Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2966

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
20/6564
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet rijgeschikt verklaren voor het besturen van voertuigen van de categorie B en T

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6564 WVW VV

uitspraak van 11 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Broere,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 21 mei 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 mei 2020 (bestreden besluit) van het CBR waarin het CBR verzoeker niet rijgeschikt heeft verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie B en T.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 juni 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het CBR is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten.

Bij verzoeker is in het verleden (2011) de diagnose gesteld van misbruik van alcohol. Zijn rijbewijs is destijds ongeldig verklaard voor de periode van één jaar. Verzoeker is in 2015 en 2016 gekeurd na het indienen van een eigen verklaring. Hij is toen voor één respectievelijk drie jaar rijgeschikt geacht. Op 31 januari 2020 is verzoekers rijbewijs verlopen.

Verzoeker heeft in verband met het vernieuwen van zijn rijbewijs categorie B een eigen verklaring ingediend bij het CBR op 11 september 2019. Het CBR heeft eiser laten weten dat een nader onderzoek door een door het CBR aangewezen alcohol keurende psychiater noodzakelijk was.

Op 27 december 2019 heeft verzoeker bloed laten afnemen. Op 15 januari 2020 heeft een gesprek met de keuringsarts, [naam arts 1], plaatsgevonden. Op 17 januari 2020 heeft de keuringsarts gerapporteerd dat verzoeker ongeschikt is een auto te besturen op grond van een verhoogde CDT-waarde waardoor aannemelijk wordt geacht dat er recent sprake is geweest van alcoholmisbruik in ruime zin. Er moet voorts rekening mee worden gehouden dat er sprake kan zijn van onderrapportage met betrekking tot de alcoholanamnese.

Bij besluit van 24 januari 2020 heeft het CBR verzoeker ongeschikt verklaard een auto te besturen op grond van alcoholmisbruik. Tegen dat besluit heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt.

Wel heeft verzoeker verzocht om een herkeuring omdat hij zich niet kon vinden in het besluit van 24 januari 2020.

Bij besluit van 10 februari 2020 heeft het CBR het besluit van 24 januari 2020 ingetrokken.

Op 26 maart 2020 heeft een herkeuring plaatsgevonden door [naam arts 2]. Deze heeft geconcludeerd dat verzoeker rijgeschikt is en hij heeft het CBR geadviseerd een termijnbeperking van 3 jaar te hanteren, omdat er door de bevindingen tijdens het onderzoek van januari 2020 niet met definitieve zekerheid gesteld kan worden dat er sprake is van een recidiefvrije periode van meer dan een jaar met betrekking tot het alcoholmisbruik.

Vervolgens heeft het CBR het bestreden besluit genomen.

2. Gronden.

Verzoeker meent dat het CBR rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat hij kostwinner is en als uitbater van een strandpaviljoen in [plaats strandpaviljoen] over een rijbewijs moet beschikken. Het openbaar vervoer in Zeeland is ontoereikend en de afstanden zijn te groot om per fiets af te leggen. Daarnaast is het financieel niet haalbaar een chauffeur in te schakelen of zich per taxi te laten vervoeren. Verzoeker wijst erop dat hij sinds de beëindiging van de rijontzegging tot heden over zijn rijbewijs heeft kunnen beschikken zonder problemen, ongelukken of overtredingen. Verzoeker stelt dat hij grote financiële schade zal leiden indien hij niet over een auto kan beschikken om zijn bedrijf te exploiteren. Verzoeker wordt ook hard getroffen door de coronacrisis.

Verzoeker voert aan dat het CBR ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van alcoholmisbruik (in ruime zin) en dat hij de uitslag van de bloedwaarden onderbouwd heeft betwist. Op 7 februari 2020 heeft verzoeker een bloedonderzoek laten doen bij zijn huisarts waaruit een CDT-waarde van 1,6% kwam. Verzoeker wijst er verder op dat de overige bloedwaarden altijd binnen de normaalwaarden zijn vastgesteld. Verzoeker stelt dat in de rechtspraak (o.a. ECLI:NL:RVS:2019:4155) wordt uitgegaan van een referentiewaarde van 2,2% en een afkapwaarde van 2,6%. Verzoeker is hier onder gebleven. Verzoeker stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de alcoholconsumptie tijdens de feestdagen de resultaten van de bloedtest op 27 december 2019 heeft beïnvloed. Verzoeker stelt dat er dus wel een recidiefvrije periode van minstens een jaar is geweest. Tenslotte wijst verzoeker op zijn persoonlijke omstandigheden.

Op de zitting heeft verzoeker er nog op gewezen dat boven het afkappunt met 95% zekerheid gesteld kan worden dat de uitslag niet meer kan horen bij de resultaten van een groep normale mensen. Er is dus volgens verzoeker een afwijking van 5% en het zou goed kunnen dat verzoeker tot die 5% behoort.

