Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2621

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5150
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / diverse formele (geschil)punten, verzwegen inkomsten uit de productie van erotische films en de exploitatie van websites

De rechtbank: verbindt geen gevolgen aan het niet door de inspecteur inbrengen van een CD-ROM, wijst het verzoek tot het oproepen van getuigen af, oordeelt dat de bezwaren tegen de aanslagen over het jaar 2007 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard in verband met overschrijding van de bezwaartermijn, oordeelt dat de (navorderings)aanslagen tijdig zijn opgelegd en dat is voldaan aan de navorderingseisen, oordeelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, oordeelt dat sprake is van een redelijke schatting, oordeelt dat belanghebbende niet is geslaagd in de (verzwaarde) bewijslast, oordeelt dat de verzuimboete 2010 terecht is opgelegd en oordeelt dat belanghebbende recht heeft op een immateriëleschadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-09-2020
FutD 2020-2586
FutD 2020-2585
NTFR 2020/2718
NLF 2020/2098 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/5150 tot en met 17/5162, 17/6963, 17/6964, 20/6626 en 20/6627

Uitspraak van 18 juni 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings/voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), premie ziekenfondswet (hierna: Zfw), premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) (hierna samen ook: de aanslagen) opgelegd, met daarbij genoemd het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, dan wel het bijdrage/premie-inkomen of de heffingsgrondslag, en bij gelijktijdige beschikkingen de volgende verzuimboete opgelegd en de volgende bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht:

Zaaknr.

Soort

Jaar

Inkomen box 1

Inkomen box 3

Bijdrage/

premie-inkomen

Heffingsgr.

Boete

Rente

17/5150

NAV IB/PVV

2003

43.760

3.838

17/5151

NAV Zfw

2003

20.250

293

17/5152

NAV WAZ

2003

24.957

359

17/5153

NAV IB/PVV

2004

56.885

4.981

17/5154

NAV Zfw

2004

20.800

260

17/5155

NAV IB/PVV

2005

92.292

7.648

17/5156

NAV Zfw

2005

21.050

166

17/5157

NAV IB/PVV

2006

137.932

5

10.660

17/5158

NAV IB/PVV

2007

112.410

5.612

17/5159

VA IB/PVV

2008

39.414

1.087

17/5160

VA Zvw

2008

31.231

17/5161

VA IB/PVV

2009

38.789

435

17/5162

VA Zvw

2009

32.369

20/6626

IB/PVV

2008

39.418

-/-173

17/6964

Zvw

2008

31.227

17/6963

IB/PVV

2009

38.789

226

20/6627

Zvw

2009

32.369

1.2.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan op 20 juni 2017 en op 16 oktober 2017. Daarbij is het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 niet-ontvankelijk verklaard. De aanslagen voor het jaar 2008 zijn gehandhaafd. De inspecteur beslist verder (voor het jaar 2007 op basis van een ambtshalve vermindering) dat de aanslagen voor andere jaren dan 2008 moeten worden herzien tot een aangepaste winst voor de volgende bedragen, en - kort samengevat – daaruit voortvloeiende andere aanpassingen (zoals de zelfstandigenaftrek).

Van

Naar

2003

55.982

53.807

2004

67.859

56.997

2005

106.945

100.266

2006

150.634

142.356

2007

138.978

131.316

De inspecteur heeft een kostenvergoeding toegekend van in totaal € 732.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van 20 juli 2017, ontvangen bij de rechtbank op 21 juli 2017, en van 24 oktober 2017, ontvangen bij de rechtbank op 25 oktober 2017, beroepen ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 46. De beroepen zijn vervolgens nader gemotiveerd.

1.4.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.5.

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de brief van belanghebbende van 7 mei 2019 (aanvulling gronden);

  • -

    de brief van belanghebbende van 10 mei 2019 (verzoek uitstel zitting/horen getuige);

  • -

    de brief van belanghebbende van 12 mei 2019 (verzoek uitstel zitting/getuige-aanbod);

  • -

    de brieven van de rechtbank van 14 mei 2019 (uitstel zitting);

  • -

    de brieven van de rechtbank van 15 augustus 2019 (vooraankondiging zitting);

  • -

    de brieven van de rechtbank van 11 oktober 2019 (uitstel zitting);

  • -

    de brieven van de rechtbank van 5 december 2019 (vooraankondiging zitting);

  • -

    de brieven van de rechtbank van 9 april 2020 (uitnodiging zitting);

