Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2556

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
02-293593-19, 02-055361-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging doodslag door in de borst steken van slachtoffer. Alternatief scenario niet aannemelijk.

Nietige dagvaarding voor wat betreft bedreiging nu de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02-293593-19 en 02-055361-20 (gevoegd ter terechtzitting)

vonnis van de meervoudige kamer van 17 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1968, te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de PI Dordrecht, Kerkeplaat 25, 3313 LC Dordrecht,

raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Parketnummer 02-293593-19:

hij op of omstreeks 7 december 2019 te Roosendaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven althans om aan die [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet: die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in (rondom) de linker borst, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 december 2019 te Roosendaal, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in (rondom) de linker borst, althans het lichaam te steken.

Parketnummer 02-055361-20

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Roosendaal, [naam 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen:
"Jouw zoon moet normaal doen. Als hij de volgende keer iets zegt, zal ik een mes pakken en hem helemaal open snijden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

Parketnummer 02-055361-20

De raadsman heeft betoogd dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is. In de tenlastelegging is opgenomen dat [naam 1] is bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht door tegen hem te zeggen: “Jouw zoon moet normaal doen. Als hij de volgende keer iets zegt, zal ik een mes pakken en hem helemaal open snijden.” [naam 1] is de aangever van het feit en is geboren op [geboortedag naam 1] 2005. [naam 1] heeft geen zoon. Echter, blijkens de dossierstukken is de bedreiging niet tegen aangever geuit, maar tegen zijn vader betreffende diens zoon (aangever [naam 1] ). Dat de zoon van [naam 1] zou zijn bedreigd, zoals is tenlastegelegd, kan niet kloppen.

De rechtbank volgt het verweer van de raadsman in deze. Er is sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid in de tenlastelegging nu deze niet overeenkomt met de feitelijke informatie zoals deze uit het dossier blijkt. Uit de tenlastelegging wordt niet duidelijk wie er is bedreigd en onder welke omstandigheden dat is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze tenlastelegging niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De dagvaarding dient, gelet op het voorgaande, nietig te worden verklaard.

Parketnummer 02-293593-19

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit onder parketnummer 02-293593-19 heeft begaan. Zij acht de poging doodslag wettig en overtuigend bewezen en baseert zich op de aangifte van [slachtoffer] , de beschrijving van de beelden van de [naam winkel 1] en de [naam winkel 2] , haar eigen waarneming van deze beelden en het bij aangever aangetroffen letsel volgens de medische informatie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder parketnummer 02-293593-19 tenlastegelegde feit . Bij aangever [slachtoffer] is een verwonding op de borst aangetroffen. Echter, verdachte heeft betwist dat hij deze verwonding heeft toegebracht. Hij betwist dat hij een mes in de hand had en daarmee heeft gestoken. Alleen aangever heeft verklaard dat verdachte een mes bij zich had. Andere getuigen spreken daar niet over. Volgens de medische informatie van forensisch arts [naam 5] kan geen uitspraak gedaan worden of de verwonding een steekwond is. Daar komt bij dat er een mes is aangetroffen vlakbij de plaats delict, dat dit is onderzocht en dat er DNA van een bekende van justitie op is aangetroffen, maar niet het DNA van aangever of van verdachte. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen daar nog nader onderzoek naar te doen. Ook is betoogd dat aangever pas een tijdje na het incident, volgens zijn eigen verklaring na ongeveer tien minuten, ontdekte dat hij was gestoken. Dat maakt een alternatief scenario dat een ander heeft gestoken, niet onaannemelijk. Gelet op deze omstandigheden is er onvoldoende overtuigend bewijs en dient verdachte vrijgesproken te worden van de poging doodslag.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 7 december 2019 deed [slachtoffer] aangifte. Hij was die dag bij de [naam winkel 2] aan de [straatnaam] in Roosendaal. Hij kwam daar [naam 2] en de hem bekende verdachte tegen. Toen hij de winkel uit kwam, zag hij dat verdachte boos was en meteen wilde vechten. Aangever pakte een krukje en gebruikte dat om zichzelf te verdedigen. Hij zag dat verdachte in zijn rechterhand een mes vasthad en met zijn rechterarm een stekende/prikkende beweging maakte. Aangever voelde na een paar minuten pijn aan de linkerzijde van zijn borst en zag dat er bloed door zijn shirt heen kwam. De wond was ongeveer 3 centimeter lang.1

