Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2566

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
AWB- 19_1369
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB- 19_1369

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/1369 WAJONG

uitspraak van 16 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr. J.W. van de Wege,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 februari 2019 (bestreden besluit) van het UWV over de ingangsdatum van de toekenning van zijn uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 27 augustus 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 23 september 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om het UWV in de gelegenheid te stellen de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) de door haar in beroep getrokken conclusie nader te laten motiveren.

Bij brief van 8 oktober 2019 heeft het UWV gereageerd. Op 19 december 2019 heeft eiser op de brief van het UWV gereageerd. Vervolgens heeft het UWV een rapportage van de verzekeringsarts b&b van 11 februari 2020 ingezonden. Bij brief van 26 februari 2020 heeft eiser op deze rapportage gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank aangekondigd dat zij een nadere zitting achterwege wil laten. Daarbij heeft zij partijen de gelegenheid gegeven om binnen vier weken te laten weten of zij alsnog op een zitting willen worden gehoord. Partijen hebben aangegeven geen nadere zitting nodig te vinden.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 20 april 2020 gesloten. De uitspraaktermijn is met 6 weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten.

Eiser, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft op 10 april 2018 een beoordeling arbeidsvermogen aangevraagd. Hij is bekend met een psychotische stoornis, een verstandelijke beperking en een oppositionele opstandige gedragsstoornis. Ook is er sprake van blijvende gevolgen van een verkeersongeval dat eiser in 2012 is overkomen.

Bij besluit van 17 mei 2018 (primair besluit) heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn aanvraag wordt beschouwd als een verzoek om herziening van een eerdere aanvraag en dat dit verzoek wordt afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe medische informatie.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV eisers bezwaar gegrond verklaard en hem een Wajong-uitkering toegekend met ingang van 10 april 2018. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 4 oktober 2018, 31 januari 2019 en 14 februari 2019 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) van 18 januari 2019 ten grondslag. De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of van toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar dat het medisch feitencomplex wel aanleiding geeft om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 16 december 2011.

2. Standpunt van het UWV

Het UWV stelt zich op het standpunt dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven om met terugwerkende kracht terug te komen op het besluit van 16 december 2011. Wel is er thans aanleiding voor het aannemen van zwaardere beperkingen op de 18e verjaardag. Daarom heeft de verzekeringsarts b&b een nieuwe Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Op grond daarvan is eiser niet in staat om 75% van het maatmaninkomen te verdienen per 31 mei 2011. Het UWV kent daarom eiser, op grond van de rechtspraak met betrekking tot duuraanspraken, een Wajong-uitkering toe per 10 april 2018. Eisers verzoek om de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen, wordt afgewezen.

3. Beroepsgronden

Eiser stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat - anders dan het UWV stelt - wel degelijk sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, die het toekennen van de uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Eiser stelt subsidiair dat het evident onredelijk is om niet terug te komen op het besluit van 16 december 2011, waarbij zijn eerste aanvraag is afgewezen. Er is volgens eiser destijds geen sprake geweest van een zorgvuldig en compleet onderzoek, zodat het ontbreken van de informatie van psychiater [psychiater] van 5 augustus 2008 niet voor zijn rekening moet komen. Nu de verzekeringsarts b&b achteraf op grond van de informatie van [psychiater] de belastbaarheid anders vaststelt, stelt eiser dat het besluit van 16 december 2011 evident onjuist was. Eiser vindt dat hij recht heeft op een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht. Eiser stelt tot slot dat sprake is van toegenomen beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak vanaf het moment van de psychose in 2011, subsidiair vanaf de datum van het hem overkomen verkeersongeval op 11 november 2012.

4. Wettelijk kader

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

In het tweede lid is bepaald dat het bestuursorgaan, indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet Wajong, geldend ten tijde in geding, is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.

Op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong wordt de ingezetene, indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

Op grond van artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong, ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk op de dag dat aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doch niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning, bedoeld in dit artikel, werd ingediend.

Op grond van het derde lid onder a, ontstaat, in afwijking van het tweede lid, het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend, indien de jonggehandicapte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 2:39, eerste lid, van de Wet Wajong ontvangt de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning op aanvraag inkomensondersteuning met ingang van de dag waarop de aanvraag werd ingediend.

Op grond van het tweede lid ontvangt de jonggehandicapte, in afwijking van het eerste lid, de inkomensondersteuning, bedoeld in het eerste lid, niet eerder dan de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de voorwaarden, bedoeld in het derde en vierde lid, voldoet.

5. Beoordeling van de rechtbank.

5.1.

Verzoek om herziening van het besluit van 16 december 2011.

De aanvraag van eiser van 10 april 2018 is terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 16 december 2011. Bij het besluit van 16 december 2011 heeft het UWV eisers aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen, omdat hij niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. Tegen dat besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte vast is komen te staan. Vervolgens heeft eiser op 1 maart 2013, op 14 november 2014 en op 19 april 2016 herhaalde aanvragen ingediend die door het UWV met toepassing van artikel 4:6 van de Awb zijn afgewezen.

In zijn uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten over een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als hier aan de orde, waar is verzocht om terug te komen van een besluit, leidt dat ertoe dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de CRvB van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Al hetgeen door eiser is aangevoerd had ook bij de eerste aanvraag om een Wajong-uitkering kunnen worden aangevoerd. De brief van psychiater [psychiater] van 5 augustus 2008, gericht aan eisers huisarts, was bij eiser bekend dan wel had bij hem bekend kunnen zijn. Dat eiser heeft nagelaten zijn aanvraag van 3 oktober 2011 te onderbouwen met het rapport van [psychiater] komt voor zijn rekening en risico.

