Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2640

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
AWB- 20_6256 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekken recht op bijstand per 21-4-2020; niet woonachtig op opgegeven adres

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6256 PW VV

uitspraak van 18 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] (verzoeker), te [woonplaats verzoeker] ,

gemachtigde: mr. G.J.P.M. Mooren,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 april 2020 (bestreden besluit) van het college over de intrekking van zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet per 21 april 2020. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 juni 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Kuipers.

Overwegingen
1.Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontving een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Hij heeft in het verleden desgevraagd verschillende keren bij medewerkers van het college aangegeven dat hij woont in een aanbouw/bergruimte aan [adres] . Nadat bij het college twijfel is ontstaan over verzoekers hoofdverblijf in deze ruimte heeft het college hem bij brief van 6 april 2020 verzocht om een aantal gegevens uiterlijk 13 april 2020 in te leveren, waaronder bewijzen van huurbetalingen over de periode van 1 september 2019 tot 6 april 2020.

Bij besluit van 16 april 2019 heeft het college verzoekers recht op bijstand opgeschort met ingang van 14 april 2020, nadat verzoeker heeft verzuimd de opgevraagde gegevens te verstrekken. Hij is daarbij uitgenodigd voor een gesprek op donderdag 21 april 2020.

Verzoeker is verschenen op het gesprek op 21 april 2020, waar hij heeft verklaard dat hij niet langer woont in de bergruimte aan [adres] en dat hij sinds het begin van de maand april 2020 een andere kamer huurt in hetzelfde pand, meer specifiek de eerste kamer rechts op de begane grond. Verzoeker heeft ook verklaard dat hij niet had begrepen dat hij dit moest melden, omdat het een kamer betreft in hetzelfde huis. Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden in de betrokken kamer. Daarbij zijn spullen aangetroffen van een andere persoon, [naam persoon] . Het college heeft ook telefonisch met de verhuurder van de betrokken woning gesproken, en onderzoek gedaan naar de woonsituatie van [naam persoon] . Het college heeft op basis van deze onderzoeksactiviteiten geconcludeerd dat verzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn hoofdverblijf, dan wel zijn vaste woon- en verblijfsplaats.

Bij het bestreden besluit heeft het college verzoekers bijstandsuitkering ingetrokken per 21 april 2020 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Volgens het college kan verzoekers recht op bijstand door deze schending niet meer worden vastgesteld. Het recht op bijstand is ingetrokken met ingang van de dag dat is vastgesteld dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf dan wel vaste woon- en verblijfplaats had in de door hem opgegeven woonruimte.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

3. Op grond van artikel 17 van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Op grond van het tweede lid doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit het verzuim binnen een door het college te stellen termijn te herstellen.

Op grond van het derde lid trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.


Op grond van het vierde lid kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gegeven termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4. Het college heeft ter zitting gesteld dat in het bestreden besluit ten onrechte artikel 54, vierde lid van de Participatiewet als grondslag voor de intrekking wordt genoemd. Dit had artikel 54, derde lid van de Participatiewet moeten zijn, zoals ook blijkt uit de omstandigheid dat het recht op bijstand niet is ingetrokken per datum van de opschorting. Omdat het college bevoegd is om in de heroverweging de grondslag van het bestreden besluit te wijzigen, leidt dit gebrek op zichzelf niet tot de noodzaak van het treffen van de gevraagde voorziening.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:423) is voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woont moet dan ook worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonsituatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

6. Verzoeker heeft ter zitting erkend dat hij niet heeft gewoond op de door hem aangewezen kamer aan [adres] . De voorzieningenrechter is daarom voorshands van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat verzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn woonsituatie, en dat hij daarmee de inlichtingenplicht heeft geschonden. Schending van de inlichtingenplicht levert op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de beoordelingsperiode recht op volledige, dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Verzoeker is hier naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd. Zijn verklaring ter zitting dat hij altijd is blijven wonen in de bergruimte op hetzelfde adres, is in dit verband in ieder geval onvoldoende. Deze verklaring is in tegenspraak met verzoekers eerdere verklaring van 21 april 2020, is door verzoeker op geen enkele manier onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens, en vindt ook overigens geen steun in de dossierstukken.

7. De ter zitting door verzoekers gemachtigde geponeerde stelling dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden slaagt niet. Voor een geslaagd beroep hierop is volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4086) vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegd orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is in verzoekers geval niet gebleken. De enkele gestelde omstandigheid dat het college in het verleden het vertrouwen heeft gewekt dat verzoeker mag wonen in de bergruimte is in dit verband in ieder geval onvoldoende, nu het daarbij niet gaat om een (uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke) toezegging. Eventueel gewekt vertrouwen op het genoemde punt staat bovendien los van verzoekers feitelijke woonsituatie, en de bekendheid daarvan bij het college.

8. Verzoekers gemachtigde heeft ter zitting verder gesteld dat het college niet in redelijkheid kan overgaan tot het intrekken van verzoekers recht op bijstand, waarbij hij heeft gewezen op verzoekers verslavingsverleden en zijn onwil om opnieuw opvang of begeleiding te ontvangen van Traverse. Deze stelling kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet worden gevolgd, nu het college bij het hanteren van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet als wettelijke grondslag is gehouden om over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand als de schending van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Voor een belangenafweging bestaat daarom geen ruimte. Indien en voor zover verzoeker beoogt aan te voeren dat aan hem een bijstanduitkering moet worden (of had moeten worden) toegekend naar de norm van een dakloze, merkt de voorzieningenrechter op dat hij daartoe een nieuwe aanvraag zal moeten indienen bij het college. Een dergelijke uitkering kan niet aan hem worden toegekend in het kader van deze procedure.

9. Gezien het voorgaande is op dit moment niet te verwachten dat de intrekking van verzoekers bijstandsuitkering – op een gewijzigde grondslag – geen stand zal houden na de heroverweging in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 18 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.