Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2569

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
AWB- 19_6178
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2021:2293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6178 WABOA

uitspraak van 18 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, gemachtigde: ing. L. Visscher,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam belanghebbende] , te [plaatsnaam] , vergunninghouder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 oktober 2019 (bestreden besluit) van verweerder inzake het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakterras op het perceel [perceel] te [plaatsnaam] (hierna: het perceel).

Het beroep is besproken op zitting in Breda op 4 juni 2020. Eiser en zijn gemachtigde waren daarbij aanwezig. Namens het college was daarbij aanwezig mr. P.C. la Croix Kaiser. Vergunninghouder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten
Eiser woont aan de [adres] te [plaatsnaam] .

Op 24 mei 2018 heeft eiser het college verzocht handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning aanwezig hebben van een dakterras op het perceel. Bij besluit van 14 augustus 2018 heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Op 24 september 2018 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen die afwijzing.

Vergunninghouder heeft op 12 januari 2019 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het (legaliseren) bouwen van een dakterras op het perceel. Uit de daarbij behorende bouwtekeningen blijkt dat het gaat om het plaatsen van vlonderplanken en een afscheiding door middel van houten bloembakken (1 meter) met draadstaal (78 cm), die worden bevestigd op de vloerbalken en onderling worden gekoppeld.

Bij besluit van 6 maart 2019 (primair besluit) heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Bij brief van 12 april 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

Het college heeft het bezwaar van eiser bij bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij besluit van 18 oktober 2019 heeft het college ook het bezwaar inzake het handhavingsverzoek ongegrond verklaard.


Eiser heeft bij brief van 28 november 2019 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar inzake de verlening van de omgevingsvergunning.


2. Beroepsgronden


Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college niet bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het dakterras in strijd is met de bouwregels uit bestemmingsplan Binnenstad. Daar heeft eiser aan toegevoegd dat het college niet bevoegd was om gebruik te maken van de in het bestemmingsplan neergelegde wijzigings-bevoegdheid, omdat niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan. Daarnaast heeft eiser gesteld dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiser.

3. Wettelijk kader
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
4. Omvang van het geding

De rechtbank stelt vast dat het college ten aanzien van het dakterras aan de [perceel] verschillende besluiten heeft genomen. Het verzoek om handhaving van eiser ten aanzien van het dakterras is afgewezen en zijn bezwaar daartegen is ongegrond verklaard. Daarnaast is ten aanzien van het perceel een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van het dakterras en is het daartegen gerichtte bezwaar van eiser ook ongegrond verklaard. De adviescommissie voor de bezwaarschriften Bergen op Zoom heeft in één advies geadviseerd over beide bezwaarschriften. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat zijn beroep ziet op de beslissing op bezwaar inzake de omgevingsvergunning en niet op het handhavingsverzoek. De rechtbank oordeelt in deze zaak daarom niet over het handhavingsverzoek.


5. Beoordeling beroepsgronden

Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan?

5.1

Eiser heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd was om de omgevingsvergunning voor het bouwen van het dakterras te verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met bestemmingsplan Binnenstad. Het bouwplan past niet binnen de bestemming ‘Horeca’ die in dat bestemmingsplan aan het perceel is toegekend. Daarnaast is het bouwplan volgens eiser in strijd met de in het bestemmingsplan opgenomen maximale goot- en bouwhoogte.

5.2

Het college is niet bevoegd een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk te verlenen, wanneer het bouwplan of het beoogd gebruik van het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan.1

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het bouwplan niet in strijd met bestemmingsplan Binnenstad (hierna: bestemmingsplan). In dat bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming ‘Horeca’ toegekend. In de planregels staat dat het perceel o.a. is bestemd voor ‘wonen in een woning’ en ‘bijbehorende voorzieningen, zoals groen en water’.2 In de planregels is geen regeling opgenomen voor dakterrassen. Het gebruik van een deel van het platte dak als dakterras past naar het oordeel van de rechtbank binnen de bestemming. Het is normaal gebruik ten behoeve van het wonen in de woning en kan worden gekwalificeerd als een daarbij behorende voorziening. Ter zitting heeft eiser gesteld dat het dakterras niet past binnen die bestemming, omdat op de begane grond kan worden voorzien in buitenruimte en omdat uit de zinssnede ‘wonen in een woning’ kan worden afgeleid dat het ‘wonen’ alleen mag plaatsvinden in een woning en niet daarbuiten. De rechtbank leest in de planregels niet dat staat voorgeschreven dat een dakterras alleen mag worden gerealiseerd wanneer niet op andere wijze in buitenruimte kan worden voorzien. Daarnaast heeft het college ter zitting toegelicht dat met de zinssnede ‘wonen in de woning’ is bedoeld aan te geven dat niet in het horecabedrijf mag worden gewoond.

