Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:254

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-01-2020
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
AWB- 18_3022 WABOA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning fase 1 (planologisch afwijken) vitaliteitshotel te Domburg.

Beroepen deels niet-ontvankelijk. Kring belanghebbenden, wat zijn de gevolgen van enige betekenis van bouwplan (hotel met horeca- en wellnessvoorziening)?

Goede ruimtelijke ordening, goede ruimtelijke onderbouwing? Besluit wordt vernietigd wegens niet voldoen aan twee stedenbouwkundige randvoorwaarden. College had vergunning niet mogen verlenen zonder verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad. Ook vernietiging vanwege gehanteerd percentage voor dubbelgebruik parkeerplaatsen en gehanteerde uitgangspunten voor verkeersgeneratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/3022 WABOA, BRE 18/3161 WABOA, BRE 18/3162 WABOA, BRE 18/3163 WABOA, BRE 18/3164 WABOA, BRE 18/3165 WABOA, BRE 18/3166 WABOA, BRE 18/3167 WABOA, BRE 18/3168 WABOA, BRE 18/3170 WABOA, BRE 18/3171 WABOA en BRE 18/3190 WABOA

uitspraak van 20 januari 2020 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [naam eiser 1], te [naam woonplaats] ,

gemachtigde: mr. E.T. Stevens,

2. [naam eiser 2], te Bloemendaal,
gemachtigde: F. Verveld,

3. Stichting Leefbaarheid Kom [naam woonplaats], te [naam woonplaats] (en 110 mede-eisers, zie bijlage),

4. [naam eiser 4], te Middelburg,

5. [naam eiser 5], te Amsterdam,

6. [naam eiser 6], te [naam woonplaats] ,

7. [naam eiser 7] en [naam eiser 8], te [naam woonplaats] ,

8. [naam eiser 9] en [naam eiser 10], te [naam woonplaats] ,

9. [naam eiser 11], te Bergen op Zoom,

10. [naam eiser 12] en [naam eiser 13], te [naam woonplaats] ,

11. [naam eiser 14], te [naam woonplaats] ,

12. [naam eiser 15] en [naam eiser 16], te [naam woonplaats] ,
gemachtigde eisers 3 t/m 12: A.H. van Leeuwen,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] (rechtsopvolger van B’s Onroerend Goed B.V.), te Domburg ,

gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 22 februari 2018, gewijzigd op 28 maart 2018 (bestreden besluit) van het college over het verlenen van een omgevingsvergunning eerste fase aan [naam derde partij] ( [naam derde partij] ) voor activiteiten in het kader van haar wens om een vitaliteitshotel te realiseren aan de Schelpweg, Beatrixstraat en Weverijstraat te [naam woonplaats] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 17 juni 2019.

Eiser 1, [naam eiser 1] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Stevens. [naam eiser 1] heeft ook L.A.W. van Berkel (Bureau Pouderoyen) als deskundige meegebracht naar de zitting.

Eiseres 2, [naam eiser 2] , heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde Verveld.

Eiseres 3, de Stichting Leefbaarheid Kom Domburg (SLKD), heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde Van Leeuwen en door [naam secretaris] (secretaris).

Eiseres 4, de [naam eiser 4] , heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde Van Leeuwen en door [naam voorzitter] (voorzitter).

De overige eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde Van Leeuwen.

Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.E. Jansen-Van der Hoek, S.M. den Haan en F. van der Hagen.

[naam derde partij] ( [naam derde partij] ) heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam derde partij] . [naam derde partij] heeft als deskundigen meegebracht naar de zitting: S. la Grand (Rho Adviseurs) en W.J. Koster (Huibrechtse Koster Consultants).

Het onderzoek is ter zitting geschorst, omdat nader onderzoek noodzakelijk is gebleken.

 Gemachtigden Van Leeuwen en Stevens zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de door het college ingebrachte rapporten van Rho Adviseurs B.V.

 Gemachtigde Keizer en het college zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een standpunt in te nemen over het belang van de personen die beroep hebben ingesteld en een volmacht hebben gegeven aan de SLKD.

 Gemachtigde Keizer is tevens in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de door gemachtigde Stevens overgelegde aanvulling op de second opinion: ‘Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren’ (zaaknummer BRE 18/3022 WABOA).

De rechtbank heeft partijen er daarbij uitdrukkelijk op gewezen dat zij in hun reacties binnen de omvang van het geding dienden te blijven. Afgesproken is verder dat partijen daarna nog één maal de gelegenheid krijgen om te reageren: gemachtigde Van Leeuwen voor wat betreft de belanghebbendheid, gemachtigde Stevens voor wat betreft de reactie op de rekentool en gemachtigde Keizer en het college voor wat betreft de reacties op de Rho-rapporten.

Op 28 oktober 2019 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 17 maart 2016 heeft [naam derde partij] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning fase 1 voor onderdelen van een nieuw te realiseren vitaliteitshotel op de locatie van het voormalig KPN-gebouw aan de [adres 5] te [naam woonplaats] , aangevuld met percelen aan de Beatrixstraat en [adres 2] -13. Met ingang van 12 oktober 2016 heeft het college het ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning fase 1 met bijbehorende stukken ter inzage gelegd. Het college heeft een kennisgeving van het ontwerpbesluit gepubliceerd. Tegen het ontwerpbesluit zijn meerdere zienswijzen ingediend, onder andere door eisers.

Bij besluit van 22 februari 2018 heeft het college een omgevingsvergunning fase 1 verleend voor de activiteiten:

  1. het (gedeeltelijk) slopen van bestaande opstallen;

  2. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

  3. het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het veranderen van het gebruik daarvan.

Het college heeft in een separaat zienswijzenrapport op de zienswijzen van eisers gereageerd.

Beroepsgronden

2. Eiser 1, [naam eiser 1] , woont aan de [adres 1] te [naam woonplaats] , nabij het in geding zijnde project. [naam eiser 1] heeft tegenover de ruimtelijke onderbouwing van [naam derde partij] een second opinion van Tonnaer ingebracht, die in het kader van het beroepschrift als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De beroepsgronden van [naam eiser 1] hebben verder met name betrekking op duurzaamheid van het bouwplan en het woon- en leefklimaat. [naam eiser 1] vreest voor geluidsoverlast, een inbreuk op zijn privacy, schaduwwerking vanwege het bouwplan en een toename van verkeersbewegingen met de daaruit voortvloeiende overlast en verkeersonveilige situaties.

