Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2763

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
AWB- 19_5576
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5576 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Aron Investments B.V., vergunninghoudster.

Procesverloop

In het besluit van 17 juli 2019 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Aron Investments B.V. (Aron Investments) voor het bouwen van een woongebouw met 19 appartementen aan de Lange Nieuwstraat 256-01 t/m 256-19 te Tilburg en het gebruik van de grond in strijd met het bestemmingsplan Tilburg, Parkeerregeling 2017 (het bestemmingsplan).

In het besluit van 7 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank van 14 mei 2020.

Eiseres was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.B. van Overdijk. Namens Aron Investments was [vertegenwoordiger vergunninghouder] aanwezig.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres woont aan de [adres] te Tilburg. Op 146 meter van haar woning bevindt zich de Lange Nieuwstraat 256-01 t/m 256-19 te Tilburg (hierna: het bouwperceel). Aron Investments wil hier 19 appartementen gaan bouwen, zonder dat er op het perceel in parkeerplaatsen wordt voorzien.

Het college heeft bij het primaire besluit een omgevingsvergunning aan Aron Investments verleend voor de activiteit ‘bouwen’ op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede voor de activiteit ‘gebruik van de gronden in strijd met het bestemmingsplan’ op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres volgens het college geen belanghebbende is bij het primaire besluit. Nu eiseres op meer dan 100 meter van het bouwperceel woont en hier geen zicht op heeft, acht het college het, gelet op deze afstand en de aard en omvang van het bouwplan, uitgesloten dat zij ruimtelijke gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. Daarbij weegt het college mee dat eiseres in stedelijk gebied woont. Eiseres heeft daarnaast geen bezwaren aangevoerd waaruit blijkt dat haar belang zich onderscheidt van anderen en waaruit blijkt dat zij rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit, aldus het college.

2. Eiseres voert, samengevat, aan dat zij wel degelijk rechtstreeks in haar belangen wordt geraakt. Het college heeft Aron Investments een vrijstelling verleend van de verplichting om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit heeft het college gedaan op basis van een parkeeronderzoek, waarbij de parkeerdruk is onderzocht binnen een straal van 200 meter van het bouwperceel. Eiseres woont binnen deze straal. Hier blijkt al uit dat zij in haar belangen zal worden geraakt. Het onderzoek is onjuist uitgevoerd, zodat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend. Zo is de parkeerbehoefte voor bezoekers ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling. Ook is een onjuiste rekenmethode gebruikt. Was het onderzoek correct uitgevoerd, dan was de parkeerdruk te hoog uitgevallen en de omgevingsvergunning niet verleend.

3. Voor de leesbaarheid zijn de toepasselijke wettelijke bepalingen opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Wat is het juridische kader?

4.1.

De rechtbank dient in het kader van deze procedure de vraag te beantwoorden of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Alleen een belanghebbende kan namelijk, op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bezwaar en beroep instellen tegen een besluit. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2.

De omgevingsvergunning is verleend aan Aron Investments en niet aan eiseres. Volgens vaste rechtspraak moet eiseres daarom, om als (derde)belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat haar in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Daarbij geldt als uitgangspunt dat iemand die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat – in dit geval het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan – belanghebbende is bij dat besluit. Maar die feitelijke gevolgen moeten wel iets voorstellen. Daarom wordt het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gehanteerd als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen van de activiteit voor de woon- of leefsituatie van eiseres zo gering zijn, dat zij geen persoonlijk belang heeft bij het besluit. Daarbij spelen de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit een rol, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang moeten worden bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.1

Hoe zit het in het geval van eiseres?

5.1.

Eiseres stelt belanghebbende te zijn, doordat haar woon- en leefomgeving zal worden aangetast als gevolg van een toename van de parkeerdruk. De rechtbank moet dan ook beoordelen of eiseres rechtstreeks de feitelijke gevolgen van de extra parkeerders zal ondervinden én of deze gevolgen van enige omvang zijn en dus enige betekenis hebben.

5.2.

Vast staat dat eiseres op bijna 150 meter van het bouwperceel woont en hier geen zicht op heeft, terwijl er als gevolg van het bouwplan relatief weinig parkeerplaatsen extra nodig zullen zijn (namelijk 7 of, als rekening wordt gehouden met bezoekers, 11). Bij zulke omstandigheden ligt het niet direct voor de hand dat eiseres gevolgen van enige betekenis zal ervaren. Gezien de afstand van de woning van eiseres tot het bouwproject zal sprake moeten zijn van een dusdanige toename van de parkeerdruk, dat er tóch sprake is van gevolgen van enige betekenis. Daarvoor is het volgende van belang.

5.3.

