Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2841

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
372368 KG ZA 20-257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming van woonruimte in kort geding wegens overlast.

De overlast is ernstig van aard en frequent. Verder is er sprake van een gespannen situatie tussen huurder en omwonenden. De stelling van de bewindvoerder van huurder dat het gedrag van huurder binnen afzienbare tijd zal verbeteren, overtuigt niet. Er is al eerder beterschap beloofd. De hulpverleenster met wie huurder een goede klik heeft – wat ertoe zou leiden dat huurder snel vooruitgang zou laten zien – is al maandenlang betrokken bij huurder. Desondanks zijn nog geen tekenen van vermindering van de overlast waarneembaar. De belangenafweging – tussen het belang van verhuurder bij het waarborgen van leefbaarheid en veiligheid in de buurt enerzijds en het woonbelang van huurder anderzijds – valt uit in het nadeel van huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Civiele zaken

Locatie Breda

zaak/rolnr.: 372368 / KG ZA 20-257

vonnis in kort geding d.d. 29 juni 2020

inzake

Stichting WonenBreburg,

gevestigd te Breda,

eiseres,

advocaat: mr. C.P. van den Berg,

tegen

Dichtbij B.V., t.h.o.d.n. Dichtbij Bewindvoering, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de onder bewind gestelde [naam 1] ,

kantoorhoudende te Breda,

gedaagde,

bijgestaan door: [naam 7] .

1 Het verloop van het geding

1.1

De procedure is ingeleid met de dagvaarding van 29 mei 2020, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020.

Ter zitting waren namens eiseres aanwezig:

- [naam 2] , woonconsulent bij eiseres;

- mr. Van den Berg voornoemd.

Namens gedaagde waren aanwezig:

- de heer [naam 3] , bewindvoerder van de heer [naam 1] ;

- [naam 7] voornoemd.

Beide partijen hebben ter gelegenheid van de zitting pleitaantekeningen overgelegd.

Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt.

2 Het geschil

2.1

Eiseres (verder te noemen: WonenBreburg) vordert, na vermindering van eis ter zitting, bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde (verder te noemen: Dichtbij) te veroordelen tot:

Primair:
a) ontruiming van het gehuurde binnen acht dagen na betekening van dit vonnis;
Subsidiair:

b) een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie verneemt te behoren;

Primair en subsidiair:

c) betaling van de huur van € 459,15 per maand, te vermeerderen met eventuele wettelijke verhoging van de huurprijs, vanaf de dag van de ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente;

d) betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

e) betaling van € 131,00, dan wel € 199,00 bij betekening, wegens nakosten.

2.2

Dichtbij voert verweer.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast:

De heer [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ) is op 3 december 2015 onder bewind gesteld. Bij latere beschikking is Dichtbij met ingang van 1 augustus 2018 benoemd als bewindvoerder. [naam 1] huurt van WonenBreburg de woning staande en gelegen aan de Kleine Doornbos 8 te Breda. [naam 1] heeft deze woning vanaf 1 september 2017 tot 1 september 2019 gehuurd op basis van een tijdelijke huurovereenkomst, die gekoppeld was aan een tijdelijke begeleidingsovereenkomst tussen SMO Breda als begeleider en [naam 1] als cliënt. De tijdelijke huurovereenkomst is per 1 september 2019 stilzwijgend verlengd en omgezet in een reguliere huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De ambulante hulpverlening aan [naam 1] vanuit SMO is doorgelopen na 1 september 2019, maar per 19 april 2020 beëindigd. Vanaf deze datum zijn Bemoeizorg en Amarant als hulpverleningsinstanties betrokken bij [naam 1] . Op de reguliere overeenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden woonruimte van 1 februari 2015 van toepassing verklaard.

Omwonenden van [naam 1] klagen sinds oktober 2019 over ernstige overlast.

3.2

WonenBreburg heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd.

Sinds oktober 2019 is sprake van overlast voor direct omwonenden. [naam 1] en zijn bezoekers veroorzaken sindsdien ernstige en herhaaldelijke overlast en hinder. Het gaat onder andere om geluidsoverlast, vervuiling, stankoverlast, het onder invloed zijn in en om het gehuurde en de gemeenschappelijke ruimte, vernielingen in de gemeenschappelijke ruimte en het creëren van een onveilige situatie.

Er zijn vele waarschuwingsgesprekken gevoerd door WonenBreburg. De buurtbeheerder heeft [naam 1] diverse keren aangesproken.

