Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2990

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
C/02/370114 / HA RK 20-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Letselschade. Deskundigenonderzoek. Medisch en juridisch causaal verband. Kosten deelgeschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0606
JA 2020/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Middelburg

zaaknummer / rekestnummer: C/02/370114 / HA RK 20-63

Beschikking van 10 juli 2020

in de zaak van

[benadeelde] ,

wonende te Sint Kruis,

verzoeker,

advocaat mr. H.H.D. van Velde te Zeist,

tegen

de naamloze vennootschap

[verzekeraar].,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerster,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [benadeelde] en [verzekeraar] worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de mondelinge behandeling en de ter gelegenheid daarvan overgelegde brief van 12 februari 2018 van de medisch adviseur van [benadeelde] aan de heer [deskundige], orthopedisch chirurg.

2 Het verzoek

2.1.

[benadeelde] verzoekt de rechtbank, na vermindering van het verzoek ter zitting, te beslissen dat het rapport van 21 december 2017 van de heer [deskundige] uitgangspunt is bij de verdere schaderegeling en dat zowel het letsel en alle klachten en beperkingen aan het rechteronderbeen, de rechterenkel, de rechtervoet, de rechterknie en de rechterheup ongevalsgevolg zijn. Daarnaast verzoekt [benadeelde] [verzekeraar] te veroordelen in de kosten van de deelgeschilprocedure ten bedrage van € 8.311,25, vermeerderd met griffierecht.

2.2.

[verzekeraar] heeft verweer gevoerd en heeft verzocht het verzoek af te wijzen.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

  1. [benadeelde] is op 25 juni 2015 als bestuurder van een motorfiets aangereden door een personenauto die vanuit stilstaande toestand in de berm plotseling de weg op draaide, juist op het moment dat [benadeelde] deze auto passeerde.

  2. Als gevolg van het ongeval heeft [benadeelde] letsel opgelopen.

  3. De aansprakelijkheid waartoe de personenauto in het verkeer aanleiding kan geven was verzekerd bij [verzekeraar]. [verzekeraar] heeft erkend aansprakelijk te zijn voor de gevolgen van het ongeval.

