Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2636

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
AWB- 20_5480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5480 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

en

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door de staatssecretaris inzake het verzoek van eiser als bedoeld in artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Bij besluit van 20 augustus 2019 (primair besluit) heeft de staatssecretaris beslist op het Wob-verzoek van eiser betreffende [naam bv1] B.V., [naam bv2] B.V. en andere aan deze ondernemingen gelieerde vennootschappen/ondernemingen.

Eiser heeft bij brief van 19 september 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 3 januari 2020 heeft eiser de staatssecretaris erop gewezen dat nog geen beslissing op bezwaar is genomen, terwijl de beslistermijn is verstreken. Eiser heeft de staatssecretaris verzocht om (onder andere) binnen veertien dagen een beslissing op bezwaar te nemen en toe te zenden.

Op 19 maart 2020 heeft eiser per fax beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door de staatssecretaris.

De rechtbank heeft de staatssecretaris bij brief van 24 maart 2020 en aangetekend verzonden herinnering van 12 mei 2020 verzocht de op de procedure betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. De rechtbank heeft hierop geen reactie ontvangen.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). Als het bestuursorgaan een bezwaarschriftencommissie heeft ingesteld, is de beslistermijn twaalf weken na de dag waarop de bezwaartermijn verstreken is (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb). Het primaire besluit is van 20 augustus 2019. Het bezwaarschrift is op 19 september 2019 bij de staatssecretaris ingediend. De staatssecretaris had dus uiterlijk op 25 december 2019 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de staatssecretaris op 3 januari 2020 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken.

Het beroep is kennelijk gegrond.

4. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Gezien de maatregelen die op dit moment in Nederland gelden om verspreiding van het corona-virus COVID-19 te voorkomen, is er nu naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat de staatssecretaris binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet nemen en verzenden.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op

bezwaar;

- draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na de dag van verzending van deze

uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen en te verzenden;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag

waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 19 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.