Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2661

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
AWB 18_4103
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/4103 WOB

uitspraak van 19 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Kaasboerderij [naam v.o.f.] V.O.F., te [vestigingsplaats] , [eiser1] en [eiser2], te [plaatsnaam] , eisers,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 9 mei 2018 (bestreden besluit) van de heffingsambtenaar inzake hun verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 22 maart 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.P. Hofs en [vertegenwoordiger] . Ter zitting is de verdere behandeling aangehouden in verband met mogelijke samenhang met andere procedures.

Bij tussenuitspraak van 9 juli 2019 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Verder heeft de rechtbank in genoemde tussenuitspraak de heffingsambtenaar gewezen op de in artikel 8:42, eerste lid, van Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen en de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld deze verplichting alsnog na te komen.

De heffingsambtenaar heeft in een brief van 23 augustus 2019 op de tussenuitspraak gereageerd. Eisers hebben hier niet op gereageerd. Verder heeft de heffingsambtenaar de betreffende documenten ingezonden en daarbij verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb.

Bij beslissing van 3 september 2019 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de genoemde stukken gerechtvaardigd is. Eisers hebben vervolgens toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.

In een brief van 25 oktober 2019 heeft de heffingsambtenaar gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 25 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3253). Eisers hebben hier niet op gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. Eisers hebben in hun Wob-verzoek verzocht om verstrekking en openbaarmaking van alle bij de gemeente beschikbare informatie met betrekking tot:

- in behandeling genomen aanvragen van vergunningen (niet alleen aanvragen van omgevingsvergunningen) waartoe aantoonbaar werkzaamheden zijn verricht, die in 2015 en 2016 zijn ingetrokken en waarvoor geen leges in rekening zijn gebracht;

- aanvragen van vergunningen (niet alleen aanvragen van omgevingsvergunningen) die in 2015 en 2016 hebben geleid tot het ontstaan van vergunningen van rechtswege en waarvoor zowel wel als geen leges in rekening zijn gebracht.

Daarbij hebben eisers vermeld dat onder meer wordt gedoeld op de aanvragen, de correspondentie die daarover is gevoerd waaronder de verzoeken om de aanvragen aan te vullen, beslissingen om beslistermijnen op te schorten c.q. te verdagen, zonder de in de betreffende gegevensdragers voorkomende personalia van personen onleesbaar te maken, en de betreffende legesnota’s (als daarvan sprake was).

3. In zijn brief van 23 augustus 2019 heeft de heffingsambtenaar gewezen op het gemeentelijk privacybeleid, wat hij samenvat als “privacy first”. Daar heeft de heffingsambtenaar aan toegevoegd dat het bij de onleesbaar gemaakte persoonsgegevens gaat om medewerkers medewerkers van de gemeente Veere die betrokken zijn bij de behandeling van een procedure en die geen openbare functie bekleden. De vermelding van deze persoonsgegevens heeft uitsluitend een externe communicatiefunctie voor de betrokkenen bij de procedure of het proces, of een interne functie om aan te geven wie de behandelaar van een procedure of proces is. Deze persoonsgegevens van medewerkers zijn niet van invloed op de inhoud van de informatie. Openbaarmaking van deze persoonsgegevens is ongewenst omdat dit de betreffende medewerkers kan belemmeren in hun rol als gevraagd en ongevraagd adviseur van het bestuur. Medewerkers moet in alle vrijheid hun beleidsopvattingen en adviezen kunnen geven. De wetenschap dat hun persoonsgegevens openbaar gemaakt kunnen worden kan hen daarin belemmeren. Verder brengt openbaarmaking van persoonsgegevens van medewerkers het risico met zich dat misbruik van deze gegevens wordt gemaakt. Persoonsgegevens van betrokkenen anders dan medewerkers van de gemeente Veere worden niet openbaar gemaakt tenzij deze gegevens nadrukkelijk van invloed zijn op de inhoud van de openbaar te maken informatie. In dat geval worden alleen de noodzakelijke persoonsgegevens openbaar gemaakt. Als de persoonsgegevens niet van invloed zijn op inhoud van de informatie, dan is openbaarmaking ondergeschikt aan het grondrecht eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Deze persoonsgegevens worden altijd openbaar gemaakt als de betrokkene daarvoor vooraf zijn specifieke en ondubbelzinnige toestemming heeft gegeven. Voor het belang van eisers om willekeur in de besluitvorming aan te tonen zijn de namen van de aanvragers niet van belang. De zakelijke inhoud van de dossiers is bepalend om vast te kunnen stellen of er sprake is van willekeur. Pas als onomstotelijk bewijs is voor willekeur kan het nodig zijn om ook de persoonsgegevens van de aanvragers te kennen om op die manier mogelijke fraude aan te tonen.

4. Met betrekking tot de weigering van de heffingsambtenaar om de persoonsgegevens van de behandelend ambtenaren openbaar te maken stelt de rechtbank vast dat het door de heffingsambtenaar gehanteerde gemeentelijke privacybeleid in lijn is met de jurisprudentie over openbaarmaking van persoonsgegevens van ambtenaren (zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321).

5. In lijn met deze uitspraak van de AbRS neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indieners van dit Wob-verzoek aannemelijk weten te maken dat het belang van de openbaarheid hier zwaarder weegt. Het ligt op de weg van verzoekers om te onderbouwen dat openbaarheid hier zwaar moet wegen. In het onderhavige geval hebben eisers slechts vraagtekens geplaatst bij de integriteit van de hiervoor bedoelde ambtenaren en daarbij gewezen op het terugtreden van een wethouder, maar die integriteitsklachten zijn niet nader onderbouwd. Daarmee hebben zij niet voldoende aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van de namen nodig is en heeft de heffingsambtenaar dan ook kunnen beslissen de namen niet openbaar te maken.

6. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar – voor wat betreft de persoonsgegevens van de medewerkers – met zijn schriftelijke reactie van 23 augustus 2019 het in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek heeft hersteld.

7. Dat geldt ook voor de persoonsgegevens van de aanvragers van vergunningen die geen toestemming voor openbaarmaking hebben gegeven.

8. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.

9. Nu de heffingsambtenaar het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand.

10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

11. De rechtbank zal de heffingsambtenaar veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, - en wegingsfactor 1).

12. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van de AbrS van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

Gerekend van (de ontvangst van) het bezwaarschrift van 23 januari 2018 tot de datum van deze uitspraak zijn meer dan twee jaar verstreken. De rechtbank heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van eisers aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar (zijnde een half jaar voor de behandeling van het bezwaar plus anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep) zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve op 23 januari 2020 overschreden. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn 2 jaar en 5 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met 5 maanden is overschreden. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase heeft plaatsgevonden moet deze volledig aan de Staat der Nederlanden worden toegerekend.

De rechtbank zal, uitgaande van het forfaitaire tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan eisers als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding dan ook tot dat bedrag toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eisers van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van

W.J. Steenbergen, griffier, op 19 juni 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.