Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2650

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19_2925
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2925 ZW

uitspraak van 22 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 juni 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering terug te komen op de eerdere beslissing op grond van de Ziektewet (ZW) waarbij eiser geschikt werd verklaard voor het eigen werk.

Het onderzoek ter zitting heeft met instemming van partijen via videobellen plaatsgevonden op 19 mei 2020. Eiser was daarbij aanwezig. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam geweest als commercieel medewerker binnendienst. Na een val van een ladder heeft hij zich op 6 april 2010 ziek gemeld met klachten van het linker onderbeen, met een distaal onderbeenfractuur als gevolg.

Per 27 oktober 2010 is eiser hersteld verklaard voor zijn eigen werk. Op 16 december 2010 heeft hij zich wederom ziek gemeld, dit maal wegens een operatie aan zijn linkerenkel.

Bij beslissing van 3 augustus 2012 heeft het UWV vastgesteld dat eiser per 6 augustus 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij per die datum met zijn beperkingen weer geschikt is voor zijn maatgevende arbeid in de functie van commercieel medewerker binnendienst. Eisers bezwaar is door het UWV op 28 september 2012 ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

In maart 2015 heeft eiser het UWV verzocht om terug te komen van het besluit van

3 augustus 2012. Bij besluit van 11 mei 2015 heeft het UWV geweigerd om terug te komen van het besluit van 3 augustus 2012, wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. Tegen dit besluit heeft eiser zonder succes bezwaar en vervolgens (hoger) beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:CRVB:2018:3495)

Bij brief van 22 november 2018 heeft eiser zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld onder toezending van een orthopedische expertise van 1 juni 2017 van P.A.L. Blokzeijl (hierna: Blokzeijl). Het UWV heeft deze melding opgevat als wederom een verzoek om terug te komen op de beslissing van arbeidsgeschiktheid van 3 augustus 2012.

Bij besluit van 24 januari 2019 (primair besluit) heeft het UWV, onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 22 januari 2019, geweigerd terug te komen op de beslissing van 3 augustus 2012.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. De nieuw ingebrachte expertise van Blokzeijl bevat volgens het UWV geen nieuwe medische feiten en geeft geen aanleiding tot herziening van het besluit van 3 augustus 2012.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de beslissing van 3 augustus 2012 waarbij eiser geschikt is verklaard voor ‘zijn arbeid’ per 6 augustus 2012.

3. Juridisch kader

3.1

De rechtbank wijst erop dat de juridische toets die in deze zaak aan de orde is, dezelfde is als die in de procedure over eisers voorgaande herzieningsverzoek uit 2015. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in het door eiser in die procedure ingestelde hoger beroep (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2018:3495).

3.2

Dit betekent in deze procedure het volgende. Het UWV heeft het verzoek van eiser, zoals overwogen, opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 3 augustus 2012. Volgens vaste rechtspraak is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing.

3.3

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

3.4

In dit geval heeft verweerder overeenkomstige toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser dient te toetsen of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek van eiser in beginsel dragen. De rechtbank moet in dat geval ook toetsen of het besluit op het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit, evident onredelijk is. De rechtbank verwijst voor deze toetsingsmaatstaf ter illustratie naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van
27 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

3.5

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Het moet gaan om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een terugkomen van een eerder besluit (kunnen) rechtvaardigen

3.6

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat ten aanzien van het besluit van 3 augustus 2012 geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft het UWV verwezen naar de rapporten van zijn verzekeringsartsen.

3.7

Verzekeringsarts W. Raad heeft in zijn rapport van 22 januari 2019 bezien of er aanleiding is de beslissing van 3 augustus 2012 te herzien. De verzekeringsarts stelt dat uit de medische informatie die eiser bij het nieuwe herzieningsverzoek heeft overgelegd, opnieuw blijkt dat er op de datum in geding sprake is van linkerbeen/-enkelklachten als gevolg van het (bekende) ongeval van 6 april 2010 en de behandeling die hij daarvoor onderging. Er blijkt opnieuw dat er dan sprake is van linkerknieklachten waarvoor uiteindelijk op 27 mei 2013 een artroscopie volgde. Deze ingreep zelf viel echter buiten de verzekerde periode van de Ziektewet (tot 13 oktober 2012) en de nawerking Ziektewet van vier weken, evenals de behandelingen die daarop volgden. In de aangeleverde medische informatie blijken geen andere dan reeds bekende medische feiten over de datum in geding. Er bestaat dan ook geen reden de eerdere Ziektewetbeslissing uit 2012 te herzien.

