Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2542

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
AWB- 19_6441 en AWB- 19_6443
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB- 19_6441 en AWB- 19_6443

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/6441 GEMWT en BRE 19/6443 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaatsnaam], eiseres

gemachtigde: mr. F.J. Koningsveld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen (het college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 9 mei 2019 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd tot het beëindigen en beëindigd houden van het gebruik van het perceel in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

In het besluit van 2 oktober 2019 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. In een ander besluit van 2 oktober 2019 (bestreden besluit II) heeft het college een bedrag van € 6.000,- aan verbeurde dwangsommen ingevorderd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiseres mede gericht tegen bestreden besluit II.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank van 2 juni 2020. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eiseres en haar echtgenoot [echtgenoot] en namens het college mr. S.F.J. Gelevert.

Overwegingen

1 Feiten

Eiseres is eigenaar van het perceel aan [perceel] in [plaatsnaam] en heeft op dat perceel ook een woning.

Per brief van 20 juni 2018 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen. In die brief staat dat de politie Zeeland – West-Brabant op 7 maart 2018 een controle heeft uitgevoerd op het perceel van eiseres en dat er toen verdovende middelen zijn aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft de burgemeester van de Gemeente Rucphen besloten het gehele perceel op 1 juni 2018 te sluiten voor de duur van twee maanden. Op 8 mei 2018 is het verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de sluiting besproken bij deze rechtbank. Tijdens die zitting heeft eiseres kenbaar gemaakt dat een gedeelte van haar woning een apart en afgesloten gedeelte betreft dat zij verhuurt aan mevrouw [verhuurder]. Dit blijkt uit een huurcontract dat op 8 januari 2018 ondertekend is. Hierdoor wordt de woning door twee huishoudens in gebruik genomen. In de bestemmingsplanregels van het vigerende bestemmingsplan [bestemmingsplan] (de planregels) is opgenomen dat het perceel bestemd is voor de huisvesting van één huishouden. Het gebruik is daarom in strijd met de planregels, aldus het college. Daarnaast zou de woning in strijd met de bouwvergunning van 15 juni 1994 gebouwd zijn.

Per brief van 14 maart 2019 heeft het college aan eiseres een herzien voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen. Volgens het college heeft eiseres de strijdigheden die zijn opgenomen in het voornemen van 20 juni 2018 niet beëindigd.

Op 19 maart 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de echtgenoot van eiseres, de heer [echtgenoot], en twee medewerkers van de gemeente Rucphen, mr. S.F.J. Gelevert en [medewerker]. Uit het gespreksverslag dat op 19 maart 2019 is opgesteld door Gelevert, blijkt dat [echtgenoot] de toezegging heeft gedaan het huurcontract op te zeggen en niet langer een tweede huishouden in de aanbouw te zullen huisvesten. Door de medewerkers van de Gemeente Rucphen is toegezegd dat hem een redelijke begunstigingstermijn wordt geboden zodat [verhuurder] nieuwe huisvesting kan vinden.

[echtgenoot] heeft een zienswijze ingediend tegen het voornemen van 14 maart 2019.

Bij het primaire besluit heeft het college aan eiseres, overeenkomstig het voornemen, een last onder dwangsom opgelegd in verband met de voortdurende strijdigheid met de planregels op haar perceel. Het college heeft eiseres gelast om vóór 1 juli 2019 deze strijdigheid op te heffen door de bewoning door twee huishoudens op het perceel te beëindigen. Dit betekent concreet dat eiseres het huurcontract met [verhuurder] moet ontbinden en dat er niet langer iemand in de aanbouw mag wonen die niet tot het huishouden van eiseres behoort. Het college heeft daarbij vermeld dat, als eiseres nalaat om binnen de gestelde termijn deze strijdige situatie op te heffen, zij een dwangsom verbeurt van € 6.000,-.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 12 juli 2019 hebben twee inspecteurs handhaving van de gemeente Rucphen het perceel van eiseres gecontroleerd. De inspecteurs hebben van hun bevindingen een controlerapport opgemaakt op 15 juli 2019. Uit het rapport blijkt dat het achterste gedeelte van de woning, de aanbouw, nog steeds verhuurd werd. De huurster was aanwezig en heeft de inspecteurs toestemming gegeven om in haar woning te kijken. Zij heeft blijkens het rapport verklaard nooit op de hoogte te zijn gebracht door eiseres dat bewoning in de aanbouw niet is toegestaan.

Per brief van 22 juli 2019 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om de dwangsom in te vorderen. Volgens het college is uit de controle van 12 juli 2019 gebleken dat eiseres de aanbouw nog steeds aan [verhuurder] verhuurt. Hierdoor heeft zij niet tijdig aan de last voldaan, waardoor de dwangsom van € 6.000,- verbeurd is.

Op 20 augustus 2019 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij bestreden besluit I heeft het college, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften (de Commissie), de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens de Commissie is niet in geschil dat het perceel door nog een afzonderlijk huishouden wordt bewoond en dat dit in strijd is met de planregels. De Commissie stelt zich op het standpunt dat het college in alle redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het aanzeggen van een last onder dwangsom.

