Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2670

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1661
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 47 en Artikel 52a van de AWR, Artikel 8 EVRM.

Informatiebeschikking terecht opgelegd. De inspecteur mocht op grond van artikel 47 van de AWR inzage in de privé-agenda van belanghebbende verlangen. Aangezien belanghebbende afspraken voor het invullen van belastingformulieren in zijn privé-agenda noteert, zou die agenda van belang kunnen zijn voor de heffing van IB/PVV en omzetbelasting in de betrokken jaren. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op privacy op grond van artikel 8 EVRM is geen sprake.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-09-2020
V-N Vandaag 2020/2169
FutD 2020-2691
NTFR 2020/2795 met annotatie van
V-N 2020/50.2.5
JBP 2020/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/1661

uitspraak van 25 juni 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 februari 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem met dagtekening 3 juli 2018 opgelegde informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2020 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur] .

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 19 mei 2020 op het adres [adres] te [woonplaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 29 mei 2020 is afgehaald bij een PostNL-punt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan het informatieverzoek te voldoen;

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende oefent een onderneming uit in de vorm van een eenmanszaak. Blijkens de inschrijving in de Kamer van Koophandel zijn de activiteiten van de eenmanszaak als volgt: organisatie- adviesbureau, accountant en belastingadviesbureau.

2.2.

In 2017 is ten aanzien van (onder meer) belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Het boekenonderzoek richt zich, ten aanzien van belanghebbende, op de juistheid en volledigheid van de aangiften IB/PVV 2012 tot en met 2015 en aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015.

2.3.

Op 15 februari 2018 heeft een inleidend gesprek plaatsgevonden tussen de inspecteur en belanghebbende met betrekking tot het boekenonderzoek. Tijdens dit inleidend gesprek is onder meer gesproken over de wijze van vastlegging van afspraken met particulieren voor het indienen van aangiften. Belanghebbende beschikt over zowel een zakelijke agenda als een privé-agenda. Per e-mailbericht van 1 maart 2018 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om zijn privé-agenda te overleggen voor de jaren 2012 tot en met 2018 omdat daarin ook afspraken staan voor het invullen van aangiften inkomstenbelasting voor particulieren. Het e-mailbericht van de inspecteur luidt als volgt:

“(…)

Op 28 februari heb ik bij u een boekenonderzoek uitgevoerd.

Wij hebben toen onder andere gesproken over de omzet particulieren in verband met het invullen van de aangiften inkomstenbelasting.

U gaf aan dat u de afspraken met de particulieren in uw privé agenda heeft vermeld.

Omdat deze agenda gemengd gebruikt is, dient u deze in het kader van het boekenonderzoek ter inzage te geven.

U heeft mij de privé agenda 2015 niet ter inzage gegeven omdat u deze niet bewaard zou hebben.

Ik verzoek u nogmaals mij de agenda’s waarin de afspraken met de particuliere klanten zijn vermeld te verstrekken. Dit betreft de jaren 2012 tot en met de actuele agenda van het jaar 2018. Ik verzoek u mij deze agenda’s zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 9 maart 2018 ter inzage te geven.

Indien u geen gehoor geeft aan mijn verzoek ben ik genoodzaakt mij formeel op te stellen. Concreet betekent dat ik u een informatiebeschikking zal verstrekken. Ik hoop echter dat dit niet nodig is.”

2.4.

Belanghebbende heeft aan het dit verzoek geen gevolg gegeven. In een e-mailbericht van 13 maart 2018 schrijft hij:

“(…)

Betreft uw mail d.d. 1 maart 2018

Inzake gemengde agenda

Zoals reeds meegedeeld betreft de omzet particulieren het invullen van belastingformulieren voor mensen in de vriendenkring.

Het zijn verzoeken waar ik geen nee op kan zeggen om de mensen niet voor het hoof(d) te stoten/ uit socialiteit

Het is puur privé, vandaar in de privé agenda.

