Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2587

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
C/02/372182 / FA RK 20/2491
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Het betreft twee vraagstukken:

1. Een geneeskundige verklaring die door een AVG-arts is opgesteld, terwijl bij cliënt sprake is van een verstandelijke beperking (die op de voorgrond staat) én een psychische stoornis.

2. Een geneeskundige verklaring die is opgesteld door een psychiater die verbonden is aan de desbetreffende zorgaanbieder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGz 2020/89 met annotatie van Beintema, H.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/372182 / FA RK 20/2491

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikking van 15 juni 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[cliënt] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] ,

hierna te noemen: cliënt,

advocaat: mr. J.H.P.M. Verhagen te Breda

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 12 mei 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de aanvraag d.d. 8 mei 2020;

- de geneeskundige verklaring d.d. 29 april 2020;

- verklaring zorgaanbieder, d.d. 21 april 2020;

- het zorgplan van Sovak d.d. 23 januari 2020;

- een afschrift van de beschikking waarbij mentorschap is ingesteld en een afschrift van de beschikking waarbij een mentor is benoemd;

- de beschikking van 14 mei 2019 van deze rechtbank betreffende een voortgezet verblijf.

- het proces-verbaal van de zitting van 29 mei 2020;

- de nieuwe geneeskundige verklaring, d.d. 3 juni 2020.

1.2

De behandeling van het verzoek heeft op 29 mei 2020 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting op de verblijfplaats van betrokkene vanwege het COVID-19 virus niet mogelijk was:

- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer [mentor] , mentor/pleegvader;

- de heer [gedragsdeskundige] , gedragsdeskundige;

- mevrouw [medewerker Sovak] , medewerker Sovak,

- mevrouw [persoonlijk begeleider] , persoonlijk begeleider.

2 Standpunten

2.1

Cliënt geeft aan dat hij vanwege de maatregelen door het coronavirus nu bij zijn mentor/pleegvader verblijft. Hij wil op zich best weer terug naar Sovak, omdat hij daar een dagbesteding heeft en zich minder hoeft te vervelen. Aan de andere kant vindt hij het ook fijn bij pleegvader.

2.2

De heer [gedragsdeskundige] stelt dat er bij cliënt sprake is van een verstandelijke handicap die gepaard gaat met een psychische (hechtings)stoornis. De verstandelijke beperking staat echter op de voorgrond.

2.3

Mevrouw [medewerker Sovak] ondersteunt het standpunt van de heer [gedragsdeskundige] . De hechtingsproblematiek speelt een rol in het ernstig nadeel, echter de verstandelijke beperking staat op de voorgrond.

2.4

De pleegvader/mentor is vanwege de coronacrisis uiteraard bereid om cliënt bij hem te laten verblijven. Hij is echter van mening dat het wenselijk is dat cliënt weer naar Sovak gaat, zodra dat weer mogelijk is. De pleegvader werkt full time en kan cliënt daardoor niet de begeleiding en zorg bieden die hij eigenlijk nodig heeft.

2.5

De advocaat voert aan dat hij vanuit de stukken begrijpt dat er gewerkt wordt aan een afbouw in de maatregelen, zodat er uiteindelijk geen gebruik meer hoeft te worden gemaakt van een machtiging. Een verblijf bij pleegvader zou voor cliënt de meeste wenselijke situatie zijn, maar dat is op dit moment niet haalbaar.

3 Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

De geneeskundige verklaring

3.1

Uit het verzoek binnengekomen bij de rechtbank op 12 mei 2020 blijkt dat het ernstig nadeel niet alleen voortvloeit uit de licht verstandelijke beperking van cliënt, maar ook vanuit een bij hem geconstateerde psychische stoornis. Dit is ook ter zitting bevestigd door de gedragsdeskundige (de heer [gedragsdeskundige] ) en de Avg-arts van Sovak (mevrouw [medewerker Sovak] ). De geneeskundige verklaring is echter (alleen) opgesteld door een AVG-arts. Dit volstaat evenwel niet in het bovengenoemde geval waarin het ernstig nadeel mede voortvloeit uit een psychische stoornis. De diagnose is immers niet beperkt tot het “eigen deskundigheidsterrein” van die arts maar het bestrijkt tevens het deskundigheidsterrein van de psychiater. In een zodanig geval is mede (of alleen) een verklaring van een psychiater vereist, zie HR NJ 2019/72, ECLI:NL:HR:2019:165 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:71.

3.2

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank, in overleg met partijen, besloten, hetgeen is vastgesteld in voormeld proces-verbaal, de zaak aan te houden in afwachting van een nieuwe geneeskundige verklaring. Mede gelet op de impact die de zitting heeft op cliënt is met betrokkenen afgesproken om de zaak op de 29ste mei wel geheel te behandelen en na ontvangst van de nieuwe geneeskundige verklaring de zaak verder schriftelijk af te doen.

