Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2617

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9119H
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op de uitspraak van 15-01-2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:107.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-09-2020
V-N Vandaag 2020/2090
FutD 2020-2577
V-N 2020/50.2.2
NTFR 2020/2631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/9119

Uitspraak van 18 juni 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Duitsland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Gronden

1.1.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:107, het onderzoek in de onderhavige zaak (verzoek om teruggaaf van dividendbelasting voor het jaar 2006) heropend om belanghebbende in de gelegenheid te stellen om bewijs aan te dragen voor zijn stelling dat nog geen teruggaaf is ontvangen van 10 procent-punt dividendbelasting.

1.2.

Bij brief van 6 mei 2020 heeft belanghebbende aan de rechtbank meegedeeld dat ten aanzien van de relevante dividenduitkeringen aan belanghebbende in 2006 een bedrag van € 647.069 aan dividendbelasting is ingehouden, naar het destijds geldende tarief van 25%. Belanghebbende heeft daarbij bevestigd dat in verband met deze dividenduitkeringen geen teruggaaf van dividendbelasting is ontvangen.

Bij brief van 25 mei 2020 heeft de inspecteur aan de rechtbank meegedeeld dat er geen onregelmatigheden in de contra-informatie van de Belastingdienst zijn gevonden.

De rechtbank begrijpt deze opmerking van de inspecteur aldus dat niet langer in geschil is dat recht op teruggaaf bestaat van 10 procent-punt van de ingehouden dividendbelasting, ofwel € 258.828. Mede gelet op de reactie van de inspecteur, ziet de rechtbank geen aanleiding om de stelling van belanghebbende, dat deze teruggaaf niet heeft plaatsgevonden, niet te volgen.

1.3.

Belanghebbende heeft met een beroep op onder meer de zaak Irimie (C-565/11) aanspraak gemaakt op vergoeding van rente op basis van het unierecht vanaf het moment van betaling van de dividendbelasting tot het moment van restitutie. De rechtbank laat in het midden of, gelet op de achtergrond van de teruggaaf, hier een beroep op de zaak Irimie kan worden gedaan. Sinds de invoering van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 per 1 januari 2015 is de belastingrechter namelijk niet meer bevoegd uitspraak te doen op een verzoek om schadevergoeding wegens gederfde rente.1 Indien een belanghebbende van mening is dat, in verband met in strijd met het unierecht geheven belasting, aanspraak kan worden gemaakt op rentevergoeding over een langere periode dan waarin de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) voorziet, dan kan dat aan de orde worden gesteld in een verzoekprocedure op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990.2

Het voorgaande neemt niet weg dat op grond van artikel 30ha, eerste en derde lid, van de AWR belanghebbende recht heeft op rentevergoeding. Deze vergoeding kan ook in deze procedure worden toegekend, hoewel niet eerder een beschikking als bedoeld in artikel 30j van de AWR is genomen.3 De belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek om de teruggaaf, maar niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na dagtekening van de teruggaafbeschikking.

1.4.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.147 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 2).

2 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    wijzigt de teruggaafbeschikking met betrekking tot het jaar 2006 tot teruggave van € 258.828;

  • -

    draagt de inspecteur op om belastingrente te vergoeden op grond van artikel 30ha van de AWR in verband met deze teruggaven overeenkomstig wat in 1.3 is vermeld;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.147;

- gelast dat de inspecteur door belanghebbende betaalde griffierecht van € 334 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2020 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. J.P.M. Kooijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341.

2 HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790.

3 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3972, rov. 4.6-4.8.