Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2715

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5638
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2021:2425, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAJONG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5638 WAJONG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 3 juni 2019 (primaire besluit) heeft het UWV geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

In het besluit van 15 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 5 juni 2020. Door de uitbraak van het corona-virus COVID-19 heeft het onderzoek ter zitting niet kunnen plaatsvinden. Partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 8 juni 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Feiten.

Op 1 maart 2019 heeft eiser, geboren op [geboortedatum] 1984, een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend bij het UWV.

Bij het primaire besluit heeft het UWV geweigerd eiser een Wajong-uitkering toe te kennen.

Eiser heeft op 19 augustus 2019 een bezwaarschrift tegen het primaire besluit ingediend, dat door het UWV is ontvangen op 28 augustus 2019. Daarbij heeft eiser de brief van 26 augustus 2019 gevoegd waarin hij toelicht waarom hij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend.

Bij brief van 5 september 2019 heeft het UWV eiser verzocht de door hem opgegeven reden voor te late indiening van het bezwaarschrift, namelijk dat hij erg ziek is geweest, toe te lichten voor 5 oktober 2019.

Op deze brief heeft eiser niet gereageerd. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

2. Geschil.

In geschil is of het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de bezwaartermijn is overschreden.

3. Beroepsgronden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat uit de informatie blijkt dat hij het bezwaarschrift niet tijdig heeft kunnen indienen. Hij vindt dat het UWV zijn bezwaarschrift alsnog in behandeling moet nemen en hem een Wajong-uitkering moet toekennen.

4. Wettelijk kader.

Op grond van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5. Beoordeling van de rechtbank.

Het primaire besluit van 3 juni 2019 is per post aan eiser toegezonden. De rechtbank is van oordeel dat met deze toezending het besluit op de juiste wijze is bekend gemaakt. Eiser bestrijdt dit overigens ook niet.

De bezwaartermijn van zes weken is, gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, begonnen op 4 juni 2019 en geƫindigd op 15 juli 2019. Door pas bij brief van 19 augustus 2019, door het UWV ontvangen op 28 augustus 2019, bezwaar te maken, heeft eiser de bezwaartermijn overschreden. Eiser erkent dit.

In een dergelijke situatie ligt het op de weg van eiser, en niet op de weg van het UWV, aan te tonen dat hij niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Niet gebleken is van bijzondere feiten en omstandigheden die ertoe zouden kunnen leiden dat eiser redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. De omstandigheden die eiser in zijn brief van 26 augustus 2019 heeft aangevoerd kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Die reden, namelijk dat hij erg ziek is geweest, is op zich zonder nadere toelichting of onderbouwing met medische gegevens onvoldoende. Eiser heeft niet gereageerd op de brief van het UWV van 5 september 2019. Eiser heeft dus geen gebruik gemaakt van de hem door het UWV geboden gelegenheid om de door hem opgegeven reden nader toe te lichten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat het voor eiser absoluut onmogelijk was tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Zo nodig had eiser een voorlopig bezwaarschrift kunnen indienen om de bezwaartermijn veilig te stellen.

Het UWV heeft terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Aan een beoordeling van de inhoudelijke kant van de zaak komt de rechtbank derhalve niet toe.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 25 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.