Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2631

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
AWB- 20_5255
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5255 AVG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door de minister inzake zijn verzoek om inzage in persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 26 mei 2019 aan het Hoofd D&R van de Penitentiaire Inrichting Vught (PI Vught) op grond van de AVG verzocht om inzage in verwerkte persoonsgegevens betreffende de detentiefasering ZBBI/PP van eiser.

Bij besluit van 1 juli 2019 is door de minister inzage gegeven door verstrekking van een drietal documenten.

Bij brief van 31 juli 2019 heeft eiser een (aanvullend) verzoek gedaan om inzage in ontbrekende beslissingen, adviezen, verslagen en (tussentijdse) rapportages. Hij verwijst daarbij naar de AVG en de daarin genoemde beslistermijn.

Bij brief van 2 september 2019 heeft eiser een ingebrekestelling ingediend, omdat nog geen beslissing op zijn verzoek van 31 juli 2019 is genomen, terwijl de beslistermijn is verstreken. Hij verzoekt om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, onder verwijzing naar de dwangsomregeling in artikel 4:17 van de Awb.

Bij besluit van 22 oktober 2019 (primair besluit) is door de minister inzage gegeven in een tweetal documenten. Daarbij is vermeld dat verslaglegging van teamoverleg en/of gesprekken gerelateerd is aan officiële aanvragen en adviezen. Deze zijn niet inzichtelijk in het penitentiair dossier en worden na ontslag vernietigd.

Eiser heeft bij brief van 4 november 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en tevens verzocht de verschuldigdheid en de hoogte van de verbeurde dwangsom wegens niet tijdig beslissen op zijn verzoek vast te stellen.

Bij brief van 19 januari 2020 heeft eiser een ingebrekestelling ingediend, omdat nog geen beslissing op bezwaar is genomen, terwijl de beslistermijn is verstreken. Hij verzoekt om binnen twee weken alsnog een beslissing op bezwaar te nemen, onder verwijzing naar de dwangsomregeling in artikel 4:17 van de Awb.

Bij brief van 10 maart 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door de minister.

De minister heeft bij brief van 6 mei 2020 de op de procedure betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Niet tijdig beslissen

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). Als het bestuursorgaan een bezwaarschriftencommissie heeft ingesteld, is de beslistermijn twaalf weken na de dag waarop de bezwaartermijn verstreken is (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb).

In het verweerschrift heeft de minister beaamt dat niet tijdig is beslist op eisers bezwaar en dat een ingebrekestelling is ontvangen. De minister is van mening dat op eisers verzoek niet de werking van de AVG van toepassing is, maar de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Vervolgens stelt de minister zich op het standpunt dat met verstrekking van de documenten aan eiser en het telefonisch aanbieden van de mogelijkheid tot inzage in zijn penitentiair dossier voldaan is aan de op hem rustende verplichting tot inzage.

De rechtbank is van oordeel dat de minister met weergave van zijn standpunt in het verweerschrift nog altijd niet (formeel) heeft beslist op het bezwaar van eiser. De minister heeft beaamt niet tijdig te hebben beslist op eisers bezwaar en heeft een ingebrekestelling met dagtekening 19 januari 2020 ontvangen. Uit de stukken in het dossier blijkt niet op welke datum de minister de ingebrekestelling heeft ontvangen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de ingebrekestelling een dag na dagtekening, zijnde 20 januari 2020, is ontvangen door de minister. De rechtbank stelt vast dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken.

Het beroep is kennelijk gegrond.

3. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Gezien de maatregelen die op dit moment in Nederland gelden om verspreiding van het corona-virus COVID-19 te voorkomen, is er nu naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat de minister binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een beslissing op bezwaar moet nemen en verzenden.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de minister een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

Dwangsom

4. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

Eiser verzoekt vaststelling van twee dwangsommen, ten aanzien van het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om inzage en ten aanzien van het niet tijdig beslissen op bezwaar.

De minister stelt dat geen dwangsommen verbeurd zijn, nu het gaat om verwerking van persoonsgegevens op grond van de Wjsg. De bepalingen ten aanzien van dwangsommen in de Awb zijn op grond van artikel IIB van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen hierop uitgesloten.

5. Ingevolge artikel IIB van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (voor zover hier van belang) vindt paragraaf 4.1.3.2 van de Awb gedurende drie jaren na de datum waarop artikel 4:16 van die wet vervalt, geen toepassing ten aanzien van beschikkingen, genomen op grond van titel 2, afdeling 5, van de Wjsg en ten aanzien van beslissingen op bezwaar, gemaakt tegen zodanige beschikkingen, voor zover bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan niet anders is bepaald.

6. De rechtbank is van oordeel dat de dwangsomregeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb wel op dit geschil van toepassing is. Uit de besluiten van de minister van 1 juli 2019 en 22 oktober 2019 blijkt niet dat de minister eisers verzoek heeft getoetst aan de AVG of aan de Wjsg. Zelfs als de Wjsg van toepassing is, is de dwangsomregeling niet uitgesloten. Artikel 4:16 van de Awb is namelijk per 1 oktober 2009 vervallen. Ook is in dit geval geen sprake van een beschikking op grond van titel 2, afdeling 5 van de Wjsg, die ziet op een verklaring omtrent gedrag.

7. De rechtbank wijst het verzoek om vaststelling van de verbeurde dwangsom ten aanzien van het niet tijdig beslissen op eisers verzoek om inzage af, omdat niet voldaan is aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8:55c van de Awb. Dit niet tijdig beslissen op eisers verzoek om inzage ligt namelijk niet ter beoordeling voor. Het beroep is uitsluitend gegrond verklaard ten aanzien van het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar. Dat neemt niet weg dat de minister, bij beoordeling van eisers bezwaar, tevens op zijn verzoek tot vaststelling van de verbeurde dwangsom dient te beslissen.

8. Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar gegrond is verklaard, zal de rechtbank op verzoek van eiser de hoogte van de verbeurde dwangsom vanwege niet tijdig beslissen op bezwaar vaststellen. De ingebrekestelling ten aanzien van het niet tijdig beslissen op bezwaar is gedagtekend op 19 januari 2020. Hiervoor is de rechtbank uitgegaan van een ontvangst van de ingebrekestelling bij de minister op 20 januari 2020. Vanaf de 15e dag na ontvangst van de ingebrekestelling is een dwangsom verschuldigd. De minister heeft nog altijd niet beslist op eisers bezwaar. De dwangsom is volledig volgelopen en bedraagt € 1.442,-.

Proceskosten

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op

bezwaar;

- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak

alsnog een besluit op het bezwaar te nemen en te verzenden;

- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag

waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- wijst het verzoek om vaststelling van de verbeurde dwangsom vanwege niet tijdig beslissen

op eisers verzoek af;

- stelt de door de minister verbeurde dwangsom vanwege niet tijdig beslissen op bezwaar

vast op € 1.442,-;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 19 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.