3.3

De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling in aanvulling op het vorenstaande gesteld dat de arts die de geneeskundige verklaring, d.d. 29 april 2020 heeft opgesteld een arts is die verbonden is aan dezelfde organisatie waar cliënt verblijft. Hij voert aan dat dit in strijd is met artikel 26 lid 7 Wzd. De nieuwe geneeskundige verklaring, d.d. 3 juni 2020 is opgesteld door een psychiater die niet verbonden is aan de desbetreffende zorgaanbieder. Daarmee behoeft het verweer van de advocaat in beginsel geen verdere bespreking. Daar de advocaat echter aangaf hier vaker tegenaan te lopen merkt de rechtbank (geheel ten overvloede) hieromtrent het volgende op.

3.5

De omstandigheid dat de geneeskundige verklaring is opgesteld door een arts die is verbonden aan de instelling waar de cliënt verblijft maakt niet dat in deze niet gesproken kan worden over een “objective medical expert” in de zin van artikel 5 lid 1 onder e EVRM in verbinding met artikel 5 lid 4 EVRM mits deze arts niet bij de behandeling betrokken is of kort tevoren betrokken is geweest. Dit laatste is gesteld noch gebleken.

De rechtbank verwijst ter onderbouwing van het vorenstaande naar het arrest Nakach van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 6 januari 2005, nr. 5379/02, ECLI:NL:XX:2005:BM8488, NJ 2010/322) en de arresten van de Hoge Raad van 8 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1138 en HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9228. Weliswaar wordt in artikel 26 lid 7 Wzd specifiek vermeld dat de geneeskundige verklaring niet mag worden opgesteld door een arts die is verbonden aan de instelling maar uit een nieuwsbericht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 februari 2020 blijkt dat de eis uit artikel 26 lid 7 Wzd in de toekomst zal komen te vervallen en de wet zo spoedig mogelijk dienovereenkomstig zal worden aangepast. Daar komt bij dat de eisen in de Wet zorg en dwang uitgebreider zijn dan in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en voorheen in de wet Bopz. Hierdoor ontstaan in de praktijk ook uitvoeringsproblemen. Al met al is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het vorenstaande, een geneeskundige verklaring opgesteld door een arts die is verbonden aan de instelling niettegenstaande hetgeen is neergelegd in artikel 26 lid 7 Wzd en vooruitlopend op de aangekondigde wetswijziging, kan worden geaccepteerd ter onderbouwing van het verzoek.

De rechterlijke machtiging

3.6

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een verstandelijke handicap gepaard gaand met een psychische stoornis. De arts stelt in de geneeskundige verklaring, d.d. 29 april 2020 dat er sprake is van Neonatraal abstinentie syndroom, ADHD, hechtingsproblematiek. De psychiater stelt in de geneeskundige verklaring, d.d. 3 juni 2020 de diagnose ADHD en kenmerken passend bij een hechtingsstoornis, ook passende bij een autistische stoornis.

3.7

Deze verstandelijke handicap die gepaard gaat met een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:

- levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële schade, maatschappelijke teloorgang voor of van de cliënt of een ander;

- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;

- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

Vanuit de behandelaars wordt geconstateerd dat cliënt grensoverschrijdend gedrag laat zien wanneer hij boos wordt. Er is een gevaarlijk incident geweest in de bus tijdens het vervoer naar dagbesteding. Hierbij heeft cliënt een begeleider achterlangs bij de keel gegrepen. Daarnaast heeft cliënt tijdens een andere situatie een begeleider gekrast met een broodsmeermes en een stuk haar afgesneden.

3.8

De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

Sinds januari 2019 woont cliënt aan de Ganzenpad 4 (Sovak). Hij woont hier met meerdere cliënten met intensieve zorgvragen. Met de inzet van een duidelijk dagprogramma, een stevig team aan begeleiding en met ondersteuning van deskundigen is gewerkt om de voorwaarden voor optimale begeleiding te verbeteren, zodat cliënt zijn mogelijkheden meer kan benutten en beperking/begrenzing minder nodig zijn. Er wordt op de huidige woning nog steeds geïntensiveerd om betrokkene voldoende basisveiligheid en vertrouwen te geven, zodat escalaties niet meer voorkomen. De rechterlijke machtiging op grond van de Wzd biedt dan ook het best passende (juridische) kader.

3.9

Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

3.10

Gebleken is dat cliënt zich, met name in de periodes dat hij het niet kan overzien, verzet tegen de opname en het verblijf.

3.11

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur met dien verstande dat rekening zal worden gehouden met de overschrijding van de beslistermijn van drie weken als gevolg van de aanhouding. De machtiging zal derhalve worden verleend tot 14 mei 2021.

4 Beslissing

De rechtbank:

verleent een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van

[cliënt] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 14 mei 2021.

Deze beschikking is gegeven op 17 juni 2020 door mr. Jansen, rechter, bijgestaan door de griffier.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.