Eiseres 2, [naam eiser 2] , is eigenaresse van de woning [adres 2] te [naam woonplaats] , dat grenst aan het in geding zijnde project. Haar beroepsgronden hebben met name betrekking op het woon- en leefklimaat. Zij vreest voor inkijk en verminderde zonlichttoetreding. Daarnaast vreest ook zij voor geluidsoverlast. Zij veronderstelt dat het woonklimaat ter plaatse van haar woning door de bouwhoogte, vorm en situering van het hotel zodanig verslechtert dat de woning niet meer aantrekkelijk is voor permanente bewoning. Zij wijst erop dat zij het college heeft verzocht om de omgevingsvergunning alleen te verlenen indien ook de bestemming van haar perceel wordt gewijzigd van woonbestemming in een bestemming die recreatieve bewoning mogelijk maakt. Als de permanente woonbestemming voor haar woning wordt gehandhaafd, dan is het bouwplan voor haar niet aanvaardbaar.

Eiseres 3, de SLKD, heeft aangevoerd dat de gemeenteraad zijn besluit van 31 mei 2012, tot het vaststellen van de stedenbouwkundige randvoorwaarden, in strijd heeft genomen met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook is er op geen enkele manier rekening gehouden met de belangen van de omwonenden en met de leefbaarheid in de leefomgeving. Ook de omgevingsvergunning eerste fase is volgens de SLKD in strijd met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur verleend (zorgvuldigheids-, motiverings-, rechtszekerheids-, gelijkheids- en vertrouwensbeginsel). Omdat voor de SLKD vast staat dat de stedenbouwkundige randvoorwaarden in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, kan onmogelijk worden gezegd dat het in geding zijnde project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder faalt de ruimtelijke onderbouwing op 62 in het beroepschrift nader omschreven punten, waaronder de parkeernormen.

De SLKD stelt zich op het standpunt dat het in geding zijnde bouwplan de belangen van omwonenden onevenredig aantast. Zij vindt dat er sprake is van een onacceptabele schaduwwerking.

De SLKD heeft voorts gewezen op de belangenverstrengeling van wethouder [naam wethouder 1] . Ook de rol van burgemeester Van der Zwaag is volgens de SLKD discutabel.

Het college heeft volgens de SLKD nagelaten te onderzoeken wat de gevolgen van de bouw van de parkeerkelder zal hebben op de grondwaterstanden en stromen en ook op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Tevens heeft het college nagelaten om een Milieu-Effect-Rapportage (MER) op te stellen.

De SLKD heeft een contraexpertise van Kubiek Ruimtelijke Plannen ingebracht.

Eisers 12, [naam eiser 15] en [naam eiser 16] , wonen aan de [adres 3] te [naam woonplaats] . Zij vinden dat zij als belanghebbenden moeten worden beschouwd omdat hun woon- en leefklimaat beduidende gevolgen zal ondervinden van het project. Daarbij merken zij op dat hun belangen bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving verweven zijn met de belangen op grond van de Natuurbeschermingswet tot bescherming van het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Zij achten het voorstelbaar en aannemelijk dat – met name – het realiseren van de voorziene parkeerkelder invloed zal hebben op de grondwaterstanden en –stromen en op de (ondergrond van de) in de omgeving van het projectgebied gelegen bebouwing.

Ook [naam eiser 15] en [naam eiser 16] stellen dat het besluitvormingstraject gecorrumpeerd is geweest. Zij verwijzen in dat kader naar het rapport van 20 april 2018 naar aanleiding van het onderzoek naar de integriteit van wethouder [naam wethouder 1] en dat dit rapport voor [naam wethouder 1] aanleiding is geweest om op 15 mei 2018 zijn functie van wethouder (en later ook zijn raadslidmaatschap) neer te leggen. Zij wijzen daarbij tevens op de zakelijke belangen tussen [naam wethouder 1] en [naam derde partij] .

De rechtbank stelt verder vast dat vrijwel alle eisers daarnaast hebben verzocht om hun zienswijzen als herhaald en ingelast te beschouwen. Het college is in een zeer uitgebreide zienswijzenota uitvoerig op alle zienswijzen ingegaan. Voor zover eisers in hun beroepschriften niet hebben aangegeven dat en waarom de weerlegging van de betreffende grond in de zienswijzenota niet deugt, zal de rechtbank niet opnieuw tot een beoordeling van de niet expliciet in beroep herhaalde gronden ingaan.

Ontvankelijkheid/belanghebbendheid

3. Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder ‘belanghebbende’ verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ten aanzien van rechtspersonen worden op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

4. Een natuurlijk persoon dient, om als belanghebbende bij een besluit in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) – bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4007 – een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1546), heeft de wetgever de eis van een rechtstreeks belang gesteld, teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen.

Zoals de AbRS heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen van de activiteit wel zijn vast te stellen, maar deze voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de bewoners/eigenaars van de woningen aan de Schelpweg, de Beatrixstraat en de westzijde van de Weverijstraat (oneven huisnummers) in elk geval als belanghebbenden worden aangemerkt omdat zij vanaf hun perceel zicht hebben op het in geding zijnde bouwplan of hun perceel dichtbij het bouwplan ligt. Dat betekent dat eisers [naam eiser 1] en [naam eiser 2] in elk geval als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, en dat hun beroepen ontvankelijk zijn.

De rechtbank heeft zich in het licht van voormeld criterium de vraag gesteld wat bij het in geding zijnde bouwplan – hotel met horeca- en wellnessvoorziening – daarnaast ook gevolgen van enige betekenis kunnen zijn. De rechtbank heeft daarbij ook in aanmerking genomen de standpunten die partijen hebben ingenomen over de kring van belanghebbenden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gevolgen beperkt zijn tot schaduwwerking, verlies van privacy en geluidsoverlast vanwege onder meer de toename van verkeersbewegingen. De rechtbank is van oordeel dat, vanwege de schaduwwerking, ook de bewoners/eigenaars van de woningen aan de oostzijde van de Weverijstraat (even huisnummers) tot de kring van belanghebbenden moeten worden gerekend. Hetzelfde geldt voor de bewoners/eigenaars van de woningen aan de zuidzijde van de Hogehilweg (oneven huisnummers) en de meest zuidwestelijk gelegen woningen in de Duinstraat (huisnummers 1, 3 en 5). Dat betekent dat ook eisers [naam eiser 5] , [naam eiser 7] , [naam eiser 9] , [naam eiser 11] en [naam eiser 14] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en dat ook hun beroepen ontvankelijk zijn.