  • -

    de brief van de inspecteur van 22 april 2020 (reactie op de aanvulling van gronden van 7 mei 2019);

  • -

    de e-mailberichten van de rechtbank van 24 april 2020 (informeren over digitale zitting);

  • -

    de brief van belanghebbende van 24 april 2020 (stukken 1 tot en met 176);

  • -

    de brieven van de rechtbank van 28 april 2020 (ontbrekende stukken/vooraankondiging vragen);

  • -

    het e-mailbericht van de inspecteur van 29 april 2020 (ontbrekende stukken);

  • -

    de e-mailberichten van de rechtbank van 29 april 2020 (uitnodiging voor Skype-vergadering en werkinstructie);

  • -

    de brief van belanghebbende van 3 mei 2020 (stukken 176 tot en met 243);

  • -

    de pleitnota van de inspecteur, door de rechtbank ontvangen op 6 mei 2020;

  • -

    de pleitnota van belanghebbende, door de rechtbank ontvangen op 6 mei 2020;

  • -

    de brief van de inspecteur, door de rechtbank ontvangen op 6 mei 2020 (vragen rechtbank).

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft online plaatsgevonden op 7 mei 2020. Voor de personen die aan de zitting hebben deelgenomen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [de echtgenote] . Zij is de dochter van [de schoonvader] (hierna: de schoonvader) en [de schoonmoeder] (hierna: de schoonmoeder). [de echtgenote] heeft een broer, [de zwager] (hierna: de zwager).

2.2.

Belanghebbende exploiteert een eenmanszaak, [de eenmanszaak 1] (hierna: de eenmanszaak).

2.3.

De schoonmoeder en de zwager hebben in het jaar 1999 [de BV] (hierna: de BV) opgericht. Op 22 april 2002 heeft belanghebbende de aandelen van de schoonmoeder gekocht. Vanaf 23 april 2004 is de schoonmoeder enig aandeelhouder en bestuurder van de BV.

2.4.

In juni 2001 heeft de schoonmoeder alle aandelen in [de SL] (hierna: de SL), een rechtspersoon naar Spaans recht, gekocht. Zij is tevens bestuurder van de SL. De SL was betrokken bij de productie van erotische films en exploitatie van websites (waarop de films na betaling konden worden bekeken).

2.5.

De schoonvader heeft verklaard dat de betalingen van de exploitatie van websites werden verricht via de BV. Het geld dat bij de BV binnenkwam, werd onder aftrek van commissie, doorbetaald aan de SL. In 2005 is [de stichting] (hierna: [de stichting] ) opgericht. Tot 26 juni 2005 was de schoonmoeder bestuurder van [de stichting] en daarna belanghebbende. De schoonvader was gevolmachtigde van [de stichting] . [de stichting] functioneerde gelijk aan de BV.

2.6.

Belanghebbende heeft:

o werkzaamheden verricht voor de BV, de SL en [de stichting] ;

o verklaard dat hij in de onderhavige jaren voor de verrichte werkzaamheden facturen heeft verzonden, maar dat het voorkwam dat hij niet kon factureren omdat er gezegd werd dat er geen geld was;

o de niet-betaalde vorderingen (omzet van de eenmanszaak) bijgehouden in een eigen administratie.

2.7.

Op 3 juni 2009 heeft de FIOD-ECD de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is € 57.000 inbeslaggenomen.

2.8.

Eveneens op 3 juni 2009 heeft de FIOD-ECD de woning van de schoonvader en de schoonmoeder doorzocht. Daarbij zijn stukken inbeslaggenomen, waaronder zogenoemde groeidocumenten, waarin de schoonvader een administratie heeft bijgehouden die inzicht geeft in de inkomsten en uitgaven van de exploitatie en het beheer van de websites, alsmede de verdeling van de winsten (hierna: de groeidocumenten).1 In deze documenten worden bedoelde inkomsten gelijkelijk verdeeld tussen de schoonvader en belanghebbende (in de jaren 2002 tot en met 2004 kreeg de zwager ook een deel). Volgens de groeidocumenten, die zijn opgesteld tot en met april 2009, is in de onderhavige jaren het volgende verdiend:

Jaar

Netto resultaat

Aandeel belanghebbende

2003

167.947,32

55.982,44

2004

157.860,76

67.859,94

2005

213.890,28

106.945,14

2006

301.269,13

150.634,57

2007

277.027,67

138.513,84

2008

114.877,29

57.438,65

2009

48.137,51

24.068,75

Het eind proces-verbaal van de FIOD-ECD is opgemaakt op 6 december 2010.