  4. In het kader van de schaderegeling hebben partijen in onderling overleg opdracht gegeven aan de heer [deskundige], orthopedisch chirurg (hierna: de deskundige), om – kort gezegd – te beoordelen wat de gevolgen van het ongeval voor [benadeelde] zijn op het vakgebied van de orthopeed. In het deskundigenrapport van 21 december 2017 van de deskundige is onder meer het volgende vermeld:
    “(…)
    Vervolg samenvatting en beschouwing:
    Deze casus overziend kunnen we dus stellen dat betrokkene als gevolg van het traumamechanisme, zoals beschreven, een direct trauma heeft opgelopen tegen zijn rechter onderbeen, toen zijn motor tegen de auto aan reed. Vervolgens is hij over de motorkap geslagen. Hierbij heeft hij een uitgebreide verwonding opgelopen in zijn rechter onderbeen en voetregio met een pilon tibialefractuur rechts en meerdere avulsies in de rechter voet. Dit traumamechanisme is compatibel met het ontstaan van dit letsel.
    Aansluitend ontwikkelde hij knieklachten zonder dat er afwijkingen werden aangetroffen op de M.R.I. Ook thans vind ik een normaal functie en stabiliteitsonderzoek van de rechter knie met röntgenologisch behouden gewrichtsspleten. Het beschreven traumamechanisme kan een contusie cq. distorsie genereren van de knie, maar heeft thans geen objectieve restafwijkingen.
    Vervolgens ontwikkelde betrokkene ook heupklachten rechts. Gezien het traumamechanisme, waarbij er blijkbaar een direct contact is geweest met de voorzijde van het onderbeen terwijl hij op zijn motor zat, is het niet ondenkbaar dat er een compressietrauma in de rechter heupregio heeft plaatsgevonden.
    Op de 1e röntgenopnames van de heupen van betrokkene, welke ik ter inzage had van 14-12-2015 wordt beiderzijds een beginnend degeneratief aspect aangetroffen. Verder wordt een CAM-deformiteit aangetroffen, rechts meer dan links. Een CAM-deformiteit is een afwijking, passend bij femoro-acetabulaire impingement en is niet een entiteit welke een posttraumatische origine heeft.
    Tijdens de arthroscopie van de heup bevestigt collega Vandekerckhove de CAM-afwijkingen. Ook spreekt hij over een partiële laesie van het labrum zonder dat een hechting noodzakelijk was. Verder treft hij kraakbeendegeneratie aan.
    Hoewel ik, zoals hierboven betoogd, niet kan uitsluiten dat er een compressietrauma heeft plaatsgevonden op het heupgewricht van betrokkene, ben ik van mening dat de CAM-deformiteit geen posttraumatische etiologie heeft.
    De labrumpathologie en de aangetroffen degeneratie zijn mijns inziens te verklaren op grond van een femoral acetabulair impingement. Dit kan leiden tot locale degeneratie van labrum en kraakbeen door chronische inklemming.
    Wellicht heeft het trauma een triggering van de klachten veroorzaakt, maar deze heupdegeneratie was mijns inziens pre-existent aan het ongeval.
    De thans aanwezige klachten in de rechter heup zijn terug te voeren op de beginnende coxarthrose en de uitgevoerde operatieve behandeling ter behandeling van het impingement.
    (…)
    Beantwoording van de vragen:
    (…)
    Diagnose
    Vraag f.
    Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal-diagnostische overwegingen geven?
    Als gevolg van genoemd ongeval liep betrokkene op een niet-verplaatste pilon tibiale fractuur van de rechter enkel met intra-articulaire uitbreiding naast meerdere avulsies in de rechter voet. Voorts een uitgebreid weke delen letsel aan de voorzijde van het rechter onderbeen met daarbij een traumatische ruptuur van de extensor digitorum longus en de extensor hallucis longus rechts. Thans is er ook een dysesthesie van de huid in de rechter enkel en het onderbeen in de verzorgingsgebieden van de nervus superficialis, nervus suralis en nervus suralocutaneus lateralis.
    Mogelijkerwijs heeft een contusie dan wel distorsie plaatsgevonden van de rechter knie en zoals reeds aangegeven in het hoofdstuk “Samenvatting en beschouwing”, kan een compressietrauma in de rechter heupregio niet worden uitgesloten, gezien het traumamechanisme.
    De later operatief behandelde femoroacetabulaire impingement met CAM-deformiteit in de rechter heup, dient mijns inziens beschouwd te worden als pre-existent, waarbij het ongeval blijkbaar als trigger heeft gefunctioneerd voor het ontstaan van klachten.
    Functionele invaliditeit
    Vraag g.
    Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied?
    (…)
    De tweede potentieel aangedane regio was de rechter knie van betrokkene. Gezien mijn huidige bevindingen bij lichamelijk onderzoek en het voorliggend röntgenonderzoek, kom ik daar echter niet tot een percentage blijvende functionele invaliditeit.
    Dan bestaan er nog klachten en beperkingen in de rechter heupregio. Aldaar is een operatief behandelde CAM-deformiteit. Dit heeft geleid tot weliswaar een afname van de klachten in de knieregio, maar tot een toename van de klachten in de heupregio. Thans vind ik nog een redelijk behouden gewrichtsspleet craniaal in de rechter heup, maar zijn er pijnlijke functiebeperkingen.
    (…)
    De meest logische ingang zou mijns inziens zijn via de aanwezige bewegingsbeperkingen in de rechter heup van betrokkene.
    De flexie in de rechter heup tot 90° geeft in tabel 16-24 op blz. 549 van de AMA 5% blijvende functionele invaliditeit voor het been.
    (…)
    De exorotatie van 30° geeft 5% invaliditeit voor het been.
    De endorotatie tot 0° geeft 10% invaliditeit voor het been.
    (…)
    Op grond van de huidige heupfunctie rechts zou ik komen tot 20% blijvende functionele invaliditeit voor het rechter been.
    Echter zoals betoogd kan de huidige status van de rechter heup van betrokkene niet worden gezien als een rechtstreeks en uitsluitend ongevalsgevolg, gezien de pre-existente CAM-deformiteit.
    Beperkingen
    Vraag h.
    Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij cliënt in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval?
    (…)
    Er zijn bewegingsbeperkingen in de rechter enkel en voet met sensibiliteitsstoornissen in de huid in deze regio’s. Verder zijn er ook evidente functiebeperkingen in de rechter heup. Ook is er sprake geweest van een uitgebreid weke delen letsel van het rechter onderbeen.
    Op grond van mijn bevindingen zijn er op orthopaedisch gebied beperkingen aannemelijk voor de belastbaarheid van het rechter been van betrokkene. Het zitten zal naar verwachting hooguit licht beperkt zijn voor de duurbelasting in relatie tot zijn rechter heup. Het staan zal licht beperkt zijn voor de duurbelasting door de combinatie enkel/voet en heup rechts.
    Het looppatroon zal matig beperkt zijn door genoemde combinatie. Het traplopen zal matig tot sterk beperkt zijn.
    Klimmen en klauteren zijn sterk beperkt. Het knielen zal matig beperkt zijn. Gebogen werken zal niet beperkt zijn. Het bukken zal matig beperkt worden door zijn rechter been. (…) Het tillen zal matig beperkt zijn door de combinatie van enkel/voet en heup rechts. Hetzelfde geldt voor het duwen van zware voorwerpen en voor de duurbelasting tijden het dragen van gevulde boodschappentassen.
    (…)
    Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
    Vraag c.
    Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
    Een femoroacetabulair impingement met CAM-deformiteit kan lange tijd asymptomatisch verlopen. Op een gegeven moment ontstaan er als gevolg van de zich ontwikkelende coxarthrose klachten en functiebeperkingen. Deze kunnen zich dus ook zonder trauma manifesteren.
    Vraag d.
    Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
    Het is aannemelijk dat een voortschrijdende coxarthrose, secundair aan een impingement, in de toekomst geleid zou hebben tot klachten. Wanneer en in welke mate is moeilijk te voorspellen. Zoals aangegeven is er links thans ook een CAM-deformiteit bij betrokkene zonder klachten en met een behouden functie van de heup.
    (…)”