Het voorgaande leidt er ook toe dat eisers [naam eiser 15] ( [adres 3] ) en [naam eiser 12] ( [adres 4] ) niet tot de kring van belanghebbenden worden gerekend. Zij hebben onvoldoende concreet en daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bouw van het vitaliteitshotel (en dan vooral het realiseren van de parkeergarage) zodanige gevolgen heeft voor het grondwaterpeil, dat zij daarvan gevolgen zullen ondervinden op hun percelen. Ook is de rechtbank niet gebleken van andere redenen waarom zij, ondanks de relatief grote afstand van hun percelen tot het bouwplan, toch als belanghebbenden moeten worden beschouwd. De beroepen van [naam eiser 15] (zaaknummer BRE 18/3171 WABOA) en [naam eiser 12] en [naam eiser 13] (zaaknummer BRE 18/3167 WABOA) zullen om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

Van de 110 mede-eisers worden de eigenaars/bewoners van de woningen aan de Ewout van Dishoeckstraat, Van Voorthuijsenstraat, Hogehilweg even huisnummers, Het Groentje, Wijngaardstraat, Herenstraat, P.J. Eloutstraat, Badhuisweg, Duinstraat even huisnummers en oneven huisnummers vanaf 7, Westweg, Weststraat, Zandwegje, Roosjesweg, Schuitvlotstraat, Domburgseweg, Singel en Kanonweistraat niet als belanghebbenden beschouwd, omdat zij naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van het bouwplan. Het beroep met zaaknummer BRE 18/3161 WABOA wordt, voor zover ingediend door die eisers, niet-ontvankelijk verklaard.

5. Om te beoordelen of ook de rechtspersonen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, heeft de rechtbank de statuten van de rechtspersonen opgevraagd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de statuten van beide rechtspersonen en de doelstellingen die daarin zijn opgenomen. Gelet op die doelstellingen en wat hierover ter zitting met partijen is besproken, merkt de rechtbank de SLKD en de Erfgoedvereniging Heemschut aan als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb en worden ook hun beroepen ontvankelijk geacht.

Het college heeft de rechtbank in overweging gegeven om het beroep van de SLKD niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij niet zelfstandig een beroepschrift zou hebben ingediend. Het college gaat er blijkbaar bij nader inzien van uit dat mevrouw [naam eiser 14] op persoonlijke titel haar beroepschrift heeft ingediend. Het feit dat zij haar beroepschrift mede heeft ingediend namens “de Stichting”, maakt dat in de optiek van het college niet anders, zo blijkt uit zijn schriftelijke reactie van 8 juli 2019. De rechtbank ziet evenwel geen enkele reden voor twijfel dat het de bedoeling van mevrouw Keunen is geweest om in de hoedanigheid van voorzitter van de SLKD mede namens de SLKD een beroepschrift in te dienen. Dat blijkt uit het beroepschrift, nu dit mede namens “de op de bijgevoegde lijst vermelde personen en Stichting” is ingediend en de door de SLKD ingediende zienswijzen zijn meegestuurd. Die twijfel bestond bij het college – zo blijkt uit het verweerschrift – ook niet totdat op de zitting over de belanghebbendheid van omwonenden is gesproken. De rechtbank acht het beroep van de SLKD derhalve ontvankelijk.

6. De rechtbank heeft ter zitting aan de orde gesteld of Van Leeuwen gemachtigd is om namens eisers 3 tot en met 12 en namens de 110 mede-eisers op te treden. De twijfelgevallen zijn ter zitting met partijen besproken. De rechtbank gaat ervan uit dat Van Leeuwen door allen is gemachtigd om in beroep bij de rechtbank namens hen op te treden.

Omvang van het geding

7. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat de beroepen uitsluitend zijn gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’.

Eisers hebben ter zitting bevestigd dat het niet hun bedoeling is geweest om tevens beroep aan te tekenen tegen het raadsbesluit van 31 mei 2012 over de vaststelling van de stedenbouwkundige randvoorwaarden. De opmerkingen die zijn gemaakt met betrekking tot deze stedenbouwkundige randvoorwaarden zullen worden beoordeeld in het kader van de ‘goede ruimtelijke ordening’. Dat geldt ook voor de opmerkingen die zijn gemaakt met betrekking tot het ontbreken van een MER.

8. Voor zover mevrouw [naam eiser 2] met haar beroepschrift heeft beoogd te bereiken dat de bestemming van haar woning in het bestemmingsplan wordt gewijzigd of dat aan haar een ontheffing van de Huisvestingsverordening wordt verleend, moet worden geoordeeld dat zij dat met deze procedure niet kan bereiken. Dit onderdeel van het beroepschrift valt dus buiten de omvang van dit geding en behoeft daarom geen verdere bespreking.

Procedurele aspecten

9. Er zijn beroepsgronden ingediend tegen de gefaseerde besluitvorming.

De keuze om de aanvraag te splitsen in twee fasen is gemaakt door [naam derde partij] . Artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) biedt daartoe de mogelijkheid. De rechtbank ziet in de beroepsgronden geen argumenten gelegen om te kunnen oordelen dat de keuze voor de procedure van gefaseerde vergunningenverlening in dit geval niet had mogen worden gemaakt. Met name valt niet in te zien om welke reden niet kan worden beoordeeld of aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden is voldaan. Immers, het plan in de huidige vorm is getoetst aan het geldende kader. Wanneer in de tweede fase een gewijzigd bouwplan wordt ingediend dat niet meer past binnen die kaders, dan dient opnieuw een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ te worden ingediend. De rechtbank ziet daarin dan ook geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit.

10. In meerdere beroepschriften is aangevoerd dat er sprake is geweest van gecorrumpeerde besluitvorming. In dat verband is aan de orde gesteld de integriteit van de leden van het college dat het bestreden besluit heeft genomen, meer concreet is gewezen op het bestaan van belangenverstrengeling. Daarbij is in het bijzonder gesteld dat sprake is geweest van een verstrengeling van de zakelijke belangen van toenmalig wethouder [naam wethouder 1] (tevens portefeuillehouder ruimtelijke ordening) enerzijds en die van [naam derde partij] anderzijds. Eisers hebben erop gewezen dat [naam wethouder 1] in 2017 een appartement heeft gekocht in een (ander) hotel van [naam derde partij] te Oostkapelle. Ook hebben eisers gewezen op het integriteitsonderzoek naar het handelen van [naam wethouder 1] dat naar aanleiding van deze transactie heeft plaatsgevonden, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 20 april 2018, en op het feit dat [naam wethouder 1] zijn functie van wethouder naar aanleiding van dat onderzoek heeft neergelegd. Gesteld is dat de andere leden van het college onvoldoende oplettend zijn geweest.

In artikel 2:4, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid.

Op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2:4, tweede lid, van de Awb ertoe strekt de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1909). Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip ‘persoonlijk’ is blijkens de wetgeschiedenis van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 55) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen.