Volgens de arts van de spoedeisende hulp was er sprake van een steekwond thoracaal. De wond is verbonden. 2 De forensische arts van de GGD heeft foto’s bekeken. Hij heeft gesteld dat de wond zich bevindt op ongeveer 10 centimeter lateraal van de linker tepel. De richting van de wond lijkt loodrecht op de ribben te staan. Over de ontstaanswijze van de wond (steekwond of niet) kan op grond van deze foto’s geen uitspraak worden gedaan. 3

Getuige [naam 2] is gehoord. Zij heeft verklaard dat zij een relatie heeft met verdachte en dat zij bij de [naam winkel 2] was toen ze door aangever werd uitgescholden. Verdachte is naar aangever gegaan om hem te straffen. 4

Er zijn beelden van de [naam winkel 1] veiliggesteld. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de beelden bekeken en heeft daarover het volgende gerelateerd. De beelden lopen 1 uur en 2 minuten voor op de daadwerkelijke tijd. Aangever komt om 19.23.33 uur in beeld lopen en loopt naar de [naam winkel 2] . Aangever is om 19.24.01 uur met een man en vrouw in gesprek voor de [naam winkel 2] . Daarna gaat aangever de winkel binnen. Verdachte komt om 19.25.28 uur in beeld en loopt op de vrouw af. Om 19.31.09 uur loopt aangever de [naam winkel 2] uit en gaat rechtsaf in de richting van de [naam winkel 1] . De vrouw duwt de verdachte in de andere richting mee. Aangever gebaart iets in de richting van de verdachte. Om 19.31.17 uur haalt verdachte iets met zijn rechterhand uit zijn zak. De vrouw probeert hem tegen te houden. Verdachte rukt zich los van deze vrouw en rent in de richting van aangever. Verdachte heeft iets glimmends in zijn rechterhand. Aangever pakt een krukje om zich te verdedigen tegen verdachte. Verdachte heeft iets in zijn rechterhand dat uitsteekt en glimt. Hij heeft iets van een puntig voorwerp in zijn rechterhand. Om 19.31.22 uur staat verdachte kort voor aangever. Aangever slaat verdachte met een plastic krukje. De verdachte beweegt met zijn rechterarm naar achteren. Op dat moment lijkt het puntige voorwerp weer zichtbaar te zijn. Om 19.31.24 uur maakt verdachte met zijn rechterhand een stekende beweging in de richting van de linkerborst van aangever. Gelet op de afstand tussen verdachte en aangever kan aangever daarbij geraakt zijn. Twee mannen komen uit de kapsalon en proberen tussen de mannen te komen. De verdachte probeert dan nog steeds bij aangever te komen. Verdachte houdt zijn rechterhand stijf langs zijn lichaam naar achteren. Verdachte wordt om 19.31.38 uur door de vrouw weggeduwd en loopt de steeg uit en gaat rechtsaf. 5

Er zijn beelden van de [naam winkel 2] . Verbalisant [verbalisant 2] heeft de beelden bekeken en heeft daarover het volgende gerelateerd. Het was in werkelijkheid 1:23 uur vroeger dan op de camerabeelden stond weergegeven. Omstreeks 19.50 uur kwam een man de [naam winkel 2] uitlopen. De verbalisant herkent hem als aangever. Aangever liep weg in de richting van de kapsalon. Een man liep in de richting van aangever. Gelet op het signalement moet dit verdachte zijn. Verdachte had een voorwerp in zijn rechterhand. Het gedeelte wat zichtbaar was van dit voorwerp, was ongeveer net zo lang als de breedte van zijn hand. Verdachte liep direct op aangever af. Het voorwerp in de rechterhand van verdachte weerkaatste licht. Aangever pakte een wit krukje en sloeg verdachte met het krukje. Het voorwerp in de rechterhand van verdachte weerkaatste wederom licht. De voorkant van het voorwerp wees in de richting van aangever. Verdachte bewoog zijn rechterhand omhoog met het voorwerp in zijn hand wijzend in de richting van aangever. Verdachte stak recht naar voren, met het voorwerp in zijn rechterhand in de richting van de borst van aangever.6