3.8

Verzekeringsarts b&b C. Lemmers heeft eiser gezien op de hoorzitting en heeft daarbij psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Ook heeft hij de beschikbare medische informatie, waaronder de (reeds primair bekende) orthopedische expertise van Blokzeijl bestudeerd. Met de primaire verzekeringsarts is hij van mening dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten die eerder niet bekend waren of naar voren gebracht hadden kunnen worden, op grond waarvan nu een ander standpunt zou moeten worden ingenomen per de datum in geding (6 augustus 2012). Uit de door eiser overgelegde medische informatie blijkt opnieuw dat er op de datum in geding sprake is van linkerbeen-/enkelklachten als gevolg van het (bekende) ongeval van 6 april 2010 en de behandeling die hij daarvoor onderging. Uit de informatie blijken geen andere dan reeds bekende medische feiten over de datum in geding.

4. Beroepsgronden

Eiser heeft aangevoerd dat het UWV ten onrechte stelt dat er geen nieuwe medische feiten zijn. Eiser vindt dat dat wel het geval is en verwijst daartoe naar de rapportage van Blokzeijl. Hij is gehandicapt geraakt en van de 7,5 jaar die hij nu vanwege zijn ziekte thuiszit, heeft hij al vijf jaar geen uitkering. Dit terwijl hij méér operaties heeft gehad na de betermelding, dan in de periode daarvoor. Eiser vraagt zich af waar de menselijkheid in dit alles is gebleven.

5. Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht geoordeeld dat de door eiser overgelegde expertise van Blokzeijl geen nieuw gebleken medische feiten bevat die zien op de datum in geding, te weten 6 augustus 2012. De verzekeringsartsen hebben geconstateerd dat uit de expertise opnieuw blijkt dat er in augustus 2012 sprake is van linkerbeen/-enkelklachten als gevolg van het ongeval van 6 april 2010 en de behandeling die hij daarvoor onderging. Ook blijkt dat er dan sprake is van linkerknieklachten waarvoor uiteindelijk op 27 mei 2013 een artroscopie volgde, maar dat deze ingreep zelf echter buiten de verzekerde periode van de Ziektewet (tot 13 oktober 2012) en de nawerking Ziektewet van vier weken viel en dat dit ook geldt voor de behandelingen die nadien volgden. Met het UWV is de rechtbank van oordeel dat in de aangeleverde medische informatie geen andere dan reeds bekende medische feiten - die zien op augustus 2012 - blijken.

Evident onredelijk?

Ter beoordeling ligt dan nog voor of wat eiser heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. In dit kader heeft eiser in de kern aangevoerd dat het in 2012 niet voorzienbaar was dat er nog zoveel complicaties zouden optreden en hij nog zoveel behandelingen zou moeten ondergaan. Met de wetenschap van nu had hij in 2012 niet hersteld mogen worden verklaard voor zijn arbeid.

Hoewel de rechtbank de frustratie van eiser kan begrijpen en het invoelbaar acht dat hij een moeilijke tijd achter de rug heeft, maakt dit niet dat het besluit evident onredelijk is. De klachten van eiser op datum in geding waren destijds bij de verzekeringsartsen bekend, en daar is met de nieuw ingebrachte informatie - ten aanzien van de datum in geding - geen nieuw licht op geworpen. Dat eiser later in het traject, zo is gebleken, veel behandelingen en meerdere operaties heeft moeten ondergaan wegens artrose/degeneratie van de linkerenkel en het vermoeden van onvolledige doorbouw van het (onderste) spronggewricht, kan niet leiden tot de conclusie dat het UWV in het besluit van 3 augustus 2012 eisers belastbaarheid per 6 augustus 2012 verkeerd heeft ingeschat.

Op grond van het voorgaande zal het beroep dan ook ongegrond worden verklaard.

6. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen reden om een proceskostenveroordeling . Er is geen reden een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 22 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.