De rechtbank ziet in de overgelegde stukken geen concrete aanwijzingen dat sprake is geweest van met artikel 2:4 Awb strijdige vooringenomenheid of beïnvloeding van de besluitvorming. De rechtbank stelt vast dat in het rapport naar aanleiding van het integriteitsonderzoek kritische kanttekeningen zijn geplaatst bij het handelen van wethouder [naam wethouder 1] , bijvoorbeeld voor wat betreft het laat melden bij het college van de aankoop van het appartement. Het verband dat eisers leggen tussen de aankoop van het appartement elders en de vermeende vooringenomenheid ten aanzien van het thans in geding zijnde bouwplan, blijkt echter niet uit het rapport. Het college heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat het bestreden besluit ambtelijk is voorbereid en is getoetst aan de regels van de Wabo, het bestemmingsplan en gemeentelijk beleid. Uit de besluitenlijst van 9 januari 2018 blijkt dat het college conform het ambtelijk advies heeft besloten om de omgevingsvergunning eerste fase te verlenen. Het door eisers gestelde, dat wethouder [naam wethouder 2] zou hebben tegengestemd, vindt de rechtbank op die besluitenlijst niet bevestigd. Uit de besluitenlijst blijkt dat [naam wethouder 2] conform het ambtelijk advies heeft gestemd, maar met de opmerking dat de zienswijzen reden zijn om het plan aan te passen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat die aanpassingen zijn doorgevoerd. De rechtbank stelt vast dat het college bestond uit de burgemeester en drie wethouders. Ook indien wethouder [naam wethouder 1] zich van stemming had onthouden, zou het besluit nog met meerderheid van stemmen kunnen zijn genomen, zo is ook bevestigd in de brief van het college aan de SLKD van 29 mei 2018.

Het beroep van eisers op het verbod van vooringenomenheid slaagt niet.

Inhoudelijke beoordeling: wettelijk kader en bestemmingsplan

11. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

In artikel 2.12, eerste lid, sub a, van de Wabo is bepaald – voor zover van belang – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

  1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

  2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

12.1.

Het perceel [adres 5] met de omliggende percelen aan de Beatrixstraat en [adres 2] -13 te Domburg is gelegen in het bestemmingsplan ‘Kom Domburg ’. Op de percelen rusten de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Wonen’ en ‘Groen’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1 en 3’.

12.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde project op meerdere punten (bestemmingsomschrijving, bouw- en gebruiksregels) in strijd is met de planregels. De rechtbank dient te beoordelen of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen. Zij stelt voorop dat de bevoegdheid van het college om een dergelijke omgevingsvergunning te verlenen een discretionaire bevoegdheid is, die de rechtbank slechts terughoudend kan toetsen.

De rechtbank wijst er daarnaast op dat zij haar beoordeling zal beperken tot het bouwplan zoals dat door [naam derde partij] is ingediend en door het college is vergund. Het college was gehouden om op grondslag van de aanvraag te beslissen en heeft dus terecht geen alternatieven onderzocht. Het college dient immers te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746). Het college heeft zich terecht op standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is.

De vragen die in meerdere beroepschriften zijn aangekaart, bijvoorbeeld of er op het perceel woningbouw had kunnen worden gerealiseerd, worden door de rechtbank in deze procedure dan ook buiten beschouwing gelaten.

Ruimtelijke onderbouwing

13. Aan het bestreden besluit is – onder meer – ten grondslag gelegd de ruimtelijke onderbouwing van Huibrechtse & Koster Consultants van 24 februari 2018. De rechtbank dient te beoordelen of het bouwplan met de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

Tegen de ruimtelijke onderbouwing zijn twee tegenrapporten ingebracht, die door de rechtbank zullen worden betrokken bij de beoordeling van de punten van geschil zoals die in de beroepschriften aan de orde zijn gesteld:

 Second opinion Vitaliteitshotel Domburg van Tonnaer van 8 juni 2018;

 Contraexpertise van Kubiek Ruimtelijke Plannen van 27 augustus 2018.

Strijd met ruimtelijke beleidsplannen

14. Aangevoerd is dat het bouwplan in strijd is met diverse ruimtelijke beleidsdocumenten. Die argumenten zullen hierna, voor zover nog in geschil na de bespreking ter zitting, afzonderlijk worden besproken.

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018:

In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het bouwplan in overeenstemming is met het Omgevingsplan. Overwogen is dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de revitalisering van het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod in de kustzone, en dat deze een bijdrage levert aan de transformatie van een bestaand bedrijf (het tegenoverliggende Apparthotel van dezelfde eigenaar), enerzijds door het aanbieden van nieuw hoogwaardig verblijfsrecreatief aanbod in het Vitaliteitshotel en anderzijds door het aanbieden van aanvullende voorzieningen van hogere kwaliteit voor hotelgasten in het Apparthotel.

In de contraexpertise van Kubiek is opgemerkt dat in de voorschriften van de omgevingsvergunning niet is vastgesteld dat er alleen een 3-, 4- of 5-sterrenhotel is toegestaan.

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing expliciet is vermeld dat het bouwplan een 4-sterrenhotel betreft. De ruimtelijke onderbouwing is als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd en maakt als zodanig onderdeel uit van het bestreden besluit. Het college hoefde dus hierover niet ook een voorschrift aan het bestreden besluit te verbinden.

Structuurvisie gemeente Veere:

In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat de gemeente Veere ruimte biedt voor ontwikkelingen in de toeristische sector. Voorts is vermeld dat zuinig en verantwoord duurzaam ruimtegebruik uitgangspunt is in de structuurvisie en dat kwaliteitsverbetering primair plaatsvindt door herstructurering, opwaardering of transformatie. Overwogen is dat binnen de kern Domburg herontwikkeling in de vorm van een toeristische verblijfsaccommodatie passend is binnen het kader van duurzaam ruimtegebruik. Hierbij bestaat een zeker evenwicht tussen alle betrokken belangen. Door binnen de kaders van het bestaand bebouwd gebied te bouwen, kan volgens Huibrechtse & Koster waardevol landschap elders worden gespaard.

In de contraexpertise van Kubiek is juist in de structuurvisie neergelegde woonvisie benadrukt. Daarnaast wijst Kubiek op de passage in de structuurvisie waar is vermeld dat plaatsen, waar openbaar groen en andere waardevolle openbare ruimte en open plekken zijn, niet worden gebruikt voor inbreiding.

Het college heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat het bouwplan uitgaat van duurzaam ruimtegebruik. De ontwikkeling aan de rand van het groen zorgt er volgens het college voor dat het park wordt opgewaardeerd en aantrekkelijker, overzichtelijk en toegankelijker wordt. In die zin draagt de ontwikkeling volgens het college bij aan het beheer van kwalitatief groen. Er wordt een aanvullend aanbod gerealiseerd, wat de toeristische structuur versterkt, aldus het college. Het college bevestigt dat de structuurvisie een uitgebreide toelichting omvat op de (ontwikkeling van de) gemeentelijke woningmarkt, maar het enkele feit dat met het bouwplan geen woningbouw wordt ontwikkeld, maakt volgens het college niet dat het in strijd is met de structuurvisie.

De rechtbank kan die uitleg van het college volgen en ziet in de beroepsgronden dan ook geen reden om het bouwplan in strijd met de structuurvisie te achten.

Visie Domburg :

Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bouwplan ook aan de Visie Domburg is getoetst. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eisers en de ingediende tegenrapporten geen aanleiding om aan te nemen dat het bouwplan niet binnen die visie zou passen.