2.9.

In zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2008 heeft belanghebbende winst uit onderneming aangegeven in verband met de in 2.6 bedoelde werkzaamheden, maar tot lagere bedragen dan die zijn genoemd in 2.8. Over het jaar 2009 heeft belanghebbende geen (tijdige) aangifte IB/PVV gedaan.

2.10.

Bij het opleggen van de aanslagen voor de jaren 2003 tot en met 2008 heeft de inspecteur de winst uit onderneming gecorrigeerd naar hogere bedragen naar aanleiding van de bevindingen van de FIOD-ECD. Bij de uitspraken op bezwaar is voor bepaalde jaren de gecorrigeerde winst bijgesteld (zie 1.2). De uiteindelijke winst waarvan is uitgegaan bij de aanslagen voor de jaren 2003 tot en met 2008 na de uitspraken op bezwaar, is gebaseerd op een door de FIOD/ECD gemaakte de berekening2 waarbij de in 2.8 genoemde bedragen als uitgangspunt zijn genomen. De schatting bij de (ambtshalve) aanslagen voor het jaar 2009 heeft de inspecteur is gebaseerd op hetzelfde bedrag aan winst als voor het jaar 2008.

De inspecteur heeft bij brief van 6 mei 2020 desgevraagd aan de rechtbank laten weten dat de uitspraken op bezwaar nog niet hebben geresulteerd in ‘verminderingsbeschikkingen’. Verder heeft de inspecteur daarbij een berekening gegeven van het belastbaar inkomen uit werk en woning voor enige jaren na de uitspraken op bezwaar. Hieruit is onder meer af te leiden dat volgens de inspecteur met de in 1.2 bedoelde winst is bedoeld de winst vóór investeringsaftrek en ondernemersaftrek.

2.11.

Bij vonnis van de rechtbank van 29 april 2013 is belanghebbende veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf voor – onder meer – het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van de aangiften IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2007. Deze veroordeling is, zij het met een wisselende lengte van de (voorwaardelijke) gevangenisstraf, gehandhaafd in hoger beroep en in cassatie.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen zijn in geschil de antwoorden op de volgende vragen:

I. Zijn de bezwaren tegen de aanslagen over het jaar 2007 terecht niet-ontvankelijk verklaard?

II. Zijn de aanslagen niet tijdig opgelegd?

III. Voldoen de navorderingsaanslagen aan de eisen voor navordering?

IV. Zijn de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

V. Is de verzuimboete 2009 terecht opgelegd?

VI. In hoeverre heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de procedure?

3.2.

Voor de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de stukken die partijen hebben ingediend en naar het proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Vooraf

4.1.1.

Na ontvangst van het beroepschrift over de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2008 en 2009 heeft de rechtbank abusievelijk twee zaken aangelegd in plaats van vier. Te weten de zaak met zaaknummer 17/6963 voor de zaak over de aanslag IB/PVV 2009 en de zaak met zaaknummer 17/6964 voor de zaak over de aanslag Zvw 2008. In verband hiermee heeft de rechtbank twee nieuwe zaaknummers aangemaakt. Te weten 20/6626 voor de zaak over de aanslag IB/PVV 2008 en 20/6627 voor de zaak over de aanslag Zvw 2009.

4.1.2.

In de ingebrachte stukken van de FIOD-ECD wordt melding gemaakt van een CD-ROM met daarop de administratie van de SL. De rechtbank merkt op dat deze CD-ROM niet tot het rechtbankdossier behoort. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de CD-ROM een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien deze CD-ROM op te vragen. Overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan het niet door de inspecteur inbrengen van de CD-ROM.

4.1.3.

In verband met de ontvankelijkheid van de beroepen merkt de rechtbank op dat beide partijen ervan uitgaan dat de 1.2 vermelde uitspraken op bezwaar ook als zodanig kunnen worden aangemerkt en daarmee voor beroep vatbaar zijn, hoewel in de uitspraken waarin de winst is herzien, niet is vermeld welke aanslagen wijzigen en naar welk bedrag deze wijzigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen daarin niet te volgen.3

4.2.

