Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3063

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2020
Datum publicatie
28-07-2020
Zaaknummer
AWB 20_213
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/213 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. M.R. Prins,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 april 2019 (primaire besluit) heeft het college het door eiser ingediende verzoek tot handhaving met betrekking tot [locatie] te [plaatsnaam] , afgewezen.

In het besluit van 30 oktober 2019 (bestreden besluit), verzonden op 29 november 2019, heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 12 juni 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en mr. M. Braspenning namens het college.

Overwegingen

1. Op 4 februari 2013 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan bouwbedrijf/projectontwikkelaar [naam bouwbedrijf] voor het realiseren van het plan ‘ [bestemmingsplan] ’, bestaande uit de bouw van woningen, zorgappartementen en winkelruimte op de locatie van een voormalige [locatie] te [plaatsnaam] . Eiser en zijn partner hebben op 8 december 2013 een koop- en aannemingsovereenkomst met [naam bouwbedrijf] gesloten ter verkrijging van een patiowoning binnen dit plan. Ter plaatse van de voordeur van de woning van eiser zou een voortuin met een breedte van 1,10 meter worden aangelegd. In het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] te [plaatsnaam] ’ is dit vastgelegd middels een strook met de bestemming ‘Tuin’ met een breedte van 1,00 meter.

Op 28 mei 2014 is de woning opgeleverd. Per brief van 1 september 2014 heeft eiser aan het college gemeld dat de ruimte tussen de voorgevel van de woning van eiser en de rijbaan slechts 56 tot 69 centimeter bedroeg en dat de luifel aan de voorgevel van de woning boven de rijbaan hing. Vervolgens heeft over en weer correspondentie plaatsgevonden. Het college heeft daarbij aangegeven geen actie te zullen ondernemen.

Eiser heeft op 31 augustus 2018 een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen het oneigenlijk gebruik van de tuinbestemming en de onjuiste positionering van het appartementencomplex aan [locatie] te [plaatsnaam] . Volgens eiser loopt een deel van de weg door de bestemming ‘tuin’, zodat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast is het appartementencomplex buiten de bebouwingsgrens gerealiseerd, waardoor dit complex dichter op de woning van eiser staat dan uit de verbeelding blijkt. Dit heeft tot gevolg dat eiser in zijn privacy wordt aangetast en een vermindering van woongenot ervaart.

Bij brief van 29 januari 2019 heeft het college een ontwerpbesluit kenbaar gemaakt. Volgens dit ontwerpbesluit was het college voornemens het handhavingsverzoek met betrekking tot het oneigenlijke gebruik van de tuin toe te wijzen, omdat er sprake was van een overtreding en er geen concreet zicht op legalisatie was. Ten aanzien van het appartementencomplex was het college voornemens om het verzoek tot handhaving af te wijzen, omdat eiser geen bezwaar tegen de omgevingsvergunning heeft aangetekend en deze inmiddels formele rechtskracht heeft.

Op 7 februari 2019 heeft eiser zijn zienswijze ten aanzien van het ontwerpbesluit naar voren gebracht.

Bij het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek op beide onderdelen afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het strijdige gebruik van de strook grond gelegaliseerd zal worden door het bestemmingsplan te wijzigen. Bovendien is volgens het college geen sprake van reële hinder. Daarnaast was eiser voor de aankoop van zijn woning op de hoogte van de afstand tussen zijn woning en het appartementencomplex en heeft hij de perceelgrenzen geaccepteerd bij de oplevering van zijn woning.

Tegen dit besluit heeft eiser op 23 mei 2019 een bezwaarschrift ingediend.

Eiser is op 11 september 2019 ten overstaan van de Commissie bezwaarschriften gehoord. Op 28 oktober 2019 heeft deze commissie advies uitgebracht.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft het oneigenlijk gebruik van de tuinbestemming aan de [locatie] [huisnummer] te [plaatsnaam] . Dit onderdeel van het besluit is in stand gelaten met een gewijzigde motivering. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Verder heeft het college een proceskostenvergoeding toegekend voor een bedrag van € 1.024,00 en dwangsommen toegekend voor een bedrag van € 1.442,00.

2. In geschil is of het college het handhavingsverzoek van eiser terecht heeft afgewezen.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college het handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Het college heeft immers onderkend dat de maatvoeringen van het bestemmingsplan niet overeenkomen met de werkelijke situatie en dat daarmee wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft volgens eiser nagelaten tijdens de bouw te controleren of overeenkomstig de bouwvergunning werd gebouwd. Het had op de weg van het college gelegen om na te gaan waar de bestemmingsgrenzen liggen, alvorens een definitief standpunt in te nemen. Verder heeft het college geen juiste belangenafweging gemaakt, omdat eiser wel degelijk reële hinder ondervindt van het feit dat verkeer zeer dicht langs de gevel rijdt, door de tuin en onder de luifel door. De huidige situatie levert overlast en onveilige situaties op. Eiser is van mening dat de problematiek opgelost dient te worden door het straatwerk aan het bestemmingsplan aan te passen, in plaats van het bestemmingsplan aan de situatie aan te passen.

Verder blijft eiser erbij dat de positionering van het appartementencomplex ten opzichte van zijn woning niet juist is, omdat de afstand op grond van de verbeelding ter plaatse van de noordwestelijke hoek 7,84 meter en ter plaatse van de verspringing van de westelijke gevel 7,53 meter moet bedragen, terwijl deze afstanden in werkelijkheid respectievelijk 7,35 meter en 7,06 meter bedragen. Het college heeft niet aangetoond dat de vergunning in afwijking van het bestemmingsplan is verleend en dat het bouwwerk conform die vergunning is gebouwd.