Strijd met stedenbouwkundige randvoorwaarden

15. In de ruimtelijke onderbouwing is ook uitvoerig aandacht besteed aan de gemeentelijke stedenbouwkundige visie en ruimtelijke randvoorwaarden. Voor de invulling van de locatie met een hotel zijn immers door de gemeenteraad op 31 mei 2012 stedenbouwkundige randvoorwaarden vastgesteld. De analyse van Huibrechtse & Koster komt erop neer dat het bouwplan kan worden uitgevoerd zonder dat er strijd ontstaat met de door de raad gestelde randvoorwaarden.

Ook Tonnaer heeft in zijn tegenrapport uitvoerig aandacht besteed aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden, maar komt op onderdelen tot een andere conclusie. De kern van het betoog is dat het nieuwe gebouw ten aanzien van de oppervlakte, massa en bouwhoogte niet past binnen de stedenbouwkundige randvoorwaarden.

Naar aanleiding daarvan heeft [naam derde partij] Rho Adviseurs gevraagd om een ruimtelijke beoordeling te geven van de inpassing van het nieuwe vitaliteitshotel, getoetst aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden. Rho heeft daarvan op 30 november 2018 advies uitgebracht. [naam derde partij] heeft dat rapport echter pas op 3 juni 2019 ingebracht.

Eisers hebben na de zitting schriftelijk op het advies van Rho gereageerd.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het bouwplan niet aan alle stedenbouwkundige randvoorwaarden voldoet. Aan randvoorwaarde #6 wordt namelijk niet voldaan. Randvoorwaarde #6 houdt in:

Aan de Schelpweg bevindt zich het representatieve hoofdgebouw c.q. het entreegebouw. Hier is de hoofdingang van het hotel en de bijbehorende voorzieningen. Op de begane grond liggen de receptie en de hotellobby.

Op eigen terrein is er een mogelijkheid tot ‘voorrijden’ van incheckende gasten en taxi’s.

Serviceverkeer heeft een toegang tot de locatie via een route tussen het hoofdgebouw en de naastgelegen bestaande woning.

Aan de Schelpweg ligt ook de toegang tot de parkeergarage. Vanuit de parkeergarage is er minimaal een directe inpandige toegang tot het entreegebouw.”

Rho heeft in zijn advies toegelicht dat na overleg met de gemeente ervoor is gekozen om de route tussen het hoofdgebouw en de naastgelegen bestaande woning alleen te gebruiken voor het lossen/laden van goederen van kleinere voertuigen (bestelwagens e.d.) en van goederen die met een rolcontainer of palletwagen van en naar de grote vrachtwagens aan de voorzijde van een opstelplaats worden gereden. De conclusie is volgens deze deskundige dan ook dat er gemotiveerd is afgeweken van de randvoorwaarde.

Consequentie daarvan, zo is ter zitting met partijen vastgesteld, dat het college de omgevingsvergunning eerste fase niet had mogen verlenen zonder vooraf een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo aan de gemeenteraad te vragen. Immers, niet wordt voldaan aan categorie 1 (‘aanvragen om een omgevingsvergunning waarvoor reeds […] stedenbouwkundige randvoorwaarden […] of een daarmee te vergelijken ruimtelijk kader is vastgesteld door de gemeenteraad’) van de door de gemeenteraad op 31 mei 2012 aangewezen categorieën van gevallen waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Nu het plan niet valt binnen deze randvoorwaarden, is een verklaring van geen bedenkingen vereist. Dit klemt te meer nu, zoals Tonnaer in de reactie van 5 juli 2019 gemotiveerd heeft aangegeven, deze wijziging – die een verlegging van de laad- en losactiviteiten inhoudt – gevolgen kan hebben voor de verkeersafwikkeling aan de voorzijde van het hotel.

Dat betekent dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft en dat het daarom voor vernietiging in aanmerking komt.

Partijen verschillen van standpunt over het antwoord op de vraag of aan randvoorwaarde #10 (parkeren) wordt voldaan. De rechtbank komt op het onderwerp ‘parkeren’ verderop in de uitspraak terug. Voor wat betreft de overige randvoorwaarden is de rechtbank van oordeel dat het college onder verwijzing naar het advies van Rho van 30 november 2018 voldoende heeft gemotiveerd dat aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden is voldaan. De rechtbank wijst erop dat het hier een discussie betreft tussen deskundigen ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een project, een beslissing die is voorbehouden aan het college. De keuze van het college oordeelt de rechtbank – marginaal toetsend – niet onredelijk of anderszins onjuist.

Duurzaamheid

16. In de ruimtelijke onderbouwing (paragraaf 04.05) is vermeld dat de planvorming is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals is voorgeschreven in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Geconcludeerd is dat de planvorming aan de duurzaamheidsladder voldoet. Daarbij is gemotiveerd om welke redenen de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Voorts is vermeld dat de regionale behoefte met dit plan wordt opgevangen binnen het bestaande stedelijk gebied en dat er sprake is van herstructurering van een leegstaande analoge KPN-centrale en braakliggend terrein en dat verder wordt voldaan aan de wettelijke normen met betrekking tot energetische en bouwtechnische prestaties.

Tonnaer stelt daar tegenover dat de actuele regionale behoefte onvoldoende is onderbouwd. Tonnaer stelt dat in het in de ruimtelijke onderbouwing aangehaalde Rapport Toerisme 2014 van het CBS niet de behoefte aan hotelkamers in het hogere segment wordt onderbouwd, maar dat daaruit slechts een groei van het toerisme blijkt. Ook voor wat betreft de genoemde trendontwikkeling wordt niet verwezen naar een concreet (regionaal) onderzoek. De behoefte aan een vitaliteitshotel wordt volgens Tonnaer niet onderbouwd. Verder merkt Tonnaer op dat het rapport ‘Hotelmarkt Domburg , Analyse regionale behoefte/marktruimte’ van juni 2017 niet als bijlage aan de ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd, waardoor niet kan worden gecontroleerd of de cijfers kloppen.

[naam derde partij] heeft Rho ook gevraagd om een laddertoets te verrichten. Rho heeft in zijn advies van 28 november 2018 (op 3 juni 2019 ingebracht) geconcludeerd dat het beoogde initiatief voorziet in een actuele behoefte. Met een luxe hotel en bijbehorende voorzieningen in de badplaats wordt volgens Rho optimaal ingespeeld op de actuele trends en ontwikkelingen binnen de hotelbranche. Rho heeft in zijn onderzoek betrokken het onderzoek dat de gemeente Veere in 2017 heeft laten uitvoeren door ZKA Consultants naar de regionale behoefte aan hotels. Daaruit blijkt volgens Rho dat het initiatief past binnen de verwachte marktruimte in Domburg . Met de ontwikkeling wordt volgens Rho ook voorzien in de kwalitatieve behoefte aan meer 4-sterrenhotels. Ook heeft Rho overwogen dat het beoogde hotel positief bijdraagt aan de werkgelegenheid en past bij het dorpse karakter van de herontwikkelingslocatie. Met de ontwikkeling is er volgens Rho sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de behoefte aan de ontwikkeling, zowel kwalitatief als kwantitatief, in de ruimtelijke onderbouwing, het zienswijzenrapport en het rapport ‘Hotelmarkt Domburg ’ voldoende is beschreven. Het college heeft het rapport ‘Hotelmarkt Domburg ’ als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. Ook is het college in het verweerschrift ingegaan op het advies van Rho van 28 november 2018.

