Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2540

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
AWB- 20_48
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB- 20_48

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/48 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaatsnaam], eiseres

gemachtigde: mr. A.J.M. van der Borst,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur (het college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 1 mei 2019 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een individuele gehandicaptenparkeerplaats afgewezen.

In het besluit van 26 november 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank van 2 juni 2020. Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde en namens het college [medewerker1] en [medewerker2].

Overwegingen

1 Feiten

Eiseres beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder.

In 2015 heeft zij een aanvraag ingediend voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats ter hoogte van haar woning aan de [adres] in [plaatsnaam]. Het college heeft de aanvraag toen afgewezen vanwege de mogelijkheden om het eigen terrein aan te passen. Het bezwaar van eiseres zag toen met name op de breedte van de oprit in relatie tot het passeren van de auto met de scootmobiel. Het college heeft de bezwaren van eiseres tegen het afwijzende besluit ongegrond verklaard.

Op 9 april 2019 heeft eiseres opnieuw een aanvraag ingediend voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats ter hoogte van haar woning aan de [adres] in [plaatsnaam].

In het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres beschikt over parkeergelegenheid op eigen terrein. Hierdoor voldoet zij niet aan alle criteria van de ‘Beleidsregels toewijzen van individuele gehandicaptenparkeerplaatsen’ (Beleidsregels), aldus het college.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college, overeenkomstig het advies van de commissie voor de bezwaarschriften (de commissie), de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Volgens de commissie heeft eiseres haar stelling dat de eigen parkeerplaats niet bruikbaar is omdat deze te veel helt, niet op enige wijze objectief onderbouwd. De commissie acht dit onvoldoende om te oordelen dat de eigen parkeerplaats niet bruikbaar is.

2 Omvang van het geschil

Tussen partijen is in geschil of het college terecht de aanvraag voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats heeft afgewezen. Niet is in geschil dat eiseres zelf een voertuig bestuurt en houder is van een bestuurderskaart zoals genoemd in artikel 1 van de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart. Dat de parkeerdruk in de straat waar eiseres woont hoog is, is ook niet in geschil. In geschil is of eiseres een parkeermogelijkheid heeft op eigen terrein.

3 Beoordeling

3.1.

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.2.

Eiseres betoogt dat het aan het college is om gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen, althans aannemelijk te maken, dat een eventuele eigen parkeergelegenheid adequaat en toereikend is. Volgens eiseres lag het niet op haar weg om aan te geven dat de parkeergelegenheid te veel helt, maar heeft zij dit toch gedaan. Het college is vervolgens in gebreke gebleven om aan te geven dat en om welke redenen de parkeergelegenheid wel geschikt zou zijn.

Volgens eiseres is het niet duidelijk of het college beleid heeft met betrekking tot het beschikbaar stellen van gehandicaptenparkeerplaatsen aan de openbare weg. In ieder geval heeft het college geen rekening gehouden met de CROW-richtlijnen en de richtlijnen van de Chronische zieken en Gehandicapten Raad Nederland. Dit klemt omdat in de directe omgeving van de woning van eiseres wel dergelijke parkeerplaatsen zijn ingericht ten behoeve van andere bewoners. Het bestreden besluit mist een toereikende motivering en het college had in redelijkheid niet tot dat besluit kunnen komen, aldus eiseres.

3.3.

Het college stelt zich op het standpunt dat, gelet op de grote afmetingen van het eigen terrein en de toegankelijkheid van de oprit, er sprake is van parkeermogelijkheid op eigen terrein. Dat er een lichte helling in zit doet daar niet aan af, aldus het college. Indien de helling een belemmering vormt bij het in- en uitstappen, kan eiseres de oprit laten egaliseren of herstraten. Stichting [naam stichting] is de eigenaar van het perceel en heeft aangegeven er geen bezwaren tegen te hebben als de oprit wordt aangepast naar de behoeften van eiseres.