Op 13 februari 2020 heeft in het gehuurde een overleg plaatsgevonden tussen medewerkers van WonenBreburg, [naam 1] en een aantal familieleden van hem. De bewindvoerder van [naam 1] is ondanks uitnodiging niet verschenen. Tijdens dat gesprek heeft [naam 1] erkend dat hij tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder. Het gesprek heeft geresulteerd in het ondertekenen door partijen van een zogenaamde gedragsaanwijzing, waarin [naam 1] zich heeft verbonden de voorwaarden uit de gedragsaanwijzing, waaronder het niet toelaten in het gehuurde van de vriendin van [naam 1] en haar vrienden, stipt na te komen.

Er hebben drie overleggen plaatsgevonden met hulpverlening om te trachten [naam 1] te bewegen zich als goed huurder te gedragen, te weten op 20 januari 2020, 11 februari 2020 en 20 mei 2020.

Een aantal dagen na het ondertekenen van de gedragsaanwijzing ontving WonenBreburg echter weer meldingen van direct omwonenden van overlast en/of hinder. Sindsdien ontvangt WonenBreburg bijna dagelijks overlastmeldingen. De buurtbeheerder, de politie en begeleiding weten niet langer tot [naam 1] door te dringen. [naam 1] verleent geen medewerking meer aan begeleiding.

Bij brief van 20 maart 2020 heeft WonenBreburg [naam 1] laten weten dat zij juridische stappen zal ondernemen om te komen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

Gezien de aard, de ernst en de omvang van de klachten ziet WonenBreburg zich genoodzaakt om ontruiming van het gehuurde te vorderen.

3.3

Dichtbij heeft als verweer het volgende aangevoerd.

Dichtbij was niet bij het gesprek van 13 februari 2020, omdat zij niet – volgens afspraak – gebeld is om haar erop te attenderen dat [naam 1] bij dit gesprek – anders dan de vorige keren – wel verschenen was. Zij heeft als bewindvoerder van [naam 1] geen toestemming gegeven voor het ondertekenen van de gedragsaanwijzing. Deze is dan ook niet rechtsgeldig op grond van artikel 1:438 van het Burgerlijk Wetboek.

[naam 1] is bekend met een aantal verschillende psychische stoornissen, zoals een angststoornis, en heeft een licht verstandelijke beperking. [naam 1] heeft de afgelopen periode voor overlast gezorgd, omdat hij de regie kwijt was over zijn eigen leven en het op verschillende gebieden niet goed verliep/verloopt. Dit is onder andere het gevolg van het beëindigen van de voormalige hulpverlening door SMO, waarbij [naam 1] geen aansluiting meer vond. Vanaf 19 april 2020 is de hulpverlening opgeschaald en is men druk doende de juiste vorm van hulpverlening voor [naam 1] te vinden. De begeleidster vanuit Bemoeizorg, mevrouw [naam 4] , heeft aangegeven dat [naam 1] een specifieke benadering nodig heeft vanwege zijn LVB problematiek. Mevrouw [naam 4] heeft aansluiting kunnen vinden bij [naam 1] , waardoor zij hem goed kan benaderen en [naam 1] naar haar luistert. Er is al een goed begin gemaakt om [naam 1] weer terug op het goede pad te krijgen.

[naam 1] gebruikt geen drugs meer. Een test die onlangs is uitgevoerd, bevestigt dit. Desondanks was tot 13 juni 2020 de insteek van de hulpverlening om [naam 1] op korte termijn te laten opnemen in een kliniek om van zijn drugsverslaving af te komen, waarna hij er groot belang bij heeft om daarna in zijn vertrouwde leefomgeving te kunnen terugkeren. Indien [naam 1] uit zijn woning wordt gezet, zouden de problemen zich opstapelen. [naam 1] zou dan zijn moeder of zijn partner, [naam 5] , gaan lastig vallen om bij hen te slapen. Als hij geen woonadres heeft, wordt de hulpverlening bemoeilijkt of in het ergste geval teniet gedaan.

3.4

In deze procedure dient te worden beoordeeld of WonenBreburg een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening en of aannemelijk is dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst van WonenBreburg in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het - mede gelet op de belangen van partijen over en weer - gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

3.5

De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang aanwezig bij de vordering tot ontruiming. De door [naam 1] veroorzaakte overlast is ernstig van aard en frequent. Het huurgenot van omwonenden heeft daaronder te lijden, wat zorgt voor een gespannen situatie. WonenBreburg, die als verhuurder gehouden is om te zorgen voor een prettig leefklimaat van haar huurders, is dan ook ontvankelijk in haar vordering tot ontruiming en de bijbehorende nevenvorderingen.