deskundigenrapport

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat schade als gevolg van de klachten en beperkingen van de rechtervoet en het rechteronderbeen als gevolg van het ongeval dienen te worden toegerekend, zodat het verzoek in zoverre kan worden toegewezen. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of die toerekening ook geldt ten aanzien van de klachten en beperkingen van de rechterknie en rechterheup. [benadeelde] stelt dat ook die klachten en beperkingen een gevolg zijn van het ongeval, terwijl [verzekeraar] dit betwist.

3.3.

Het geschilpunt betreft niet zo zeer de juridische vraag naar de toerekening van schade, maar de juiste lezing van het rapport van de deskundige. [verzekeraar] stelt zich op het standpunt dat volgens dat rapport weliswaar de oorspronkelijke pijnklachten van de rechterheup zijn geluxeerd (‘getriggerd’) door het ongeval maar dat de thans aanwezige klachten en beperkingen van de rechterheup slechts zijn terug te voeren op pre-existente, niet ongevalsgerelateerde aandoeningen, namelijk de aanwezigheid van arthrose en de operatie van de heup waarbij botaanwas is verwijderd. Zij wijst in dit verband op hetgeen de deskundige in zijn samenvatting en beschouwing heeft vermeld: “De thans aanwezige klachten in de rechter heup zijn terug te voeren op de beginnende coxarthrose en de uitgevoerde operatieve behandeling ter behandeling van het impingement”. Volgens [verzekeraar] veroorzaakt de pre-existente coxarthrose de inklemming met CAM-deformiteit en veroorzaakt dit de huidige klachten van de heup, die op hun beurt kennelijk de klachten van de rechterknie veroorzaken.

3.4.

De rechtbank oordeelt de lezing door [verzekeraar] van het rapport van de deskundige onjuist. Allereerst is, anders dan [verzekeraar] veronderstelt, de CAM-deformiteit geen gevolg van de arthrose, maar is de arthrose een gevolg van de CAM-deformiteit (“coxarthrose, secundair aan een impingement”, antwoord vraag d). Pre-existent was sprake van een bobbel bij de overgang van de heupkop en de heupnek (CAM) die tegen de rand van de heupkom kan stoten/schuren (impingement) en zo schade kan aanrichten aan het labrum (kraakbenige ring aan de rand van de heupkom) en het kraakbeen van de heupkom (arthrose). Volgens het rapport van de deskundige was die schade al voor het ongeval aangericht. Zoals de deskundige evenwel ook in zijn rapport vermeld kan een dergelijke aandoening lange tijd asymptomatisch blijven (antwoord vraag c) en heeft het ongeval blijkbaar als trigger gefunctioneerd voor het ontstaan van de heupklachten (antwoord vraag f). Dat de ten tijde van het onderzoek door de deskundige bestaande heupklachten (de ‘huidige klachten’) onder die door het ongeval getriggerde klachten moeten worden begrepen, volgt uit het antwoord op vraag d waarin de deskundige aangeeft dat moeilijk te voorspellen is wanneer en in welke mate de voortschrijdende arthrose tot klachten zou hebben geleid. Ook in zoverre gaat [verzekeraar] derhalve uit van een verkeerde lezing van het rapport.