Ten aanzien van het getuigenaanbod

4.2.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank te kennen gegeven dat belanghebbende de heren [A] en [B] (hierna: de getuigen) wenst te horen over toezeggingen die zij zouden hebben gedaan over de fiscale verplichtingen van belanghebbende, waaronder de aangifteverplichting. Daarbij heeft de gemachtigde opgemerkt dat belanghebbende niet weet waar de getuigen wonen, maar dat belanghebbende ervan uitgaat dat de Belastingdienst dit wel weet en de heren inlicht over dit verzoek hen te horen. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende meegedeeld dat hij de getuigen, indien nodig, wil horen over de niet-ontvankelijkheid. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij hen niet heeft kunnen meenemen naar de Skype-zitting.

4.2.2.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende een punt heeft dat de wijze waarop de zitting uiteindelijk is gehouden (‘online’) meebrengt dat getuigen niet fysiek konden worden meegebracht. Belanghebbende heeft echter ook niet (vooraf) gevraagd om de getuigen online te doen horen. Het is bovendien aannemelijk dat indien zoals aanvankelijk aangekondigd de zitting wel fysiek zou hebben plaatsgevonden, de getuigen evenmin zouden zijn meegebracht. Zowel voorafgaand aan de oorspronkelijk geplande zittingsdatum in mei 2019 als voorafgaand aan de datum waarop de zitting uiteindelijk is gehouden, heeft de gemachtigde immers niet gemeld dat de getuigen waren opgeroepen. Integendeel, de gemachtigde heeft melding gemaakt niet te weten waar de getuigen woonden. Niet gebleken is dat voldoende pogingen zijn gedaan achter de benodigde gegevens te komen om de getuigen – die niet meer bij de Belastingdienst werkzaam zijn – te kunnen oproepen.

Onder deze omstandigheden is sprake van een situatie die op één lijn is te stellen met de – in rechtsoverweging 2.4.4 van het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake getuigenaanbiedingen4 vermelde – situatie dat de verzoekende partij niet aan de voorschriften van artikel 8:60, lid 4, van de Awb heeft voldaan. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek van belanghebbende af dat de rechtbank de getuigen oproept. De rechtbank heeft ook ambtshalve geen aanleiding gezien om de getuigen, op grond van artikel 8:63, eerste lid, van de Awb, op te roepen, omdat dit in het kader van de op haar rustende taak niet zinvol voorkomt.

4.3.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de bezwaren

4.3.1.

De rechtbank heeft de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften getoetst omdat zij dit ambtshalve dient te doen, ongeacht of één der partijen hierover heeft geklaagd.

4.3.2.

De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 is gedateerd 27 november 2010. Er is geen reden om aan te nemen dat de navorderingsaanslag pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 8 januari 2011. Het bezwaarschrift is ontvangen op 24 januari 2011 zodat het, gelet op artikel 6:9 van de Awb, niet tijdig is ingediend.

Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd die tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kunnen leiden.

Een en ander leidt tot de slotsom dat het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Voor zover het beroep is gericht tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 is de rechtbank onbevoegd om daarover te beslissen.

4.3.3.

Er zijn geen afzonderlijke bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2008 en 2009 ingediend in de zin van een brief die onder de noemer ‘bezwaarschrift’ is ingediend. Wel blijkt het dossier dat er meerdere berichten zijn ná de dagtekening van de aanslagen waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende het niet eens is met die aanslagen en dus als bezwaarschrift kunnen worden aangemerkt. Belanghebbende heeft niet gesteld dat een van die stukken binnen de bezwaartermijn is ingediend. Partijen gaan er echter van uit dat de bezwaren ontvankelijk zijn. De rechtbank ziet, mede gelet op de brief van de inspecteur van 2 april 20125, geen reden om van het standpunt van partijen af te wijken.

4.4.

Ten aanzien van de formele eisen: de tijdigheid van de aanslagen en de navorderingseisen

4.4.1.

Belanghebbende voert aan dat de navorderingsaanslagen over de jaren 2003 tot en met 2007 moeten worden vernietigd omdat deze niet voldoende voortvarend zijn opgelegd. Hij wijst erop dat gelet op het proces-verbaal AH-024 van de FIOD-ECD van 31 maart 2010, de inspecteur op dat moment beschikte over alle informatie die nodig was voor het opleggen van de navorderingsaanslagen en het nog langer dan een half jaar heeft geduurd voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd.

4.4.2.

Niet is in geschil dat de navorderingsaanslagen over de jaren 2003 en 2004 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). En evenmin dat de inspecteur in dit geval dan voldoende voortvarend moet hebben gehandeld bij de aanslagoplegging.