Zakelijk zit het me alleen maar in de weg en het is feitelijk als drs.mr. ook niet de bedoeling dat ik hier mijn tijd aan moet besteden.

De omzet uit particulieren boek ik in om de belasting erover te betalen.

Ze laten me ook meer komen om me weer eens te zien/voor het praatje/klankbord

Feitelijk is het betaald prive-visite.

(…)”

2.5.

Belanghebbende boekt de omzet die voortkomt uit het verzorgen van aangiften voor particulieren op de grootboekrekening ‘omzet particulieren’ van de eenmanszaak. Voor de periode 2 maart 2015 tot en met 19 april 2015 waarvan de inspecteur over kopieën van een van de agenda’s beschikt, komt het aantal aangiften dat blijkt uit de agenda niet overeen met het aantal aangiften dat vanuit het IP-adres van belanghebbende is gedaan.

2.6.

Met dagtekening 3 juli 2018 is ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking genomen in verband met nog op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 t/m 2015 en een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015. De informatiebeschikking is afgegeven omdat belanghebbende volgens de inspecteur niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. In de informatiebeschikking wordt belanghebbende voor het laatst in de gelegenheid gesteld om de privé-agenda en indien aanwezig een registratie van de ontvangen bedragen per klant te overleggen vóór 18 juli 2018. Belanghebbende heeft deze gegevens tot op heden niet overgelegd.

2.7.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. Het bezwaar is ongegrond verklaard.

2.8.

Belanghebbende heeft daarnaast op 7 december 2018 een verzoek in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en een verzoek op basis van de Wet openbaarheid van Bestuur (hierna: WOB) ingediend.

2.9.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de hoorplicht geschonden?

  2. Mocht het bezwaar worden behandeld door een collega van dezelfde inspectie als degene die de informatiebeschikking heeft opgelegd?

  3. Is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende opgelegd?

Hoorplicht

2.10.

Vast staat dat belanghebbende meerdere malen is uitgenodigd voor een hoorgesprek. Bij brief van 1 november 2018 heeft de inspecteur belanghebbende voor het eerst uitgenodigd voor een hoorgesprek op 10 december 2018. Hierop heeft belanghebbende gereageerd dat hij op die dag verhinderd is en dat hij een afspraak zal maken voor een nieuwe datum. De inspecteur heeft belanghebbende voor een tweede keer uitgenodigd bij brief met dagtekening 10 december 2018, waarbij de inspecteur drie datums voorstelt voor een hoorgesprek. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 6 januari 2019 dat hij meer tijd nodig heeft en de inspecteur vóór 22 januari 2019 zal berichten met een datum voor een hoorgesprek. Met dagtekening 23 januari 2019 heeft de inspecteur belanghebbende voor de laatste keer uitgenodigd voor een hoorgesprek op 6 februari 2019. Belanghebbende is ook op deze uitnodiging niet ingegaan. Op 6 februari 2019 heeft de Belastingdienst van belanghebbende een reactie ontvangen op de brief van 23 januari 2019, waar belanghebbende schrijft dat hij meer tijd nodig heeft om zijn bezwaar te motiveren. Daarnaast schrijft hij dat het hoorgesprek naar zijn mening pas kan plaatsvinden nadat de procedure met betrekking tot de schending van de AVG en het WOB-verzoek is afgerond (zie 2.8).

2.11.

De rechtbank is van oordeel dat van een schending van de hoorplicht geen sprake is. De inspecteur heeft belanghebbende meerdere malen in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Het is niet aan belanghebbende om voorwaarden te verbinden aan het horen. De inspecteur mocht uitspraak op bezwaar doen, zonder belanghebbende opnieuw in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.