Verzoeker stelt dat onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit voor hem een onevenredig nadeel met zich meebrengt in verhouding tot het met deze uitvoering te dienen belang. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Wettelijk kader.

3.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

3.2.

Op grond van artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (Reglement) worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag […] door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

Op grond van artikel 103, eerste lid, van het Reglement registreert het CBR in het rijbewijzenregister […] een verklaring van geschiktheid, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft.

3.3.

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen zijn neergelegd in de bijlage die behoort bij (artikel 2 van) de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Regeling). Hoofdstuk 8 van die bijlage handelt over psychiatrische stoornissen en paragraaf 8.8 over "misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)".

Volgens laatstbedoelde paragraaf zijn personen die misbruik maken van dergelijke middelen zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring, op basis van een specialistisch rapport, geschikt kunnen worden geacht tot het besturen van motorrijtuigen. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

4. Beoordeling door de voorzieningenrechter.

4.1.

Spoedeisend belang.

Met betrekking tot het spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verzoeker stelt dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als zelfstandig ondernemer. In dat verband heeft verzoeker op de zitting toegelicht dat hij samen met zijn echtgenote eigenaar is van een strandpaviljoen in [plaats strandpaviljoen]. Zijn echtgenote verzorgt de administratie voor hun bedrijf; dat moet zij vanuit huis doen omdat in het strandpaviljoen geen kantoor is. Verzoeker verzorgt de operationele kant, wat betekent dat hij op het bedrijf aanwezig moet zijn. Verzoeker stelt dan ook dat hij zijn rijbewijs nodig heeft om het bedrijf te kunnen bereiken en om zijn werkzaamheden ter plekke goed te kunnen verrichten. Zijn echtgenote brengt hem nu naar zijn bedrijf en haalt hem weer op. Hoewel verzoeker en zijn echtgenote de te verrichten werkzaamheden anders zouden kunnen verdelen, de meeste goederen op het bedrijf worden geleverd en verzoeker ook personeel heeft dat hij zou kunnen inzetten, geeft de voorzieningenrechter verzoeker hierin toch het voordeel van de twijfel. Spoedeisend belang wordt dan ook aangenomen.

4.2.

Procesbelang.

Het CBR heeft gesteld dat verzoeker geen belang heeft bij schorsing van het bestreden besluit omdat hij daarmee zijn rijbewijs niet terugkrijgt. Het CBR vindt een oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker een dergelijke verklaring krijgt te verstrekkend. De voorzieningenrechter volgt het CBR niet in dit standpunt omdat de voorzieningenrechter het CBR bij voorlopige voorziening kan opdragen aan verzoeker tijdelijk een verklaring van geschiktheid af te geven, indien de deskundigenrapportages daarvoor grondslag bieden.

4.3.

Beoordeling van het verzoek.

In dit geval moet beoordeeld te worden of het CBR in navolging van de psychiatrische rapportage van [naam arts 1] en in afwijking van de psychiatrische rapportage van [naam arts 2], heeft kunnen komen tot de vaststelling dat er sprake is van alcoholmisbruik minder dan een jaar recidiefvrij en op grond daarvan verzoeker niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van een personenauto.

Het CBR stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde dat sprake is geweest van een recidiefvrije periode van een jaar. Dit is blijkens het verweerschrift gebaseerd op de rapportage van [naam arts 1], die bij de keuring in januari 2020 een verhoogde CDT-IFCC waarde heeft vastgesteld van 2,2%, in combinatie met een mogelijke onderrapportage door verzoeker tijdens het onderzoek en alcoholmisbruik in de voorgeschiedenis.

De voorzieningenrechter stelt vast dat sinds 1 januari 2019 de CDT bepaling is gestandaardiseerd onafhankelijk van de meetmethode of het laboratorium. Daarbij is het volgende vastgesteld: Naam bepaling: CDT, Eenheid: % CDT-IFCC, Referentiegebied:

< 1,7, Afkapwaarde: 2,0 en CDT resultaat > 2.0% CDT-IFCC valt met

95% zekerheid buiten het referentie gebied en kan wijzen op overmatig en riskant

alcoholgebruik. Voor mannen geldt dat bij een waarde boven de afkapgrens het aannemelijk is dat er in de afgelopen periode meer dan 60 gram alcohol (6AE) per dag gedurende minimaal een week is gebruikt.

De Nederlandse vereniging van Klinisch Chemici (NVKC) heeft aan de laboratoria gevraagd om per 1 januari 2019 met deze standaardisering te gaan werken en dus het resultaat van de CDT bepaling weer te geven als %CDT-IFCC.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam arts 1] zijn diagnose en advies heeft gebaseerd op de voorgeschiedenis van verzoeker en de uitslag van een bloedonderzoek, waarbij een verhoogde CDT-waarde van 2,2% bij normaalwaarden tot 1,7% is geconstateerd.

Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RVS), zie onder meer de uitspraak van 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4155, is dat bij een verhoogde CDT-waarde in combinatie met een voorgeschiedenis van alcoholmisbruik ervan uit moet worden gegaan dat dit een gevolg is van alcoholmisbruik, tenzij betrokkene aannemelijk maakt dat de in het psychiatrisch rapport vermelde verhoogde CDT-waarde is veroorzaakt door een andere oorzaak dan misbruik van alcohol.

Verzoeker is daar niet in geslaagd. Verzoeker noemt geen andere oorzaak voor de verhoogde CDT-waarde en heeft bovendien toegegeven dat hij tijdens de kerstdagen alcohol heeft gedronken, zij het dat volgens hem de alcoholinname beduidend minder is geweest dan de CDT-waarde aangeeft.

Het standpunt van verzoeker dat in genoemde uitspraak van de RVS sprake was van andere, lagere (afkap)waarden kan, gelet op de sinds 1 januari 2019 geldende standaardisering, niet worden gevolgd.

Het afkappunt is de uitslag waarboven met 95% zekerheid gesteld mag worden dat de CDT-uitslag buiten het referentiegebied valt. Voor verzoekers stelling dat hij wellicht valt onder de 5% categorie, ziet de voorzieningenrechter met het CBR - ook gezien de metingen in de latere en (kennelijk ook) eerdere rapportages - geen aanknopingspunten.

Volgens vaste rechtspraak kan de bestuursrechter zich niet inhoudelijk over de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin uitlaten. Het is niet aan de bestuursrechter, evenmin als aan het CBR, om voor het psychiatrisch oordeel een eigen oordeel in de plaats te stellen (zie de uitspraak van de RVS van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:213). Wel moet het CBR zich ervan vergewissen dat de aan hem uitgebrachte rapportage zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk niet tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. (zie de uitspraak van de RVS van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3050).

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de psychiatrische rapportage van [naam arts 1] deze toets kan doorstaan en het CBR het psychiatrisch rapport van [naam arts 1] aan de weigering om verzoeker geschikt te verklaren, ten grondslag heeft mogen leggen. [naam arts 1] heeft zijn conclusie gebaseerd op een combinatie van een verhoogde CDT-waarde en een relevante voorgeschiedenis van alcoholmisbruik. De bij verzoeker gemeten CDT-waarde van 2,2% ligt boven de referentiewaarde van 1,7% en ook boven het afkappunt van 2,0%. Dat andere gecontroleerde bloedwaarden niet zijn verhoogd, maakt dit niet anders.

De voorzieningenrechter is wel van oordeel dat het CBR het besluit om het advies van [naam arts 2] in diens herkeuring niet te volgen, in de heroverweging in bezwaar beter moet motiveren. [naam arts 2] heeft meegewogen dat in januari 2020 een verhoogde CDT-waarde is gemeten maar adviseert, gelet op de door hem gemeten waarde en de overige omstandigheden (volgens hem is de alcoholproblematiek reeds langdurig en stabiel in remissie), tot een rijgeschikt verklaring voor een periode van 3 jaar. Hij geeft daarbij aan dat zonder de bevindingen in januari 2020 zijn advies zou zijn geweest rijgeschikt zonder termijnbeperkingen. Op grond van de in januari 2020 gevonden waarde stelt hij echter ook dat niet met definitieve zekerheid te stellen is dat sprake is van een recidiefvrije periode van meer dan een jaar.

De manco’s in de motivering van het thans bestreden besluit zijn voor de voorzieningenrechter geen reden een voorlopige voorziening te treffen omdat het CBR de motivering in de bezwaarprocedure nog kan verbeteren. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het CBR in zijn verweerschrift gemotiveerd heeft aangegeven dat het advies van [naam arts 2] niet in overeenstemming is met de strenge beoordelingsmaatstaf en het dwingendrechtelijke karakter van de bepalingen in de Regeling. Paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling bepaalt immers dwingendrechtelijk dat er sprake moet zijn van een recidiefvrije periode van een jaar.

Vooralsnog kan het CBR worden gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is geweest van de verplichte recidiefvrije periode van een jaar als bedoeld in de Regeling.

Voor een belangenafweging als bepleit door de raadsman, bestaat geen ruimte. De wetgever heeft dwingendrechtelijk bepaald dat personen die nog geen jaar recidiefvrij zijn van alcoholmisbruik (in ruime zin), niet rijgeschikt zijn. Hier prevaleert het belang van de verkeersveiligheid boven het belang van de aanvrager van een verklaring van geschiktheid.

In het kader van de onderhavige beoordeling kan dan ook geen rekening gehouden worden met het feit dat verzoeker stelt zijn rijbewijs nodig te hebben om zijn werk te kunnen bereiken en zijn bedrijf te kunnen uitoefenen.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 11 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.