3.5.

Anders dan [verzekeraar] aanvoert, oordeelt de rechtbank voornoemde conclusie en meer in het bijzonder de conclusie dat de heupklachten blijkbaar getriggerd zijn door het ongeval voldoende overtuigend gemotiveerd. Het letsel van [benadeelde] betreft zijn rechterbeen en volgens de deskundige is het, gelet op het traumamechanisme, waarbij er blijkbaar een direct contact is geweest met de voorzijde van het onderbeen terwijl [benadeelde] op zijn motor zat, niet ondenkbaar dat er een compressietrauma in de rechter heupregio heeft plaatsgevonden (pagina 14 rapport). De heupklachten zijn kort na het ongeval gebleken. Daarnaast is er bij [benadeelde] in de linker heup ook een CAM-deformiteit zonder klachten en met een behouden functie van de heup (antwoord vraag d) en vindt de conclusie steun in de bevindingen van de behandelend orthopeed Vandekerckhove dat sprake was van een ‘duidelijk traumatische oorzaak’ (pagina 10 rapport). De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige als de hare over.

3.6.

Op grond van de bevindingen en conclusies van de deskundige, zoals deze naar het oordeel van de rechtbank dienen te worden begrepen, zouden de pijnklachten van de rechterheup en de als gevolg daarvan opgetreden beperkingen, zonder ongeval niet zijn ontstaan, ook al zijn de heupklachten ‘terug te voeren’ op pre-existente aandoeningen. Dat geldt ook voor de, ook volgens [verzekeraar], daaraan gerelateerde knieklachten, die volgens het rapport van de deskundige overigens geen beperkingen geven en in zoverre van beperkt belang zijn voor de door [benadeelde] als gevolg van het ongeval geleden schade.

3.7.

Bij letselschade wordt ruim toegerekend. Noch een bijzondere lichamelijke gesteldheid (zoals de heupaandoening), noch een als gevolg van het ongeval verrichte schade toebrengende operatie door Vanderkerckhove (gesteld dat daarvan sprake is) kunnen het causaal verband doorbreken. Zie o.a. T. Hartlief, Letselschade en toerekening naar redelijkheid, VR 1995, nr. 6 en de daar genoemde jurisprudentie. Schade als gevolg van de klachten van de rechterheup en de rechterknie dient daarom als gevolg van het ongeval te worden toegerekend. Of de pre-existente heupaandoening een rol dient te spelen bij de bepaling van de schadeomvang is, zoals met partijen ter zitting is besproken, niet ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd. Op dit punt geeft de rechtbank geen oordeel.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek dat ziet op het rapport van de deskundige, zoals dat verzoek door de rechtbank wordt verstaan, dient te worden toegewezen.

kosten deelgeschil

3.9.

[benadeelde] stelt dat de kosten van het deelgeschil € 8.311,25 bedragen, vermeerderd met griffierecht, gebaseerd op de aan de deelgeschilprocedure door zijn advocaat bestede tijd (24 uur) en een uurtarief van € 270,00, vermeerderd met 6% kantoorkosten en BTW. De gestelde werkzaamheden betreffen onder meer het maken van het verzoekschrift, overleg tussen [benadeelde] en zijn advocaat, het bestuderen van jurisprudentie, het lezen en beoordelen van het verweer en het voorbereiden en bijwonen van de zitting. [benadeelde] stelt dat zijn advocaat lid is van LSA en ASP en gespecialiseerd is in de behandeling van letselschadezaken en dat het uurtarief van zijn advocaat door vrijwel alle verzekeraars buiten rechte als redelijk wordt beoordeeld.

3.10.