Behandeling van het bezwaar

2.12.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bezwaar niet mocht worden behandeld door een directe collega van degene die de informatiebeschikking heeft opgelegd. Dit standpunt is onjuist. Artikel 10:3 lid 3 van de Awb bepaalt dat op het bezwaarschrift niet krachtens mandaat mag worden besloten door degene die het bestreden besluit in mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat in voornoemd geval in de bezwaarfase een zorgvuldige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Het bezwaar van belanghebbende is door een andere persoon behandeld dan degene die de informatiebeschikking heeft opgelegd. Daarmee is aan het vereiste in artikel 10:3 van de Awb voldaan. Niet is vereist, zoals belanghebbende betoogt, dat het bezwaar wordt behandeld door iemand die werkzaam is bij een andere inspectie.

Informatiebeschikking

2.13.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een informatiebeschikking opgelegd omdat belanghebbende volgens hem niet aan de informatieverplichting op grond van artikel 47 van de AWR heeft voldaan. Voor het bestaan van de ingevolge artikel 47 van de AWR op iemand rustende verplichting is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing.1

De inspecteur heeft gesteld dat de agenda van belanghebbende inzicht geeft in het aantal aangiften dat belanghebbende voor particulieren verzorgt. Deze gegevens zijn volgens de inspecteur van belang voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015 en de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. Aangezien belanghebbende afspraken voor het invullen van belastingformulieren voor mensen in de vriendenkring in zijn privé-agenda noteert (zie 2.4), zou die agenda van belang kunnen zijn voor de heffing van IB/PVV en omzetbelasting in de betrokken jaren. De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst al over de gegevens zou beschikken, verandert dit niet. Het is onduidelijk op grond waarvan belanghebbende deze stelling inneemt. Zo belanghebbende bedoelt dat de inspecteur al wetenschap heeft over de omzet, doet dat niet er aan af dat de inspecteur de agenda mag opvragen ter verificatie of de gegevens volledig zijn. De rechtbank volgt belanghebbende ook niet in zijn standpunt dat het indienen van de aangiften van mensen in de vriendenkring uitsluitend in de privésfeer plaatsvindt en dat om die reden de agenda niet hoeft te worden overgelegd. Dit standpunt kan niet worden gevolgd reeds omdat belanghebbende hiervoor een vergoeding ontvangt (zie 2.4) en daarmee deelneemt aan het economisch verkeer. Ook indien niet zou vaststaan dat belanghebbende een vergoeding ontvangt, zou dat overigens het oordeel niet anders maken. De privé-agenda zou dan nog steeds van belang kunnen zijn voor de belastingheffing, juist in verband met een eventuele verdere controle of al dan niet vergoedingen worden ontvangen.

2.14.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij zijn privéagenda niet hoeft te overleggen omdat dit in strijd is met zijn recht op privacy.

2.15.

Artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.16.

Niet in geschil is dat de gevraagde inzage door de inspecteur in de privé-agenda van belanghebbende, in beginsel een inmenging in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM oplevert. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de privé agenda in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.

De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. Uit 2.13 volgt dat op grond van artikel 47 van de AWR de inspecteur kopieën van de privé-agenda van belanghebbende mag opvragen omdat deze van belang zou kunnen zijn voor de belastingheffing. De wettelijke grondslag van de inmenging is derhalve gelegen in artikel 47 van de AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en/of gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn,2 maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land.3 Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van de privé-agenda bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.

2.17.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbendes stellingen ten aanzien van de WOB en de AVG kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Bovendien doen deze stellingen niet af aan de juistheid van de opgelegde informatiebeschikking.

Conclusie en gevolg

2.18.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.19.

De rechtbank stelt op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR bij een ongegrondverklaring van het beroep in beginsel een nieuwe termijn voor het voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichtingen in situaties waarin daar nog gevolg aan kan worden gegeven. De rechtbank acht een termijn van vier weken passend en acht het redelijk deze termijn te doen aanvangen vanaf de dag na die van verzending van deze uitspraak.

2.20.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2020 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

<de griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen>

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Vgl. HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.

2 Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288 en HR 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:639.

3 Vgl. HR 10-04-2020, ECLI:NL:HR:2020:639, r.o. 2.6.2.