Voor wat betreft het beleid, verwijst het college naar de Beleidsregels. De richtlijnen die door CROW zijn opgesteld, gelden voor gehandicaptenparkeerplaatsen in het openbaar gebied en niet op privéterrein. Het college erkent dat er in de [adres2], de straat waarmee eiseres haar oprit kan bereiken, meerdere gehandicaptenparkeerplaatsen zijn gerealiseerd. In die gevallen was er geen sprake van een parkeermogelijkheid op eigen terrein. Volgens het college is er geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij van het beleid zou moeten afwijken. Daarbij speelt mee dat er in de straat van eiseres sprake is van een dusdanig hoge parkeerdruk, dat ‘half-parkeren’ op het trottoir inmiddels is toegestaan. Het toewijzen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats in het openbaar gebied ten behoeve van eiseres is onevenredig gelet op deze parkeerdruk en het feit dat er een parkeermogelijkheid is op eigen terrein, aldus het college.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat de woning van eiseres een hoekwoning is met een garagebox en een eigen oprit. Het is niet in geschil dat de oprit ongeveer 7,5 meter lang en ongeveer 3 meter breed is. Ook staat vast dat het college in 2016 de inritconstructie aan de zijde van de [adres2] heeft verbreed van ongeveer 3,5 meter naar ongeveer 6 meter om het oprijden van de oprit voor eiseres gemakkelijker te maken.

De rechtbank overweegt dat het aanwijzen van een gehandicaptenparkeerplaats bij verkeersbesluit moet en dat het college hierbij een zekere mate van beoordelingsruimte heeft. Dat betekent dat de invulling hiervan door de bestuursrechter terughoudend moet worden getoetst. Volgens de Beleidsregels weegt het college bij de uitvoering van zijn bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen over gehandicaptenparkeerplaatsen steeds mee, of de aanvrager de beschikking heeft over een eigen parkeermogelijkheid. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.

Eiseres heeft in haar aanvraag vermeld dat zij een parkeermogelijkheid op eigen terrein heeft. Ter zitting heeft zij erkend dat zij zowel voor- als achteruit op de oprit kan parkeren, maar dat zij dit lastig vindt. Deze stelling van eiseres is onvoldoende om aannemelijk te maken dat er daardoor geen parkeermogelijkheid is. De stelling dat de eigen parkeermogelijkheid niet voldoet aan de CROW-richtlijnen behoeft geen afzonderlijke bespreking, omdat het gaat om de vraag of eiseres een parkeermogelijkheid heeft op eigen terrein en dat is het geval. Het gegeven dat deze parkeermogelijkheid voor eiseres nu mogelijk minder praktisch is dan een (toegewezen) parkeerplaats aan de voorzijde van haar woning doet daar niet aan af. Het college heeft terecht gesteld dat eiseres de parkeermogelijkheid op haar eigen terrein kan (laten) aanpassen aan haar behoeften.

De conclusie is dan ook dat eiseres een parkeermogelijkheid heeft op eigen terrein, waarvan zij gebruik kan maken als elders parkeren door de plaatselijke parkeerdruk niet mogelijk is. Het college heeft de aanvraag daarom in redelijkheid kunnen afwijzen.

4 Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 12 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: wettelijk kader

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)

Artikel 12, aanhef en onder a, van het BABW, bepaalt, voor zover relevant, dat plaatsing van het bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats), als bedoeld in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, krachtens een verkeersbesluit moet geschieden.

Beleidsregels toewijzen van individuele gehandicaptenparkeerplaatsen (Beleidsregels)

Uit de Beleidsregels blijkt, voor zover relevant, dat voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats in aanmerking kunnen komen:

1. Personen die zelf een voertuig besturen en houder zijn van een bestuurderskaart, zoals genoemd in artikel 1 van de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart. (…)

Bij de beoordeling van alle ingekomen aanvragen wordt steeds gekeken naar de parkeerdruk in de directe omgeving waar de aanvrager (m/v) woonachtig is, het al dan niet hebben van een parkeermogelijkheid op eigen terrein, de verkeersveiligheid en doorstroming van het verkeer. Verder wordt bij het toewijzen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats deze parkeerplaats uitsluitend op kenteken aangelegd.