De rechtbank is van oordeel dat de (actuele) behoefte aan de ontwikkeling in het bestreden besluit (het zienswijzenrapport in combinatie met de ruimtelijke onderbouwing) én met het latere advies van Rho voldoende is onderbouwd. Met name is aan de hand van het planologische beleid toegelicht dat er een beleidsmatige behoefte bestaat aan meer luxe hotels met bijbehorende voorzieningen. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Geluid

17. Eisers vrezen voor geluidsoverlast vanwege het gebruik van het hotel. De rechtbank leidt uit de beroepschriften af dat de vrees met name zit in de verwachte toename van verkeersbewegingen (bezoekers, leveranciers, vuilnisophaaldienst) en in het gebruik van de buitenruimte.

In de ruimtelijke onderbouwing (paragraaf 04.01) is aangegeven dat, omdat het hotelcomplex is gelegen binnen een 30 km-zone, er geen akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder nodig is. Voorts is overwogen dat de verblijfskwaliteit voor de omgeving voldoende is, omdat er geen wegen met een hogere maximale snelheid in of nabij het plangebied liggen waarvan een negatief effect valt te verwachten. Dat is tussen partijen, zo is gebleken tijdens de behandeling op zitting, niet (langer) in geschil.

Onder paragraaf 04.02 (Milieuhinder) is verder nog overwogen dat is getoetst aan de richtafstand van 10 meter zoals opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ voor een hotel, restaurant en wellnessvoorziening. Overwogen is dat het voorliggend project naast een hotel ook voorzieningen omvat die mogelijk door niet-hotelgasten worden gebruikt en dat bevoorrading zal plaatsvinden op het binnenterrein, bereikbaar vanaf de Schelpweg. Daarnaast is overwogen dat de afstand tot de woningen ruim meer dan 10 meter is. Geconcludeerd is dat de hinder gelijk of minder is dan de (theoretische) hinder van de bestemmingen toegestaan in het huidige bestemmingsplan en dat de geluidgevoelige onderdelen (stallingsgarage, restaurant, wellness) binnen de normen van de maximale geluidsniveaus vallen.

18. [naam derde partij] heeft in de beroepsgronden aanleiding gezien om alsnog akoestisch onderzoek te laten verrichten. Rho heeft dat onderzoek verricht en daarvan op 28 november 2018 rapport uitgebracht (3 juni 2019 ingebracht).

Rho heeft bij het onderzoek gebruikt gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) en is uitgegaan van het daarin gehanteerde omgevingstype ‘gemengd gebied’. Daarbij heeft Rho getoetst aan geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Rho heeft de geluidsniveaus berekend en is daarbij uitgegaan van de geluidsbronnen: in- en uitrijdend verkeer parkeergarage aan de Schelpweg, bevoorrading vrachtwagens aan en vanaf de Schelpweg, installaties en stemgeluid door – onder meer – gebruik van de buitenruimte. Rho heeft geconcludeerd dat voor het merendeel van de omliggende woningen in het plangebied wordt voldaan aan de VNG-richtwaarde van 50 dB(A) als etmaalwaarde voor gemengd gebied (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus). Alleen bij de woningen [adres 6] wordt de etmaalwaarde overschreden. Rho heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om gemotiveerd daarvan af te wijken. Tevens heeft Rho aanbevelingen meegegeven voor bouwfase 2.

De rechtbank is van oordeel dat het college voor wat betreft de milieuzonering op goede gronden aansluiting heeft gezocht bij de categorie ‘Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra’ en de daarbij behorende richtafstand van 10 meter. Immers, de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ gaat uit van ‘gemiddeld moderne bedrijven’, en voldoende aannemelijk is gemaakt dat het wellnessgedeelte in het onderhavige vitaliteitshotel – nog geen 10% van de oppervlakte – ondergeschikt is aan de hotelfunctie. Anders dan bij een volwaardige badhuis of saunacomplex, is het wellnessgedeelte hier ondersteunend aan de hoofdfunctie van het hotel, en dat betekent voor wat betreft de aard en de intensiteit een wezenlijk ander gebruik. Dat betekent dat het college in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat een goed woon- en leefklimaat in dit opzicht was geborgd.

Dat vindt bevestiging in het alsnog door [naam derde partij] uitgevoerde akoestisch onderzoek. Eisers hebben in hun schriftelijke reacties het akoestisch onderzoek van Rho niet met een deskundig tegenrapport weerlegd. De rechtbank ziet in de reacties ook geen reden om aan de zorgvuldige totstandkoming of aan de inhoud en de gebruikte uitgangspunten van het akoestisch rapport te twijfelen. [naam derde partij] heeft de rechtbank met het akoestisch rapport van Rho van 28 november 2018 voldoende ervan overtuigd dat het bouwplan niet zal leiden tot een onaanvaardbare toename van geluid op de gevels van de woningen van eisers en dat er na de realisering van het bouwplan nog steeds sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Privacy

19. Een aantal eisers vreest voor verlies van privacy.

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing geen specifieke aandacht is besteed aan de privacy van omwonenden. In het zienswijzenrapport (p. 11, onder H) heeft het college toegelicht dat in het ontwerp van het hotel wel maximaal rekening is gehouden met de privacy van de omwonenden. Gewezen is daarbij op de situering van de hotelkamers, bouwkundige toevoegingen om het zicht op percelen van derden te verminderen (panelen) en de afstand tot omliggende percelen van derden. Daarnaast heeft het college gewezen op de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt om ter plaatse reguliere woningbouw te realiseren of een pand met een bedrijfsfunctie van 11 meter hoog (bijvoorbeeld kantoor). Al met al is het college van mening dat niet van een onevenredige aantasting van de privacy kan worden gesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het college met die motivering voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de privacy van de omwonende eisers – met name mevrouw [naam eiser 2] – niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Met de aan te brengen panelen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de belangen van [naam eiser 2] .