[verzekeraar] betwist dat deze kosten redelijk zijn. Volgens haar zijn onredelijk veel uren aan het deelgeschil besteed omdat hetgeen naar voren is gebracht ook reeds in de buitengerechtelijke discussie tussen partijen is geopperd en het verzoekschrift overbodige (standaard)rechtspraak en literatuur bevat. Zij bestrijdt ook dat het uurtarief, vermeerderd met kantoorkosten en btw, redelijk is. Volgens [verzekeraar] is de zaak juridisch niet complex waar deze niet meer dan de interpretatie van een orthopedisch rapport betreft. Bij een normale markt zouden slachtoffers van ongevallen niet bereid zijn om een dergelijk hoog tarief te betalen. De enige reden waarom dit tarief wordt gehanteerd is omdat artikel 6:96 BW het mogelijk maakt om de kosten te verhalen op de aansprakelijke partij, zo stelt [verzekeraar]. Het gehanteerde percentage kantoorkosten van 6% is een verkapt honorarium en vormt geen reële vergoeding voor de werkelijk gemaakte kosten van porti, telefoon, het maken van kopieën en ICT, aldus steeds [verzekeraar].

3.11.

De rechtbank oordeelt het gehanteerde uurtarief in dit geval niet onredelijk en overweegt daartoe het volgende.

Het is redelijk dat een slachtoffer van een ernstig ongeval die, zoals in dit geval, blijvend letsel oploopt dat consequenties heeft voor het werk dat hij verricht en daarmee voor zijn bestaanszekerheid, zich wendt tot een in de letselschade gespecialiseerde advocaat. Daaruit volgt dat het slachtoffer ook het marktconforme uurtarief van dergelijke advocaten zal moeten betalen. Niet weersproken is dat de advocaat van [benadeelde] een in de letselschade gespecialiseerde advocaat is – hetgeen overigens reeds volgt uit de lidmaatschappen van de voornoemde verenigingen – en dat het gehanteerde uurtarief met kantoorkosten en btw voor zo’n advocaat gebruikelijk is. In het midden kan blijven hoe de markt zou zijn geweest indien de advocaatkosten niet zouden kunnen worden verhaald op een voor een ongeval aansprakelijke verzekeraar. De wet biedt deze mogelijkheid van verhaal. Indien die mogelijkheid het in de markt gehanteerde uurtarief bepaalt, zoals [verzekeraar] stelt, is dat voor het slachtoffer van het ongeval een gegeven.

Anders dan [verzekeraar] betoogt, kan de interpretatie van een deskundigenrapport als dat van de deskundige niet los worden gezien van de vereiste specialistische kennis over medisch en juridisch causaal verband. Dat de interpretatie van het rapport en de juridische consequenties daarvan niet complex zijn, zoals [verzekeraar] aanvoert, verdraagt zich reeds niet met de jarenlange discussie die partijen kennelijk naar aanleiding van het rapport hebben gevoerd. Tot slot oordeelt de rechtbank van belang dat, zoals ter zitting is gebleken, [verzekeraar] buiten rechte de kosten van juridische hulp en bijstand die bij haar in rekening zijn gebracht en die gebaseerd zijn op het hier aan de orde zijnde uurtarief, ook feitelijk heeft vergoed.

3.12.

De rechtbank oordeelt ook de tijd die de advocaat van [benadeelde] aan de deelgeschilprocedure heeft besteed, voor zover daarvan vergoeding is gevorderd, niet onredelijk. De rechtbank neemt daarbij in beschouwing dat het verzoekschrift een overzicht bevat van de discussie die tussen partijen reeds buiten rechte is gevoerd, welk overzicht op grond van artikel 1019x lid 3 sub c Rv in het verzoekschrift dient te worden opgenomen. Dat een advocaat zich verdiept in zijns inziens toepasselijke jurisprudentie en literatuur en deze opneemt in het verzoekschrift oordeelt de rechtbank niet onredelijk maar wenselijk, ook wanneer dat standaardjurisprudentie betreft. Overbodige jurisprudentie en literatuur is in het verzoekschrift niet genoemd.

3.13.

De conclusie luidt dat de redelijke kosten bij de behandeling van het verzoek als bedoeld in artikel 1019aa Rv zullen worden begroot op € 8.311,25, te vermeerderen met het griffierecht van € 304,00, derhalve op € 8.615,25. [verzekeraar] zal worden veroordeeld om dit bedrag aan [benadeelde] te betalen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

bepaalt dat het rapport van 21 december 2017 van de heer [deskundige] uitgangspunt is bij de verdere schaderegeling en dat de schade als gevolg van de in dat rapport genoemde klachten en beperkingen van het rechteronderbeen, de rechterenkel, de rechtervoet, de rechterknie en de rechterheup als gevolg van het ongeval dient te worden toegerekend;

4.2.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 8.615,25;

4.3.

veroordeelt [verzekeraar] om het onder 4.2. genoemde bedrag aan [benadeelde] te betalen;

4.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.W. Louwerse en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2020.