De rechtbank overweegt dat dit eveneens geldt ten aanzien van de eerdere verzoeken om herziening. Nu eiser bij die verzoeken de brief van [psychiater] evenmin heeft ingebracht, ziet de rechtbank daarin een bevestiging van het eerder door het UWV ingenomen standpunt dat eisers verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd.

Er is dan ook, anders dan eiser stelt, geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van 4:6 van de Awb.

5.2.

Evident onredelijke beoordeling.

Eiser voert voorts aan dat het evident onredelijk is om niet terug te komen op het besluit van

16 december 2011 en met volledige terugwerkende kracht de uitkering toe te kennen. Eiser wijst in dat verband op het rapport van de verzekeringsarts b&b van 11 februari 2020 waarin zij aangeeft dat zij, indien zij in 2011 de primaire beoordeling had gedaan en had beschikt over de brief van [psychiater], tot een andere inschatting van eisers medische situatie was gekomen omdat in die brief duidelijker is omschreven wat er met eiser aan de hand was tijdens zijn adolescentie.

Een afwijzing van een aanvraag of verzoek kan evident onredelijk zijn, als het betreffende primaire besluit ten tijde van het nemen van dat besluit ‘onmiskenbaar onjuist’ was en de aanvrager zich daarbij niet heeft neergelegd. Van een dergelijke situatie is volgens de rechtbank hier geen sprake.

Eiser heeft immers geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 16 december 2011.

Eiser had de brief van psychiater [psychiater] bij zijn eerste aanvraag dan wel in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase behorende bij die aanvraag moeten aandragen. Nu hij dit niet heeft gedaan, is sprake van een nalatigheid aan de kant van eiser die voor zijn rekening moet blijven. Het beroep op evidente onredelijkheid slaagt daarom niet.

Eiser voert verder aan dat aan het besluit van 16 december 2011 geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. Eiser trekt hieruit de conclusie dat het voor rekening van het UWV komt dat de brief van psychiater [psychiater] niet bekend was waardoor geen compleet beeld van eisers ziekte is ontstaan. Eiser gaat er in deze redenering echter aan voorbij dat het besluit van 16 december 2011 in rechte vast is komen te staan, zodat de rechtbank dit besluit niet inhoudelijk kan beoordelen. Eiser had dit dan ook in een bezwaar- of (hoger) beroepsprocedure naar voren moeten brengen.

Wat eiser naar voren heeft gebracht kan dus niet leiden tot de conclusie dat de afwijzing van eisers verzoek om met terugwerkende kracht terug te komen van het besluit van 16 december 2011 evident onredelijk is.

5.3.

Duuraanspraak.

Niet in geschil is dat het Uwv de aanvraag van eiser – voor zover daarmee is beoogd dat voor de toekomst wordt teruggekomen van het besluit van 16 november 2011 – terecht heeft ingewilligd.

Het UWV erkent dat de beoordeling van de belastbaarheid door de verzekeringsarts op

15 november 2011 achteraf gezien niet juist is geweest. Het UWV baseert zich daarbij op het rapport van de verzekeringsarts b&b van 4 oktober 2018 waarin deze concludeert dat eiser op zijn 18e verjaardag belastbaar was conform de door hem aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst van 9 januari 2019. Dit op basis van de huidige kennis over het verloop van zijn aandoeningen. De arbeidsdeskundige b&b concludeert vervolgens dat eiser niet in staat was om per 31 mei 2011 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Dat betekent dat eiser jonggehandicapte is.

Een aanvraag om voor de toekomst terug te komen van een eerder besluit bij een duuraanspraak wordt ingewilligd per datum van ontvangst van deze aanvraag. Daarbij wordt betrokken dat met het in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep aangebrachte onderscheid bij de te verrichten toetsing wat betreft het verleden en de toekomst is beoogd te voorkomen dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Het Uwv heeft de aanvraag waarbij (mede) is verzocht om herziening voor de toekomst op 10 april 2018 ontvangen, zodat de uitkering terecht per deze datum is toegekend.

De vraag of de uitkeringmet terugwerkende kracht had dienen te worden toegekend per datum van de aanvragen uit 2013, 2014 en 2016 beantwoordt de rechtbank ontkennend. Tegen de bij deze aanvragen behorende besluiten (op bezwaar) heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden en de rechtbank niet in de beoordeling van deze besluiten treedt.

5.4.

Toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong.

Eiser heeft tot slot verzocht om te beoordelen of sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag. Zowel op zijn 18e als op zijn 19e heeft eiser een psychose doorgemaakt. Bij de psychose op zijn 19e is eiser op de snelweg gaan staan om auto’s tegen te houden en is hij aangereden. Aan dit verkeersongeval heeft hij letsel overgehouden, dat heeft geleid tot lichamelijke klachten en een toename van de psychische klachten.

De rechtbank overweegt dat, gelet op het feit dat eiser per 10 april 2018 een Wajong-uitkering toegekend heeft gekregen, een beoordeling of sprake is van toegenomen beperkingen wegens dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de 18e verjaardag niet meer nodig is. Zou immers hiervan sprake zijn, zou dit niet leiden tot een voor eiser gunstiger resultaat, namelijk toekenning van een Wajong-uitkering eerder dan 10 april 2018. Ook in dat geval zou op grond van artikel 2:15 van de Wet Wajong de uitkering ingaan op de datum van aanvraag.

6. Conclusie.

Gelet op de bovenstaande overwegingen, zal het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 16 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.