Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2965

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
20/6179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6179 PW VV

uitspraak van 11 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. M.M. van Woensel,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 april 2020 van het college waarbij haar aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet is afgewezen. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is besproken op de zitting in Breda op 10 juni 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. K. van Chastelet en door klantmanager K. van Weerelt.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en van wat op zitting is besproken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft op 25 februari 2020 een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet ingediend. Zij heeft verklaard dat zij inwonend is in de woning van [naam huisgenoot] te [woonplaats huisgenoot] en dat zij kostgeld betaalt. Uit door verzoekster overgelegde bankafschriften blijkt dat bedragen op haar rekening worden bijgeschreven door [naam huisgenoot]. Zij heeft verklaard dat zij die bedragen heeft geleend en gekregen en dat zij er boodschappen van doet.

Van huurbetaling ten laste van de bankrekeningen is niet gebleken, evenmin blijkt van geldopnames waaruit de huur contant wordt betaald.

Op 21 april 2020 heeft klantmanager Van Weerelt telefonisch gesproken met verzoekster. Over dat gesprek rapporteerde de klantmanager onder meer:

“Gevraagd aan mevrouw waarom er betalingen van benzinestations op staan. Mevrouw verklaarde dat zij de benzine betaalt. [naam huisgenoot] heeft een auto. Mevrouw heeft geen rijbewijs. Hij brengt haar overal naar toe als zij dat vraagt.

Gevraagd aan mevrouw wie maakt er schoon, doet de was en kookt? Mevrouw vertelde dat zij samen met hem het huis schoonmaakt, dat zij ook voor hem kookt (Antilliaans) en dat als zij gaat wassen zij vraagt of er ook was van hem erbij moet.

Gevraagd aan mevrouw waarom zij geld leent van [naam huisgenoot]. Mevrouw zegt dat zij dit geld aan boodschappen besteed.”

Bij het bestreden besluit heeft het college de aanvraag afgewezen omdat is gebleken dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met [naam huisgenoot].

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij geen middelen van bestaan heeft. Er is geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Verzoekster doet in beginsel haar eigen boodschappen, maar omdat zij geen inkomen heeft moet zij geld lenen van [naam huisgenoot] om boodschappen te kunnen doen. Zij wast geen kleren van [naam huisgenoot]. [naam huisgenoot] brengt haar soms met de auto naar een medische behandeling. Er is geen sprake van een relatie of van wederzijdse zorg.

Verzoekster heeft in een aanvullend bezwaarschrift toegelicht dat zij geld leent van [naam huisgenoot] omdat zij sinds het einde van de uitkering van het UWV geen inkomen meer heeft. De lening is niet schriftelijk vastgelegd. Sinds december 2019 kan zij haar deel van € 200,- van de huur van € 300,- niet meer betalen. Wat zij in het telefoongesprek op 21 april 2020 heeft verklaard is niet correct weergegeven. Zij en [naam huisgenoot] helpen elkaar niet bij het huishouden. Zij maakt alleen haar eigen kamer schoon. Zij wast geen kleren voor [naam huisgenoot] en hij niet voor haar. Zij leent geld van [naam huisgenoot] maar er is op geen andere wijze sprake van financiële verstrengeling.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen waardoor haar bijstand wordt verleend.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Over de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening overweegt de voorzieningenrechter dat aannemelijk is dat zij niet over enig inkomen beschikt. Ter zitting is gebleken dat verzoekster in de week voor de zitting een erfenis van, omgerekend, ongeveer € 2.500 heeft ontvangen. Zij heeft daar, naar haar zeggen, de achterstallige huur aan [naam huisgenoot] van betaald en enkele noodzakelijke uitgaven van gedaan, en er staat nu nog € 70,- op haar rekening.

Dat verzoekster de erfenis aan die uitgaven heeft besteed acht de voorzieningenrechter aannemelijk en begrijpelijk omdat daardoor nieuwe ernstige problemen, zoals uitzetting uit de gehuurde kamer, konden worden voorkomen. Dan beschikt verzoekster (opnieuw) niet over middelen en heeft zij een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

5. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet is, voor zover in deze procedure van betekenis, bepaald dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

Volgens het derde lid is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

6. Nu de aanvraag is ingediend op 25 februari 2020 en afgewezen op 23 april 2020 staat ter beoordeling het recht op bijstand in de tussen die twee data gelegen periode.

7. Vaststaat dat verzoekster en [naam huisgenoot] in die periode hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Partijen verschillen daarover niet van mening.

8. Het college heeft aangenomen dat ook sprake is van wederzijdse zorg, en die aanname is in belangrijke mate gebaseerd op de rapportage die klantmanager Van Weerelt heeft opgemaakt van het telefoongesprek dat zij op 21 april 2020 voerde met verzoekster. Nu verzoekster betwist dat het telefoongesprek in die rapportage correct is weergegeven dient de voorzieningenrechter eerst vast te stellen of dat onderdeel van de rapportage een betrouwbare grondslag vormt voor het bestreden besluit.

9. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het coronavirus heerste ten tijde van de aanvraag, en dat dat gevolgen heeft gehad voor de onderzoeksmogelijkheden naar het recht op bijstand. Er heeft geen spreekkamergesprek plaatsgevonden en verzoekster heeft geen verslag van een door haar afgelegde verklaring ondertekend. Nu het op 21 april 2020 gevoerde telefoongesprek zo’n belangrijke rol speelde bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft de voorzieningenrechter verzoekster en de klantmanager op de zitting indringend bevraagd over dat telefoongesprek.

De klantmanager heeft verklaard dat zij precies gerapporteerd heeft wat in het telefoongesprek is besproken. Naar haar zeggen heeft zij bij de afsluiting van dat gesprek aan verzoekster verteld welke verstrekte inlichtingen in het rapport zouden worden opgenomen, en welke conclusie daar voor het recht op uitkering aan verbonden zou worden. Zij heeft verzoekster geadviseerd bij het UWV na te gaan of zij en [naam huisgenoot] voor een toeslag in aanmerking komen.

Verzoekster heeft op de zitting, op de vraag naar haar weergave van dat telefoongesprek, verklaard dat zij de klantmanager belde om te vragen om een voorschot, en dat de klantmanager haar toen vertelde dat zij samenwoonde en daarom geen uitkering kreeg.

De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat in dat telefoongesprek niets is voorafgegaan aan die mededeling van de klantmanager over samenwoning. Zij, de klantmanager, beschikte toen immers over niet meer dan administratieve gegevens die betrekking hadden op eerdere aanvragen, en administratieve gegevens die verzoekster verstrekte met betrekking tot de in geding zijnde aanvraag. Die gegevens boden geen inzicht in de gang van zaken rond boodschappen, schoonmaken, kleding wassen en koken in de periode waar het bij de beoordeling van de aanvraag om ging.

Aan de stelling van verzoekster dat zij op 21 april 2020 niet heeft verklaard wat zij volgens de klantmanager heeft verklaard kent de voorzieningenrechter dan ook geen doorslaggevende betekenis toe.

Daarom zal de voorzieningenrechter bij de boordeling van de vraag of sprake is van wederzijdse zorg uitgaan van de juistheid van de rapportage van dat gesprek.

10. Over de vraag of de onderzoeksgegevens duiden op het bestaan van wederzijdse zorg overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster haar stelling dat zij geld van [naam huisgenoot] krijgt in het kader van een lening, aanvankelijk niet heeft onderbouwd door middel van een leenovereenkomst. Pas op 26 mei 2020 heeft verzoekster een door haar en door [naam huisgenoot] ondertekende verklaring aan het college gezonden, waaruit moet blijken van geleende bedragen. De voorzieningenrechter is niet overtuigd van de deugdelijkheid van die achteraf opgemaakte verklaring.

Daarom staat vast dat sprake is van financiële inbreng van de kant van [naam huisgenoot], terwijl zijn chauffeursactiviteiten zijn aan te merken als zorg voor verzoekster.

De verklaringen van verzoekster over schoonmaken, de was doen en koken bieden voldoende steun voor de opvatting van het college dat van de kant van verzoekster sprake is van zorg voor [naam huisgenoot]. Verzoekster heeft niet betwist dat die verklaringen, als daarvan wordt uitgegaan, aannemelijk maken dat sprake is van wederzijdse zorg.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook voldoende aannemelijk dat ook aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan. In samenhang met de vaststelling in overweging 7 is sprake van een gezamenlijke huishouding.

11. Verzoekster stelt dat zij op basis van een huurovereenkomst in de woning van [naam huisgenoot] woont en dat er daarom geen gezamenlijke huishouding kan worden aangenomen. In de op 26 mei 2020 overgelegde verklaring is sprake van ‘kostgangen’.

Volgens vaste rechtspraak dient bij de beoordeling of sprake is van een commerciële relatie, zoals een huur- of kostgangersovereenkomst, te worden onderzocht of de belanghebbende kan aantonen dat er sprake is van een zakelijke overeenkomst waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn. Verder dient de belanghebbende op een voor het college eenvoudig te controleren wijze aan te tonen dat hij regelmatig aan de betreffende derde op zakelijke basis een vergoeding betaalt voor de inwoning dan wel een vergoeding ontvangt voor de door of namens hem ten behoeve van de huishouding verrichte verzorgende taken.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster geen huur- of kostgangersovereenkomst heeft overgelegd. Alleen al daarom is niet aannemelijk dat sprake is van een commerciële relatie.

12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal de afwijzing van de aanvraag in rechte stand houden. Er is daarom geen reden een voorlopige voorziening te treffen.

13.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.

14. Er is geen reden een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 11 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.