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ter plaatse was en dat hij degene was die door aangever met het krukje werd geslagen. 7

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een mes bij zich had, dat hij dit mes in zijn handen had op het moment dat hij met zijn arm zwaaide in de richting van de borst van aangever en daarmee heeft gestoken.

Aangever heeft in zijn aangifte expliciet verklaard dat verdachte een mes bij zich had. Op de camerabeelden van de [naam winkel 1] en de [naam winkel 2] is te zien dat, nadat verdachte door aangever met het krukje was geslagen, verdachte met een voorwerp in zijn rechterhand in de richting van aangever een beweging maakte in de richting van de linkerborst van aangever. Het voorwerp glom en volgens de waarneming van de verbalisant die de hiervoor aangehaalde beelden van de [naam winkel 1] heeft bekeken was het puntig. Deze waarneming ondersteunt de aangifte waarin over het mes wordt gesproken. De verdediging heeft erop gewezen dat in de handgeschreven tekst van de aangifte vermeld staat dat het om een mesje gaat. Dit past bij de beperkte omvang van de wond. Verder is de verwonding bij aangever aangetroffen op de linkerborst, de plaats waar verdachte zijn rechterarm op richtte. Gelet op deze omstandigheden, kan het niet anders dan dat verdachte een mes bij zich heeft gehad, waarmee hij aangever heeft gestoken. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door het feit dat verdachte na de stekende beweging zijn arm op een onnatuurlijke wijze strak naast zijn lichaam hield en het ervoor moet worden gehouden dat verdachte iets wilde verbergen.

Verdachte heeft ontkend een mes bij zich te hebben gehad en de verwonding op de borst van aangever te hebben veroorzaakt. Hij heeft gezegd dat hij wel een telefoon bij zich had en dat hij die in zijn hand had. De verdediging heeft een alternatief scenario geschetst, inhoudend dat een ander dan verdachte de verwonding kan hebben toegebracht bij aangever. Immers, zo stelt de verdediging, is er een mes aangetroffen waarop het DNA van een derde persoon zat. Dat mes bevond zich niet op de plaats delict maar niet ver daar vandaan. Verder wekt het bevreemding dat aangever heeft verklaard dat hij pas later ontdekte dat hij een verwonding had opgelopen en gelet op dit tijdsverloop het niet onaannemelijk is dat een ander de verwonding heeft toegebracht, aldus de verdediging

Het alternatief scenario is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Er zijn geen aanwijzingen dat aangever de verwonding op de borst elders of op een ander moment heeft opgelopen. Immers, aangever heeft niets verklaard over problemen dan wel een aanvaring met derden op die bewuste dag. Buiten het aantreffen van een mes niet ver van de plaats delict is er niets dat het alternatief scenario ondersteunt. Op dit elders gevonden mes is geen DNA van aangever of van verdachte aangetroffen terwijl voor de hand zou liggen dat er ten minste enige sporen van aangever zouden zijn gevonden als hij – door iemand anders – met dit mes verwond zou zijn. De rechtbank ziet het feit dat het mes daar lag als een toevalligheid.

