanslagen OB 2010 voor de jaren 2009 tot en met 2012 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking deze boetebeschikkingen;

- vermindert de boete bij de navorderingsaanslag Zfw 2003 tot € 107;

- vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 tot € 1.929;

- vermindert de boete bij de navorderingsaanslag Zvw 2006 tot € 49;

- vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 tot € 1.261;

- vermindert de boete bij de navorderingsaanslag Zvw 2008 tot € 78;

- vermindert de boete bij de navorderingsaanslag Zvw 2009 tot € 149,

  • -

    vernietigt de boete bij de naheffingsaanslagen OB voor de jaren 2009 tot en met 2012;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 4.542,86;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 1.457,14;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.917;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 168 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2020 door mr.drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. S.A.J. Bastiaansen, rechters, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Zie proces-verbaal van de zitting blz. 1

2 Zie HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911

3 Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY8824

4 HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:303 en ECLI:NL:HR:2018:359

5 HR van 8 oktober 2010, nr. 09/4322, ECLI:NL:HR:2010:BN9666

6 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II,1989-1990, 21.423, nummer 5, en Nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II, 1990-1991, 21.423, nummer 8

7 HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105