Eiser [naam eiser 1] heeft in beroep op zich terecht opgemerkt dat de impact op privacy van het vitaliteitshotel veel groter, en daarmee niet te vergelijken is met de impact van een kantoor. Het college heeft ter zitting echter – ook terecht – opgemerkt dat het kantoor alleen als voorbeeld is genoemd in het zienswijzenrapport, maar dat het bestemmingsplan ook andere, voor omwonenden minder gunstige, bedrijfsfuncties (categorie B1) toestaat, zoals een broodfabriek met avondshifts of brood-/banketbakkerij. Overigens geldt naar het oordeel van de rechtbank ook dat eisers hun woning hebben in centrumgebied en dat een zeker verlies van privacy behoort tot de risico’s van het wonen en verblijven aldaar.

Schaduwwerking

20. Veel eisers vrezen ook voor een vermindering van zonlichttoetreding op hun percelen.

In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is een bezonningsonderzoek verricht. De schaduwdiagrammen zijn als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De rechtbank stelt vast dat de bezonning voor een drietal data (21 december, 21 maart en 21 juni) op meerdere tijdstippen is beoordeeld. Huibrechtse & Koster heeft daaruit geconcludeerd dat de schaduwwerking voor de omgeving in de zomermaanden gering is en in de overige jaargetijden acceptabel. Het college heeft in het zienswijzenrapport (p. 11, onder H) toegelicht dat de schaduwwerking het grootst is in de winter. In het voor- en najaar treedt er ’s morgens vroeg en na 17.00 uur enige beperking op voor de omliggende woningen. Gedurende de dag is de situatie volgens het college vrijwel gelijk aan de bestaande situatie. In de zomer is het effect volgens het college verwaarloosbaar; slechts na 20.00 uur geldt voor een beperkt aantal woningen ten noorden van het bouwplan dat schaduwwerking wordt ondervonden. Het college heeft daarbij opgemerkt dat enkele woningen qua schaduwwerking ook voordeel hebben ten opzichte van de bebouwing die het bestemmingsplan maximaal toelaat.

In de contraexpertise van Kubiek is betoogd dat de schaduwdiagrammen bij de ruimtelijke onderbouwing juist een forse toename van schaduwhinder laten zien. Daarbij heeft Kubiek opgemerkt dat de maand september ontbreekt.

De rechtbank stelt ook hier voorop dat een zeker verlies van zonlichttoetreding behoort tot de risico’s van het wonen en verblijven in centrumgebied. De rechtbank ziet in de contraexpertise van Kubiek onvoldoende onderbouwing voor twijfel aan het oordeel van Huibrechtse & Koster, zodat het college dit aan het oordeel ten grondslag mocht leggen. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat dit rapport niet voldoende specifiek is: uit de diagrammen kan voor alle omliggende percelen in voldoende mate worden afgeleid wat het effect daarop is. Voor wat betreft het ontbreken van de maand september, is ter zitting toegelicht dat dit een vergelijkbaar beeld zou opleveren als in maart. Ook in de beroepsgronden ziet de rechtbank verder geen reden om aan te nemen dat het woon- en leefklimaat voor wat betreft schaduwwerking onaanvaardbaar wordt aangetast.

Verkeer en parkeren

21. In de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig aandacht besteed aan het verkeer en het parkeren (paragraaf 04.10), waarbij aan de hand van CROW-publicatie 317 (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie) in beeld is gebracht hoeveel verkeer de nieuwe ontwikkeling genereert. Daarbij is opgemerkt dat de locatie is aangeduid als ‘centrum’ in een matig stedelijk gebied.

 Hotel: Uitgaande van 39 kamers en het kengetal uit de CROW-publicatie, resulteert dit in 52-70 verkeersbewegingen per etmaal.

 Restaurant: Uitgaande van een bedrijfsvloeroppervlakte van 400 m² gaat Huibrechtse & Koster uit van 32-40 parkeerplaatsen voor het restaurant. Vervolgens gaat Huibrechtse & Koster uit van een bezetting van de parkeerplaatsen van 2 keer per dag, dus 4 ritten per parkeerplaats per dag. Opgemerkt is voorts dat het restaurant wordt gebruikt door hotelgasten en externen. Hiervoor heeft Huibrechtse & Koster een percentage van 50% als dubbelgebruik aangehouden. Uitgaande van 40 parkeerplaatsen betekent dit een verkeersgeneratie van 80 motorvoertuigen per etmaal.

 Wellness: Hier heeft Huibrechtse & Koster de verkeersgeneratie berekend op 22 tot 32 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van een bedrijfsvloeroppervlakte van 600 m². Ook hier is uitgegaan van 50% dubbelgebruik, waardoor ook deze verkeersgeneratie dient te worden gehalveerd: 11‑16.

Geconcludeerd is dat de nieuwe ontwikkeling een op kencijfers gebaseerde verkeersgeneratie kent van 143 tot 201 voertuigen per etmaal. Daarbij is opgemerkt dat de ontsluiting volledig via de Schelpweg zal plaatsvinden, die ter hoogte van de beoogde entree een eenrichtingregime kent. De toename van het aantal verkeersbewegingen op deze weg (en de route via bijvoorbeeld Markt) blijft dus volgens Huibrechtse & Koster beperkt tot de helft van de totale verkeersgeneratie, wat neerkomt op 72 tot 100 motorvoertuigen per etmaal. Daarbij is opgemerkt dat de Schelpweg in de zomerperiode (maatgevende periode voor Domburg ) een intensiteit van 2800 motorvoertuigen per etmaal kent en dat er dus sprake zal zijn van een toename van het verkeer met circa 2,5 tot 3,5%.

Vervolgens is in de ruimtelijke onderbouwing aandacht besteed aan de bevoorrading. Toegelicht is dat er vanaf de Schelpweg in principe twee entrees voor het autoverkeer zijn, namelijk de in-/uitrit van de parkeergarage en de ontsluiting van het binnenterrein voor laden en lossen van kleinere voertuigen. Vervolgens wordt een toelichting gegeven op de keuze voor de ontsluiting. Daarnaast is nog aandacht besteed aan de bereikbaarheid van de Schelpweg op marktdagen.

Geconcludeerd is dat de toename van verkeersbewegingen zeer beperkt is en dat voor de omgeving niet méér overlast wordt gecreëerd of de woon- en leefomgeving negatief wordt beïnvloed.

22. In paragraaf 04.11 van de ruimtelijke onderbouwing is een toelichting gegeven op het ‘parkeren’. Volgens Huibrechtse & Koster wordt het parkeren volledig opgelost op eigen terrein. In totaal wordt in het plan voorzien in 117 parkeerplaatsen, waar er volgens Huibrechtse & Koster 109 nodig zijn. Geconcludeerd is dat er wordt voldaan aan de gestelde eisen met betrekking tot parkeren. Daarbij is nog opgemerkt dat, in het geval van (zuiver theoretisch) maximaal 16 alsnog te splitsen suites, de parkeerbalans in evenwicht is.