4. Het college stelt zich op het standpunt dat, nu eiser niet wenst mee te werken aan inmeting door het Kadaster van de exacte eigendomsgrenzen, dat voor zijn rekening en risico dient te komen. Het college verwacht dat de grens die zichtbaar is in het terrein door de aanwezigheid van de straat gebruikt zal worden voor het aanwijzen van de grens tussen percelen. Na de verificatiemeting zal de eventuele over-/ondermaat niet worden verrekend. Dit maakt dat de grond van eiser niet is ingericht als openbare weg.

Verder stelt het college zich op het standpunt dat er geen sprake is van reële hinder.

Ten aanzien van de situering van het appartementencomplex blijft het college bij het standpunt dat er overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning is gebouwd en dat hij daarom niet bevoegd is handhavend op te treden.

5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

6. De rechtbank dient allereerst vast te stellen of er sprake is van een overtreding. Alleen bij een overtreding is het college bevoegd om tot handhaving over te gaan.

Eiser heeft handhaving verzocht ten aanzien van twee overtredingen. Eiser heeft gesteld dat het appartementencomplex tegenover zijn woning buiten de bebouwingsgrens is gerealiseerd, waardoor dit complex dichter op zijn woning staat dan uit de verbeelding blijkt. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij niet weet of het appartementencomplex in afwijking van de daarvoor verleende omgevingsvergunning is gebouwd. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college dat zou moeten onderzoeken. Het college heeft in bezwaar en ook in beroep gesteld dat het mogelijk is dat er buiten het bebouwingvlak is gebouwd, maar dat er in elk geval is gebouwd in overeenstemming met de daarvoor verleende omgevingsvergunning, dus dat er op dat punt geen sprake is van een overtreding. Voor zover er – conform de omgevingsvergunning – zou zijn gebouwd buiten het bebouwingsvlak is er sprake van een onherroepelijke omgevingsvergunning en kan het college daar, op grond van de rechtszekerheid, niet meer handhavend tegen optreden.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiser lag om aannemelijk te maken dat er gebouwd is in afwijking van de omgevingsvergunning, nu het college zich op het standpunt stelt dat dat niet zo is. Uitgaande van de stelling van het college dat er conform de omgevingsvergunning is gebouwd volgt de rechtbank het standpunt van het college, dat hij niet kan optreden tegen een eventuele strijd met het bestemmingsplan, nu de omgevingsvergunning onherroepelijk is. De rechtbank verwijst naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1875).

Ten aanzien van het door eiser gestelde strijdige gebruik van de grond met bestemming “tuin” is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Waar het college aanvankelijk erkend heeft dat een deel van de bestemming “tuin” ten onrechte in gebruik is als openbare weg stelt het college in het bestreden besluit dat het kadaster bij een aanwijs de zichtbare grens in het terrein zal volgen voor het vaststellen van de eigendomsgrens, en dat de zichtbare grens de openbare weg is. De conclusie is dan volgens het college dat de aan eiser in eigendom toebehorende grond niet is ingericht als openbare weg. Nameting van de planbegrenzingen via ruimtelijke plannen.nl geeft volgens het college geen duidelijkheid over de vraag of de weg gedeeltelijk door de bestemming “tuin” ligt, omdat er maar een beperkte inzoommogelijkheid is. Daarmee miskent het college dat hij op grond van het handhavingsverzoek zelf moet onderzoeken waar de strook “tuin” volgens de plankaart van het bestemmingsplan is gelegen en of de weg daar overheen loopt. Het college kan zich daarbij niet verschuilen achter de beperkte mogelijkheden van een website als www.ruimtelijkeplannen.nl en dient de plankaart zelf te raadplegen. Eén en ander staat uiteraard geheel los van de wijze van inmeten door het kadaster. Als de weg – als gevolg van de inmeting door het kadaster – eigendom van de gemeente zelf zou zijn (hetgeen nog niet vast staat) doet dit er bovendien niet aan af dat er nog altijd sprake zou zijn van strijdig gebruik van de grond, als de weg over de bestemming “tuin” ligt.

Het college heeft verder gesteld dat, zo er sprake zou zijn van een overtreding, deze van geringe aard of ernst is, omdat eiser geen reële hinder ondervindt. Uit het bestreden besluit blijkt niet welke argumenten het college ten grondslag heeft gelegd aan deze conclusie. Eiser heeft aangegeven dat het verkeer zeer dicht langs zijn woning rijdt. Dit blijkt volgens eiser uit de bandensporen in de tuin en de gebroken tegel voor de voordeur. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van reële hinder.

7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand laten of zelf in de zaak voorzien, omdat het college nader onderzoek moet doen. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen, rekening houdend met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten van rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 1.050,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Graumans, griffier, en op 10 juli 2020 openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

In artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is – voor zover van belang – bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (..),

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (..).

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien:

(..)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, (..) tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat in de hiervoor bedoelde gevallen de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c.

Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, bepaalt – voor zover van belang – dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2. (..).

Bestemmingsplan

Het perceel [locatie] [huisnummer] te [plaatsnaam] is gelegen in het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] te [plaatsnaam] ”. Op het perceel rust de bestemming ‘Wonen’.

Ingevolge artikel 5.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Tuin’ aangewezen gronden bestemd voor:

  1. aanleg en instandhouding als tuin, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;

  2. langzaamverkeersroutes ten behoeve van de ontsluiting van aangrenzende gronden.