4.4.3.

De rechtbank overweegt dat geen sprake mag zijn geweest van onverklaarbaar stilzitten van de inspecteur gedurende meer dan zes maanden.6 Daarvan was in het onderhavige geval geen sprake. Tussen 31 maart 2010 en het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2003 en 2004, op 29 december 2010, is nog (onder meer) het volgende gebeurd:

  • -

    er is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, gedateerd 12 juli 2010 (FIOD-ECD dossier, Codenummer AH-037), met betrekking tot het vermoedelijk feitelijk leiding geven aan (onder meer) de BV, de SL, [de stichting] en [de eenmanszaak 2] ;

  • -

    er is een nadeelberekening gemaakt over de jaren 2003 tot en met 2007, ambtsedige verklaring gedateerd 20 september 2010 (FIOD-ECD dossier, bijlage nr. D271).

Dat deze stukken niet tot andere conclusies hebben geleid dan die in het proces-verbaal AH-024, doet niet eraan af dat geen sprake is van stilzitten als hiervoor bedoeld. De inspecteur mocht – ook gelet op de vereiste voortvarendheid – dit deel van het FIOD-onderzoek afwachten. De navorderingsaanslagen over de jaren 2003 en 2004 zijn dus tijdig opgelegd.

4.4.4.

De navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2007 zijn opgelegd binnen de navorderingstermijn van vijf jaren van artikel 16, derde lid van de AWR.

De rechtbank overweegt dat de eis van voortvarend handelen bij de aanslagoplegging dan niet gesteld wordt.7 De navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2007 zijn dus eveneens tijdig opgelegd.

4.4.5.

De rechtbank verwerpt de – verder niet onderbouwde – beroepsgrond dat een nieuw feit voor navordering ontbreekt. Als nieuwe feiten kunnen hier in elk geval worden aangemerkt de zogenoemde groeidocumenten, die zijn gevonden op 3 juni 2009. De jongste aanslag die gevolgd is door een navorderingsaanslag – te weten die voor het jaar 2007 – is daarvóór opgelegd (namelijk op 9 mei 2009).

4.4.6.

De aanslagen IB/PVV en Zvw 2008 zijn opgelegd op 23 maart 2012. De aanslagen IB/PVV en Zvw 2009 zijn opgelegd op 21 maart 2012.

4.4.7.

Op grond van artikel 11, derde lid, van de AWR, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de aanslagtermijn verlengd met de duur van dit uitstel.

4.4.8.

De inspecteur heeft, in de brief die door de rechtbank is ontvangen op 6 mei 2020, een schermprint ingevoegd waarin staat dat op basis van de becon-regeling uitstel is verleend voor het doen van aangifte over het jaar 2008, tot 1 mei 2010. Dat is als zodanig niet (voldoende gemotiveerd) bestreden. Gelet op het verleende uitstel zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2008 binnen de aanslagtermijn opgelegd.

De aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2009 zijn binnen de in 4.4.6 genoemde aanslagtermijn van drie jaren opgelegd.

4.5.

Ten aanzien van de omkering van de bewijslast

4.5.1.

Op grond van artikel 27e van de AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien – voor zover hier van belang – de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.5.2.

De inspecteur beroept zich op omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan. Voor zover nog van belang, voert hij ten aanzien van de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008 aan dat belanghebbende aanzienlijke bedragen aan inkomsten niet heeft aangegeven, waarbij hij verwijst naar de groeidocumenten. En voor het jaar 2009 voert hij aan dat belanghebbende – ondanks daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand – in het geheel geen aangifte heeft gedaan.

Jaren 2003 tot en met 2006 en 2008

4.5.3.

Met betrekking tot de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008 overweegt de rechtbank dat de vereiste aangifte niet is gedaan indien, aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die er toe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast is vereist dat het bedrag van de belasting, dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden hierbij slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.8

4.5.4.

De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende last om aannemelijk te maken dat de aangiften van belanghebbende over de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008 één of meer gebreken als bedoeld in 4.5.3 vertoonden en dat hierdoor – indien de aangiften zouden zijn gevolgd – zowel absoluut als relatief aanzienlijk te weinig belasting zou zijn geheven. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

4.5.5.