Bij bestreden besluit II heeft het college besloten de verbeurde dwangsom van € 6.000,- in te vorderen. Het college legt hieraan ten grondslag dat bij het verbeuren van de dwangsom van rechtswege een betalingsverplichting is ontstaan. Volgens het college is er geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval afgezien moet worden van het invorderen van de gelden.

2 Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3 Omvang geschil

Niet in geschil is dat eiseres haar perceel in strijd met de planregels heeft gebruikt. Het college is daarom bevoegd om handhavend op te treden. Tussen partijen is in geschil of er desondanks reden is om van handhaving af te zien. Daarnaast ligt aan de rechtbank de vraag voor of het college terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om over te gaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsom.

4 Beoordeling

4.1.

Bijzondere omstandigheden

Eiseres betoogt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het college van handhaving zou moeten afzien. Er is sprake van een doorlopend huurcontract met [verhuurder] en eiseres heeft alles in het werk gesteld om het huurcontract te beëindigen. Het is eiseres gelukt om [verhuurder] per 1 oktober 2019 te laten verhuizen en zij heeft de woning al per 1 september 2019 verlaten.

Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres er niet alles aan gedaan heeft om het huurcontract te beëindigen. Uit het huurcontract dat eiseres heeft toegezonden aan het college blijkt dat deze op 8 januari 2019 zou aflopen. Zij heeft het huurcontract echter verlengd, waardoor de overtreding in stand werd gehouden. Volgens het college is er geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor hij van handhaving zou moeten afzien.

De rechtbank overweegt dat, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan daarvan af zien. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3273). De rechtbank is met het college van oordeel dat eiseres geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.

4.2.

Begunstigingstermijn

Eiseres heeft aangevoerd dat de begunstigingstermijn tot 1 juli 2019 te kort is om de strijdige situatie op te heffen. Er was sprake van een doorlopend huurcontract en dat is niet gemakkelijk te beëindigen. Eiseres erkent dat er sprake was van een huurcontract voor tijdelijk huur, maar het was voor haar nog niet duidelijk dat de handhavingsprocedure gedurende de looptijd van het huurcontract zou worden doorgezet. Toen dit wel duidelijk werd, heeft eiseres alles in het werk gesteld om het huurcontract op een redelijk termijn te beëindigen en dat is ook gelukt.

Het college stelt zich op het standpunt dat hij eiseres al op 20 juni 2018 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft verzonden, zodat eiseres vanaf die datum op de hoogte was van de overtreding. Ondanks deze wetenschap heeft eiseres het huurcontract met [verhuurder] verlengd. Hierdoor heeft zij de geconstateerde overtreding in stand gehouden. Dit dient voor rekening van eiseres te komen, aldus het college. Daarnaast heeft het college de begunstigingstermijn in lijn met de Landelijke Handhavingsstrategie vastgesteld op twee maanden.

De rechtbank overweegt dat als er een begunstigingstermijn moet worden gegeven, het van belang is dat de gekozen termijn redelijk is. Dit betekent dat de last technisch uitvoerbaar moet zijn binnen die termijn, maar ook dat die termijn niet langer mag zijn dan redelijkerwijs nodig is om de overtreding te beëindigen. De rechtbank is met het college van oordeel dat eiseres al op 20 juni 2018 op de hoogte was van de overtreding en vanaf die datum maatregelen had kunnen nemen om de overtreding te beëindigen. Daarbij is de begunstigingstermijn ook niet dermate kort dat het niet mogelijk zou zijn om de strijdige situatie op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.3.

Hoogte dwangsom en invordering

Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het opleggen van een dwangsom niet aan de orde is. Subsidiair stelt ze zich op het standpunt dat de hoogte van deze dwangsom buitenproportioneel is en dat deze voor matiging in aanmerking dient te komen.

Het college stelt zich op het standpunt dat de vastgestelde hoogte van de reeds verbeurde dwangsom lager is dan € 9.900,- die de Landelijke Handhavingsstrategie voorschrijft. Het college heeft geschat hoeveel eiseres aan huurinkomsten heeft ontvangen en is daarbij uitgekomen op een bedrag van € 6.000,-. Het college acht de hoogte van deze dwangsom proportioneel.

De rechtbank is niet gebleken dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding zou staan tot de ernst van de overtreding en het met de ongedaanmaking daarvan te dienen belang. Daarbij is van belang dat van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt nagekomen en verbeurte van de dwangsom wordt voorkomen. Het college heeft hierbij beoordelingsvrijheid. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat bestreden besluit II onjuist is, aangezien de overtreding door eiseres niet betwist wordt. Dat betekent dat de dwangsom van € 6.000,- is verbeurd. Uit vaste rechtspraak blijkt dat aan het belang van invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom.1 Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Eiseres heeft in dit verband geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.

4.4.

De conclusie is dat bestreden besluit I en II in rechte stand houden. Het beroep is daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 12 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader

Gemeentewet

Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Artikel 5:39, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’ (planregels)

Artikel 15.1.1, aanhef en onder a, van de planregels bepaalt dat de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden bestemd zijn voor: voor de huisvesting van één huishouden.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5935.