3.6

Tussen partijen bestaat geen discussie over het feit dat de overlast ernstig van aard is en zeer frequent door meerdere omwonenden wordt ervaren en gemeld, wat ook blijkt uit de stukken. Naast talrijke WhatsApp- en emailberichten van meldingen van overlast, is een mutatierapport van meldingen zoals gedaan bij de politie overgelegd (productie 6 bij dagvaarding). Ook de inspecteur van Toezicht en Handhaving heeft begin juni 2020 stank en een gevaarlijke situatie in de woning van [naam 1] geconstateerd (productie 12 bij dagvaarding). Verder staat vast dat namens WonenBreburg verschillende keren indringend is gesproken met [naam 1] over de door hem, en de zijnen, veroorzaakte overlast en de noodzaak daarmee te staken. Ook als de getekende gedragsaanwijzing niet rechtsgeldig zou zijn, omdat de bewindvoerder voor ondertekening door [naam 1] geen toestemming heeft gegeven, moet worden geconstateerd dat [naam 1] voldoende doordrongen moet zijn geweest van wat WonenBreburg van hem als huurder verwachtte en dat, als hij daaraan niet zou voldoen, hij zijn huurrecht zou kwijtraken. De stelling van [naam 1] dat de overlast binnen afzienbare tijd zal stoppen, vanwege de tussenkomst van zijn begeleidster mevrouw [naam 4] , overtuigt onvoldoende. Als onweersproken staat vast dat mevrouw [naam 4] al vanaf het moment van het ondertekenen van de gedragsaanwijzing, in februari 2020, betrokken is. Sindsdien is niet gebleken van (duidelijke) tekenen van verbetering. Bovendien is ter zitting gebleken dat het einddoel van [naam 1] , ook wat betreft Dichtbij, is dat hij elders begeleid gaat wonen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat in een eventuele bodemprocedure de tekortkoming van [naam 1] zodanig ernstig wordt geoordeeld, dat deze ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, en dat het woonbelang van [naam 1] , alle omstandigheden in aanmerking genomen, onvoldoende zwaarwegend is om van ontbinding af te zien. Daarbij neemt de voorzieningenrechter onder meer in aanmerking dat de situatie voor omwonenden onhoudbaar is geworden en dat alle pogingen die reeds zijn gedaan om de door [naam 1] veroorzaakte overlast te doen stoppen geen resultaat hebben gehad. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat van WonenBreburg in de gegeven omstandigheden niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in een eventuele bodemprocedure afwacht, gegeven de duur, frequentie en ernst van de door omwonenden ervaren overlast en het belang van WonenBreburg om de leefbaarheid en veiligheid van de buurt zoveel mogelijk te beschermen.

3.7

De vordering tot ontruiming zal daarom worden toegewezen, zij het dat Dichtbij (enkel) in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] zal worden veroordeeld om de woning te ontruimen. Het daadwerkelijke ontruimen dient [naam 1] voor zijn rekening te nemen. Verder wordt aan de ontruiming een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis verbonden.

3.8

De vordering tot het betalen van de maandelijkse huurprijs ‘voor iedere maand die op de dag van ontruiming zal zijn ingetreden’ zal worden afgewezen. Deze vordering is zonder toelichting – die in de dagvaarding ontbreekt – niet begrijpelijk en daarom niet toewijsbaar. De tekst van de vordering suggereert immers dat ten tijde van de ontruiming meerdere maanden ingetreden kunnen zijn, terwijl enige uitleg over mogelijk achterstallige huurtermijnen ontbreekt.

3.9

Aangezien [naam 1] , los van de vraag of hem dat kan worden toegerekend, tekort is geschoten in zijn verplichtingen als goed huurder, zal Dichtbij, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] , worden veroordeeld tot het betalen van de proceskosten. Deze kosten bestaan uit de explootkosten van € 102,96, het griffierecht van € 656,- en een tegemoetkoming van € 633,- in het salaris van de advocaat van WonenBreburg, maakt tezamen € 1.391,96.

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover Dichtbij de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat aan Dichtbij, indien deze door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.

3.10

De nakosten zijn toewijsbaar als na te melden.

4 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

veroordeelt Dichtbij, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] , om de woning gelegen aan de Kleine Doornbos 8 te Breda binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze goederen niet het eigendom van WonenBreburg zijn, en, met afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van WonenBreburg te stellen;

veroordeelt Dichtbij, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] , tot betaling van de proceskosten, aan de kant van WonenBreburg tot en met vandaag vastgesteld op € 1.391,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis in geval van niet-betaling binnen 14 dagen, tot de dag van voldoening;

veroordeelt Dichtbij, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] ,

onder de voorwaarde dat deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving door de advocaat van WonenBreburg volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris van de advocaat,

dan wel onder de voorwaarden dat deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving door de advocaat van WonenBreburg volledig aan dit vonnis voldoet én betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, in de na dit vonnis ontstane kosten, in dat geval totaal begroot op € 199,- aan salaris van de advocaat;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. [Naam 6] Hindriks en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2020.