Vast staat dat belanghebbende in de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008 werkzaamheden verrichtte voor de BV, de SL en [de stichting] , en dat belanghebbende daarvoor een tegenprestatie ontving. Vast staat ook dat belanghebbende in zijn aangiften 2003 tot en met 2007 inkomsten voor (een deel van) die werkzaamheden heeft aangegeven als winst uit onderneming. Gelet op de door de schoonvader opgestelde groeidocumenten, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende met deze werkzaamheden substantieel meer inkomsten genereerde dan aangegeven voor de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008. De stelling van belanghebbende dat daarmee ten onrechte winst van de betrokken lichamen aan belanghebbende wordt toegerekend, en de verwijzing van belanghebbende in dat kader naar het arrest van het gerechtshof in de strafzaak, baten hem niet. Immers, zoals ook uit het arrest van het gerechtshof volgt, had belanghebbende voor zijn werkzaamheden recht op een tegenprestatie, die hoger was dan hetgeen wel is gefactureerd en betaald. De rechtbank heeft – anders dan belanghebbende betoogt – geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de groeidocumenten. De stelling van belanghebbende dat geen (uit)betaling heeft plaatsgevonden, doet niet eraan af dat de bedragen wel als winst in aanmerking hadden moeten worden genomen. Zoals het gerechtshof in de strafzaak heeft overwogen is sprake van een vordering. Zo belanghebbende betoogt dat niet betaald kón worden, doet dat er niet aan af dat belanghebbende wel een vordering had. Belanghebbende slaagt niet in de op hem rustende bewijslast dat de vorderingen reeds direct geheel of gedeeltelijk onvolwaardig waren. Evenmin kan aan het voorgaande afdoen de stelling van belanghebbende dat hij nimmer uitbetaald heeft gekregen. Ook als het juist is dat uiteindelijk (een deel) niet is betaald, moest nog steeds (uiterlijk) in het jaar waarin de prestatie is geleverd, de tegenprestatie tot de winst worden gerekend.

Belanghebbende heeft tevergeefs betoogd dat het heffingsrecht over de tegenprestatie aan Spanje toekomt. Belanghebbende woonde in Nederland en hij heeft niet de feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, waaruit volgt dat het heffingsrecht aan Spanje toekomt.

Belanghebbende heeft de hiervoor bedoelde tegenprestatie voor een aanzienlijk deel niet in zijn aangiften verantwoord. De belasting over de niet aangegeven inkomsten beloopt een veelvoud van de belasting over de wel aangegeven inkomsten en is ook op zichzelf aanzienlijk. Datzelfde geldt dienovereenkomstig voor de overige heffingen.

4.5.6.

De rechtbank acht voorts aannemelijk dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangiften 2003 tot en met 2006 en 2008 ervan bewust is geweest dat hij de tegenprestatie voor zijn werkzaamheden (in zijn geheel) diende aan te geven en dat – door dit niet te doen – als de aangiften zouden worden gevolgd aanzienlijke bedragen aan belasting niet zouden worden geheven. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat belanghebbende over de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008 niet de vereiste aangiften heeft gedaan.

Jaar 2009

4.5.7.

Ten aanzien van het jaar 2009 voert belanghebbende aan dat hij de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw niet heeft ontvangen. Bovendien zou door de inspecteur zijn toegezegd dat belanghebbende niet aan de aangiftetermijnen hoefde te voldoen.

4.5.8.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur aannemelijk dient te maken dat de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw naar het juiste adres zijn verzonden. Indien het stukken betreffen die niet aangetekend zijn verzonden, zoals in dit geval, kan de inspecteur dat bewijs leveren door een administratie te overleggen waaruit blijkt dat en op welke datum het stuk is verzonden.9

4.5.9.

De inspecteur heeft, bij brief, door de rechtbank ontvangen op 6 mei 2020, stukken overgelegd uit de verzendadministratie van de Belastingdienst.

Op basis van deze stukken acht de rechtbank aannemelijk dat:

o de uitnodiging tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 is vastgesteld op 5 januari 2010;

o de uitnodiging tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 deel uitmaakt van zendingen die zijn aangeboden aan PostNL en door PostNL in ontvangst zijn genomen in de periode 17 februari 2010 tot en met 23 februari 2010;

o de aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 is vastgesteld op 25 juni 2011;

o de aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 is aangeboden aan PostNL en door PostNL in ontvangst is genomen op 28 juni 2011.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 door middel van de postdienst belanghebbende te doen bereiken. Gelet op de verzendrapportages is voorts aannemelijk dat de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 is verzonden naar het adres waar belanghebbende woonachtig was volgens de gegevens die zijn opgeslagen in het systeem Beheer van Relaties, te weten [adres] te [woonplaats] .