Op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan moet er voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn in, op of onder het gebouw of het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, om aan deze parkeernormen te kunnen voldoen. In dit geval is de parkeernorm vastgesteld op 7 parkeerplaatsen. Als rekening wordt gehouden met eventuele bezoekers, komt de parkeernorm uit op 11 parkeerplaatsen. Aron Investments kan echter niet voorzien in parkeerplaatsen op het bouwperceel.

5.4.

De vergunning kan toch worden verleend als wordt voldaan aan een aantal voorwaarden uit de nota Parkeernormen Tilburg 2017 (de nota).2 Een omgevingsvergunning kan worden verleend als er in de directe omgeving van het bouwperceel – dat wil zeggen binnen een straal van 250 meter – (structurele) restcapaciteit is om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien.3 Er is sprake van restcapaciteit als de parkeerdruk, mét toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Dit moet worden vastgesteld door een gespecialiseerd onafhankelijk bureau.

5.5.

Aron Investments heeft Groen Licht Verkeersadviezen om advies gevraagd, die heeft geconcludeerd dat de parkeerdruk met de extra parkeervraag van 7 parkeerplaatsen maximaal 83% zal bedragen. Het college heeft op basis van dit onderzoek besloten de omgevingsvergunning te verlenen.

5.6.

De rechtbank gaat ervan uit dat de gehanteerde straal van 250 meter uit de nota is gebaseerd op de verwachting binnen welke straal bewoners in het centrum van Tilburg van hun woning zullen parkeren. Eiseres woont ruim binnen deze straal van 250 meter van het bouwperceel. Daarbij komt dat uit het uitgevoerde parkeeronderzoek blijkt dat de parkeerdruk dicht aanzit tegen de grens van het aanvaardbare, als wordt uitgegaan van de gegevens die Groen Licht heeft gebruikt. Als deze gegevens niet correct zijn, zoals eiseres betoogt, wordt de grens van wat aanvaardbaar is overschreden. De rechtbank acht het gezien deze omstandigheden aannemelijk dat eiseres gevolgen van de extra parkeerders zal ervaren. Het is daarbij niet onaannemelijk dat deze gevolgen ook van enige betekenis zullen zijn. De rechtbank acht het dus niet aannemelijk dat de gevolgen van het bouwplan zo gering zullen zijn voor eiseres, dat daarom een persoonlijk belang bij het bouwplan zou ontbreken.

6. De rechtbank concludeert dat eiseres belanghebbende is bij het primaire besluit. Het bezwaar is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het college zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank zal het college ook veroordelen in de reiskosten van eiseres voor het bijwonen van de zitting, welke kosten worden bepaald op € 7,50.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
    € 7,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H.J. Vermariën, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 25 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 7:1, aanhef, van de Awb luidt:

Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken (…)

Artikel 8:1 van de Awb luidt:

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht luidt:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a en 1°, van de Wabo luidt:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.

Artikel 4.1 van het bestemmingsplan Tilburg, Parkeerregeling 2017 luidt:

4.1

Parkeren

a. Ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen dient in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig te zijn;

b. Hierbij moet worden voldaan aan de parkeernormen en rekenmethode, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode;

c. De onder a. bedoelde plaatsen voor het stallen van voertuigen moeten afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare (motor)voertuigen, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.

Artikel 4.3 van het bestemmingsplan Tilburg, Parkeerregeling 2017 luidt:

4.3

Afwijken van de regels

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 4.1 en 4.2 indien:

a. op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien;

b. wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.

Artikel 3.1 van de nota Parkeernormen Tilburg 2017 luidt:

3.1

Voldoen aan de parkeereis

Het basisprincipe is dat een ontwikkeling in de parkeereis voorziet op eigen terrein. Wanneer niet (volledig) aan dit basisprincipe kan worden voldaan, moet de initiatiefnemer aantonen waarom realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval dient te worden bezien of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere oplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis op eigen terrein.

In voorkomende gevallen kan het fysiek onmogelijk of onwenselijk zijn om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar bestaat wel de mogelijkheid om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. Wanneer op een andere wijze dan op eigen terrein aan de parkeereis wordt voldaan, moet de initiatiefnemer aangegeven hoe dit gebeurt. (…)

b. Benutten restcapaciteit omgeving

Als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost dan is het mogelijk te onderzoeken of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte.

Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 meter van de ontwikkeling. Van belang is dat hierbij niet alleen gekeken wordt naar de parkeerbehoefte van de bouwontwikkeling op de verschillende momenten van de week, maar dat tevens helder is wat de structurele beschikbare restcapaciteit in de omgeving is op de verschillende momenten van de week. De initiatiefnemer dient hiervoor voor eigen rekening een onderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerd onafhankelijk bureau.

1 Zie de uitspraak van de ABRvS van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4007.

2 Dit volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan.

3 Dit volgt uit artikel 3.1 van de nota.