Daar voegt de rechtbank aan toe dat het bouwplan ook niet in strijd is met de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouw- en goothoogte. Uit de bouwtekeningen blijkt dat het dakterras wordt gerealiseerd op het hoofdgebouw. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet dat het dakterras wordt gerealiseerd op een bijgebouw. In het bestemmingsplan wordt het ‘hoofdgebouw’ namelijk gedefinieerd als: “een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken”.3 In de planregels wordt een bijgebouw gedefinieerd als een vrijstaand gebouw.4 Het dakterras wordt gerealiseerd op het belangrijkste bouwwerk op het perceel: op het dak van het bouwwerk waarin het horecabedrijf is gevestigd en waarin de woning is gerealiseerd. Het dakterras wordt niet gerealiseerd op het dak van een vrijstaand gebouw. De planregels schrijven voor het hoofdgebouw een maximale goot- en bouwhoogte voor van 6 en 10 meter.5 Uit de bouwtekeningen blijkt dat de begane grond 3.3 meter hoog is. Als gevolg van het bouwplan wordt daar bovenop gebouwd: een houten plantenbak van 1 meter en daaruit stekend draadstaal van 78 cm. Dat betekent dat het bouwwerk binnen de maximale goot- en bouwhoogte blijft.

Wijzigingsbevoegdheid

5.4

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het college niet bevoegd was om gebruik te maken van de in artikel 13.5.1 van de planregels van het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, omdat niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan.

5.5

De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar inzake de omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakterras. Het college heeft in dat besluit een omgevingsvergunning verleend en heeft geen toepassing gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 13.5.1 van de planregels.

Belangenafweging

5.6

Daar heeft eiser aan toegevoegd dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Het belang van eiser bij zijn privacy en bij het voorkomen van geluidsoverlast moet worden gewaarborgd door het college (bijvoorbeeld door middel van geluid reducerende behuizing).

5.7

Het toetsingskader (de weigeringsgronden) voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk staat opgenomen in artikel 2.10 van de Wabo. De bepaling bevat een zogenoemd limitatief imperatief stelsel: wanneer één van de weigeringsgronden aan de orde is, moet het college de omgevingsvergunning weigeren (imperatief) en daarnaast mag het college de aanvraag alleen weigeren wanneer één van de daar genoemde weigeringsgronden aan de orde is (limitatief). Dat laatste betekent dat het college de bouwvergunning niet mag weigeren om andere redenen dan die staan genoemd in artikel 2.10 van de Wabo. Het college heeft dus geen ruimte om een eigen belangenafweging te maken.6

De door eiser genoemde belangen zijn geen belangen die als weigeringsgronden genoemd staan in artikel 2.10 van de Wabo. Dat betekent dat deze belangen voor het college geen aanleiding mochten vormen om de omgevingsvergunning te weigeren. De rechter dient de keuze van de wetgever, op grond waarvan artikel 2.10 Wabo geen ruimte laat om deze aspecten te toetsen, te respecteren. Deze bezwaren kunnen daarom geen rol spelen bij deze beoordeling.

6. Conclusie

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van. Asten, griffier, op 18 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader
1.Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Het is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

In artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo staat: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevings-vergunning volgens artikel 2.10 van de Wabo geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.


2. Bestemmingsplan Binnenstad
Op het perceel is bestemmingsplan ‘Binnenstad’ van toepassing. Aan het perceel is de bestemming ‘Horeca’ en de functieaanduiding ‘horeca tot en met categorie 2’ toegekend.

In artikel 13.1 van de planregels staat voor zover hier relevant: de voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor: horecabedrijvenbedrijven zoals opgenomen in de bijlage van dit bestemmingsplan gevoegde Staat van horeca-activiteiten en met inachtneming van het volgende;

  1. (…);

  2. (…);

  3. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm horeca-2”: voor een horecabedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten;

  4. (…);

  5. (…);

  6. (…);

  7. wonen in een woning;

  8. bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, boven- en ondergrondse parkeervoorzieningen, groen en water.

In artikel 13.2, onder c, van de planregels staat dat de goothoogte en/of bouwhoogte van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan is aangegeven met de aanduiding "Maximum goothoogte" respectievelijk "Maximum bouwhoogte".

In artikel 13.5.1 van de planregels staat: Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in een bestemming vergelijkbaar met aangrenzende gronden dan wel de bestemming Detailhandel of Kantoren, indien de bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd dan wel het gebruik tenminste 1 jaar is gestaakt, met inachtneming van de in diezelfde planregel genoemde voorwaarden.

1 Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo.

2 Artikel 13.1, onder g en onder h, van de planregels.

3 Artikel 1.59, van de planregels.

4 Artikel 1.34, van de planregels.

5 Artikel 13.2, onder c, van de planregels in combinatie met de plankaart.

6 De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1532, rechtsoverweging 6.1.