De rechtbank overweegt dat er in de regel van kan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van de stukken de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 zijn ontvangen. Als belanghebbende dan stelt dat de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 hem niet hebben bereikt, moet worden beoordeeld of op grond van wat hij aanvoert redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat hij de stukken heeft ontvangen.10 Weliswaar kunnen geen hoge eisen worden gesteld aan de onderbouwing van de stelling dat een poststuk niet is ontvangen.11 Echter naar het oordeel van de rechtbank is slechts de enkele stelling van niet-ontvangst onvoldoende om de bedoelde twijfel te wekken dat hij de uitnodigingen en aanmaningen tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2009 en 2011 heeft ontvangen.

4.5.10.

Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur, in de periode waarbinnen de aangiften IB/PVV en Zvw 2009 hadden moeten worden gedaan, heeft toegezegd dat belanghebbende niet aan de aangiftetermijn hoefde te voldoen.

De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat belanghebbende ook over het jaar 2009 niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan.

Gevolgen

4.5.11.

Aangezien voor elk van de jaren 2003 tot en met 2006, 2008 en 2009 de vereiste aangiften niet zijn gedaan, is de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing met betrekking tot de beoordeling van de (navorderings)aanslagen voor die jaren. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (2) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de belastingaanslag, zoals die luidt na uitspraak op bezwaar, onjuist is.12

4.6.

Ten aanzien van de redelijke schatting en de verzwaarde bewijslast

4.6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar, uitgegaan van een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Gelet op het overwogene in 4.5.4, is zonder meer redelijk om voor de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008 de in de groeidocumenten genoemde bedragen als uitgangspunt te nemen voor de in 2.10 bedoelde berekening, welke berekening als zodanig niet is bestreden.

Voor het jaar 2009 geldt dat het redelijk is dat de inspecteur, omdat de groeidocumenten luiden tot en met april 2009, het bedrag van 2008 als uitgangspunt heeft genomen, te weten € 57.438. De rechtbank merkt daarbij nog op dat te minder als onredelijk kan worden aangemerkt aangezien de inkomsten volgens de groeidocumenten in de eerste vier maanden van 2009 al € 24.068,75 beliepen, hetgeen bij extrapolatie naar een geheel jaar neerkomt op ruim € 72.000.

4.6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet erin geslaagd te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar betreffende de (navorderings)aanslagen voor de jaren 2003 tot en met 2006, 2008 en 2009 onjuist zijn.

De aanspraak die belanghebbende heeft gemaakt op dotatie aan de fiscale oudedagsreserve (hierna: FOR) maakt dat niet anders. Deze aanspraak is pas gemaakt in de pleitnota, door de rechtbank één dag voor de zitting ontvangen. Belanghebbende heeft daarbij niet onderbouwd gesteld welke bedragen aan de FOR moet worden gedoteerd, noch onderbouwd de feiten gesteld waaruit volgt dat aan de voorwaarden voor dotatie aan de FOR is voldaan.

Ook overigens heeft belanghebbende niet doen blijken dat de inkomens/heffingsgrondslagen lager moeten zijn.

4.7.

Conclusie met betrekking tot de navorderingsaanslagen 2003 tot en met 2006 en de aanslagen 2008 en 2009

4.7.1.

Gelet op het voorgaande zijn de beroepen betreffende de belastingaanslagen 2003 tot en met 2006, 2008 en 2009 ongegrond.

Dit geldt dus ook voor de voorlopige aanslagen voor de jaren 2008 en 2009. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast daarvoor niet geldt,13 blijven die aanslagen in stand. De inspecteur heeft namelijk – gelet op wat hiervoor is overwogen ter zake van de definitieve aanslagen over die jaren – aannemelijk gemaakt dat hij de voorlopige aanslagen heeft opgelegd met inachtneming van het daarvoor geldende kader dat het bedrag van de voorlopige aanslag wordt gesteld op ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.

4.7.2.

Tegen de heffingsrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Aangezien de aanslagen in stand blijven, zijn de beroepen ook ongegrond voor zover ze zien op de heffingsrente.

4.8.

Ten aanzien van de verzuimboete 2009

4.8.1.