Dat aangever pas na het incident bemerkte dat hij gewond was, maakt niet dat het alternatief scenario opgaat. Niet duidelijk is geworden hoe lang er zat tussen de steekpartij en het ontdekken van de verwonding door aangever nu hij daarover wisselend heeft verklaard. Bij de aangifte heeft hij gezegd dat hij na een paar minuten voelde dat hij pijn had en toen zag dat hij bloedde. Op de zitting heeft hij verklaard dat het tien minuten of korter was. Wat hier ook van zij, het is voorstelbaar dat aangever niet meteen de pijn voelde en het enkele feit dat hij dat niet meteen voelde, biedt onvoldoende ondersteuning voor het alternatief scenario.

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank dient vervolgens vast te stellen of verdachte voorwaardelijk opzet op zijn dood heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Vast is komen te staan dat verdachte aangever een verwonding heeft toegebracht op de linkerborst door met een mes te steken. Volgens de letselbeschrijving van de GGD was er sprake van een verwonding ongeveer 10 centimeter lateraal van de linkertepel. De richting van de wond leek loodrecht op de ribben te staan.

Door met een mes in de borst te steken, is er sprake van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. Immers, in de borststreek bevinden zich vitale organen. Dat is een algemene ervaringsregel, zodat eenieder – en dus ook verdachte – wetenschap heeft van het bestaan van deze aanmerkelijke kans.

Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is echter niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Hoewel verdachte heeft ontkend dat hij slachtoffer om het leven wilde brengen, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt dat het, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer door hem met het mes te steken, zodat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de hem primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 02-293593-19:

op 7 december 2019 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet: die [slachtoffer] met een mes, in de linker borst, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de betoogde vrijspraak, dient geen straf te worden opgelegd. Indien toch een straf dient te worden opgelegd, moet rekening worden gehouden met de omstandigheden dat verdachte en aangever elkaar al kenden, dat zij een slechte relatie hadden en dat er sprake was van betrekkelijk licht letsel. Een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest is dan passend.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] door hem met een mes in de linkerborst te steken. De richting van de wond stond loodrecht op de ribben. Dit had zomaar verkeerd af kunnen lopen als er op een iets andere locatie in de borst zou zijn gestoken. Dat [slachtoffer] niet is komen te overlijden, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Door zijn handelen heeft verdachte op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als het onderhavige gedurende lange tijd de negatieve psychische gevolgen daarvan kunnen ervaren. Dit volgt ook uit de verklaring die de benadeelde op zitting heeft afgelegd. De rechtbank vindt dit een ernstig feit.

Bij de bepaling van de zwaarte van de straf neemt de rechtbank de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd tot uitgangspunt . Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank enkel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de forse documentatie van verdachte, waarop ook geweldsdelicten voorkomen. Alles afwegend is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend en de rechtbank zal deze straf ook opleggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.000,= voor het feit onder parketnummer 02-293593-19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank is van oordeel dat immateriële schade, door de rechtbank schattenderwijs vastgesteld op een bedrag van € 1.000,=, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het meerdere acht de rechtbank het gevorderde bedrag bij gebrek aan nadere informatie, onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de vaststelling daarvan een onevenredige belasting van deze zaak zou opleveren

Met betrekking tot de toegekende vordering van voornoemde benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding in de zaak onder parketnummer 02-055361-20 nietig;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Parketnummer 02-209593-19:

Primair: Poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.000,=, ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.000,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Broeders, voorzitter, mr. Van der Weide en mr. De Weert, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juni 2020.

Mr. Broeders en mr. Van der Weide zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB2R019116 Gompie van politie Zeeland of Midden- of West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 115. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 27 en 28.

2 De medische informatie van de spoedeisende hulp van het [naam 3] door dr. [naam 4] , p. 35 en 36.

3 De letselbeschrijving door dr. [naam 5] van de GGD, p. 37 en 38.

4 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 2] , p. 41.

5 Het proces-verbaal bevindingen betreffende de camerabeelden bij de [naam winkel 1] , p. 48 tot en met 60.

6 Het proces-verbaal bevindingen betreffende de camerabeelden bij de [naam winkel 2] , p. 64 en 65.

7 Het proces-verbaal verhoor verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2020.