Belanghebbende heeft geen tijdige aangifte IB/PVV over het jaar 2009 gedaan. Zoals overwogen in 4.5.9, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende hiertoe wel is uitgenodigd en aangemaand. Het opleggen van een verzuimboete van € 226 is dus terecht geschied (artikel 67a van de AWR, tekst 2010, in samenhang met § 21, tweede en vierde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: het BBBB). Op grond van § 4 van het BBBB, legt de inspecteur bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) geen verzuimboete op. Belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van avas.

4.8.2.

Gezien de hoogte van de boete, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.9.

Conclusie

4.9.1.

Gelet op het vorenstaande dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren voor zover het beroep ziet op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 en dienen de beroepen voor het overige ongegrond te worden verklaard.

5 Immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

Belanghebbende heeft terecht aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedure. De vergoeding wordt als volgt berekend.14

Mede gelet op de beroepsgronden hebben de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken bovendien in de beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn wordt overschreden. De omstandigheid dat in de bezwaarfase een deel van de zaken niet gezamenlijk is behandeld, staat niet in de weg aan het aannemen van ‘samenhang’.

De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op 25 november 2010, zijnde datum waarop het oudste bezwaarschrift is ontvangen.15 Nu de rechtbank uitspraak doet op 18 juni 2020, is sindsdien afgerond negen jaar en zeven maanden verstreken. Aangezien de redelijke termijn als uitgangspunt twee jaar bedraagt, is de overschrijding als uitgangspunt zeven jaar en zeven maanden.

In dit geval is er echter aanleiding om daarop voor de bezwaarfase een periode van drie jaar in mindering te brengen. Daarbij is enerzijds verdisconteerd dat gelet op de correspondentie belanghebbende enige malen (kennelijk) heeft ingestemd met verlenging van de bezwaartermijn en op enig moment heeft verzocht om uitstel tot de uitspraak van het gerechtshof in de strafzaak. Anderzijds is daarin verdisconteerd dat in die periode nog wel correspondentie en gesprekken hebben plaatsgevonden. Voor een langere periode dan drie jaar ziet de rechtbank geen aanleiding. In verband met de door de inspecteur aangevoerde complexiteit merkt de rechtbank op dat het gedane onderzoek voornamelijk vóór het opleggen van de aanslagen heeft plaatsgevonden.

Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn dus vier jaar en zeven maanden is, bestaat recht op een vergoeding van € 5.000. Hiervan komt (afgerond) € 4.300 (47/55e) voor rekening van de inspecteur, omdat van de overschrijding (afgerond) zevenenveertig maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Daarbij is in aanmerking genomen dat het tijdsverloop dat aan de bezwaarfase wordt toegerekend, loopt tot het moment waarop de inspecteur de laatste uitspraak op bezwaar heeft gedaan (16 oktober 2017). Het restant (€ 700) komt voor rekening van de Minister voor Rechtsbescherming. De rechtbank merkt de Minister voor Rechtsbescherming in zoverre mede aan als partij in dit geding

6 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Aanleiding is de toekenning van een immateriëleschadevergoeding. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 787,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 525, maal 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken en een wegingsfactor 0,516). De totale vergoeding van € 525 moet door de inspecteur en de Minister voor Rechtsbescherming ieder voor de helft worden vergoed.17 Ieder van hen zal daarom worden veroordeeld tot vergoeding van € 393,75.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep ziet op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2007;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 4.300;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 700;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 393,75;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten tot een bedrag van € 393,75;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt tot een bedrag van € 23;

  • -

    gelast dat de Minister voor Rechtsbescherming het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt tot een bedrag van € 23.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2020 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. drs. J.H. Bogert en mr. A.H.W. Steijn, rechters, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

mr. I. van Wijk mr. M.R.T. Pauwels

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Deze documenten zijn aangemerkt als stukken D-45 tot en met D-53 in het strafrechtsdossier. De gegevens zijn door de FIOD-ECD omgezet in gegevens in excel (D-53 tot en met D-60).

2 Stuk AH-024 in het strafrechtdossier; zie ook stuk D-271.

3 Vgl. HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3822.

4 HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.

5 Te vinden in bijlage 6 bij het verweerschrift in de zaken met zaaknummers 17/5150 tot en met 17/5162.

6 Vgl. HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2599, rov. 3.3.2.

7 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:626.

8 Vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.

9 Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1176.

10 Vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102.

11 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3248, rov. 4.7.

12 Vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401 en HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.

13 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:683.

14 Vgl. het overzichtsarrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, en HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, rov. 2.4.3 en 2.4.4.

15 Dat is het bezwaarschrift gericht tegen de voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2009.

16 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638.

17 Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.