23. Tonnaer geeft in zijn second opinion kritiek geuit op het door Huibrechtse & Koster voor het restaurant en de wellness gehanteerde percentage dubbeltelling van 50% en op de halvering van het aantal verkeerswegingen vanwege het eenrichtingverkeer in de Schelpweg. Verder stelt Tonnaer dat voor de totale capaciteit van de Schelpweg ook rekening had moeten worden gehouden met de verkeersbewegingen die de te compenseren parkeerplaatsen aan de Beatrixstraat met zich meebrengen.

Eiser [naam eiser 1] heeft de second opinion van Tonnaer in een later stadium in de beroepsprocedure aangevuld bij brief van 5 juni 2019. Hij stelt dat hij zich daarbij heeft laten bijstaan door deskundige L.A.W. van Berkel van Bureau Pouderoyen. Hij heeft ook gebruik gemaakt van de rekentool ‘Verkeersgeneratie & Parkeren’ van CROW en de resultaten daarvan overgelegd.

Ook Kubiek uit kritiek op het door Huibrechtse & Koster gehanteerde percentage van 50% voor dubbelgebruik. Kubiek merkt verder op dat in de berekening dient te worden uitgegaan van de te splitsen suites. Kubiek vraagt zich ook af waar de gasten moeten parkeren op markt- en evenementendagen.

De SLKD merkt verder nog op dat in de ruimtelijke onderbouwing is nagelaten om de verkeerscapaciteit van de aanvoerroute vast te stellen, nu de ontwikkeling leidt tot een significante toename van het aantal verkeersbewegingen.

Verder verschillen partijen van mening over de vraag of aan #10 (parkeren) van de door de gemeenteraad vastgestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden wordt voldaan.

24. De rechtbank ziet in de beroepsgronden, meer specifiek in de second opinion van Tonnaer, geen reden om te twijfelen aan de in de ruimtelijke onderbouwing toegepaste halvering van het aantal verkeersbewegingen vanwege het eenrichtingverkeer. In de berekening van Huibrechtse & Koster is uitgegaan van een bezetting van de parkeerplaatsen van 2 keer per dag, dus 4 ritten per parkeerplaats per dag (vermenigvuldiging in verband met aan- en afrijden). Maar door het eenrichtingverkeer wordt de Schepweg bij het aan- én afrijden maar één keer bereden. Dat wordt door Tonnaer ook erkend. De rechtbank ziet in de enkele opmerking van Tonnaer, dat die ene verkeersbeweging door omwonenden gezien het korte straatdeel als twee verkeersbewegingen wordt ervaren, geen reden om te oordelen dat het aantal verkeersbewegingen niet had mogen worden gehalveerd.

25. De kritiek van Kubiek en Tonnaer op het in de ruimtelijke onderbouwing gehanteerde percentage van 50% voor dubbelgebruik acht de rechtbank wel terecht. De rechtbank stelt daarbij allereerst vast dat de keuze voor het percentage van 50% in de ruimtelijke onderbouwing niet is onderbouwd.

[naam derde partij] heeft na de zitting de door eiser [naam eiser 1] ingediende aanvulling op de second opinion van 5 juni 2019 en de bijgevoegde rekentool ‘Verkeersgeneratie & Parkeren’ ter (her)beoordeling voorgelegd aan Rho. Rho heeft op 12 juli 2019 gerapporteerd dat, op basis van de oppervlakte van de wellnessvoorzieningen ten opzichte van de oppervlakte van de hotelfunctie en in vergelijking met de oppervlakte van nabij gelegen zelfstandige wellnesscentra, een dubbelgebruik van 50% niet correct is. Rho meent dat een dubbelgebruik van 70% à 80% realistisch is en adviseert om een reductie van 70% in plaats van 50% toe te passen. Hetzelfde geldt volgens Rho voor het restaurant.

Daarbij komt dat de deskundige in hetzelfde rapport heeft opgenomen dat in de ruimtelijke onderbouwing de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie is berekend op basis van een ‘matig stedelijk’ karakter. Bij nader inzien komt de deskundige tot het oordeel dat sprake is van een ‘weinig stedelijk’ karakter, zodat van andere cijfers moet worden uitgegaan.

Dat leidt ertoe dat moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en dat het bestreden besluit ook op dit punt voor vernietiging in aanmerking komt. Het is niet duidelijk wat het standpunt van het college is ten aanzien van dit onderdeel, zodat het zich daar alsnog over zal moeten uitlaten in een nieuw te nemen besluit.

26. Rho heeft op verzoek van [naam derde partij] getoetst of aan randvoorwaarde #10 van de stedenbouwkundige randvoorwaarden wordt voldaan. In het advies van 30 november 2018 heeft Rho ten aanzien van het parkeren gerapporteerd dat het ontwerp van [naam derde partij] voldoet aan de eis van ondergronds parkeren op de locatie. Volgens de randvoorwaarde dient te worden uitgegaan van 1,3 parkeerplaatsen per kamer. Afgaande op 117 parkeerplaatsen die in de parkeergarage worden gerealiseerd, zijn er 59 parkeerplaatsen beschikbaar voor 39 kamers, ofwel ruim 1,5 per kamer.

De rechtbank ziet in de beroepen geen reden om aan die conclusie te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom voor de berekening van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie had moeten worden uitgegaan van gesplitste hotelkamers. Naar het oordeel van de rechtbank is in de ruimtelijke onderbouwing voldoende toegelicht dat bij een eventuele splitsing van een aantal suites nog steeds aan de door de gemeenteraad gestelde parkeernorm wordt voldaan, waarbij is opgemerkt dat die mogelijkheid zuiver theoretisch is. Het college is echter gehouden om te beslissen op de aanvraag zoals die aan hem is voorgelegd. Aangevraagd is 39 hotelkamers, en daar is dus ook bij de berekening van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie terecht van uitgegaan. Zoals ook in de stedenbouwkundige randvoorwaarden is neergelegd, is de capaciteit van de parkeergarage bepalend voor het maximale programma van hotelkamers en voorzieningen dat gerealiseerd kan worden. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de voorgeschreven parkeernorm niet zal worden overschreden.

27. Randvoorwaarde #10 bepaalt ook dat serviceverkeer moet parkeren op een binnenterrein. Ook dit binnengebied wordt ontsloten vanaf de Schelpweg.

Tonnaer heeft in reactie op de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat uit de inrichtingstekening niet is op te maken waar het laden en lossen op het binnenterrein plaatsvindt.

Eiser [naam eiser 1] heeft daarnaast nog aangevoerd dat hij vreest voor verkeersonveilige situaties naar aanleiding van de laad- en losactiviteiten en het in- en uitrijden van gasten uit de parkeergarage. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt volgens hem onvoldoende op welke wijze voldoende ruimte wordt gecreëerd om die dagelijkse activiteiten op een veilige en snelle wijze te kunnen laten afwikkelen. [naam eiser 1] acht de gekozen manier van laden en lossen om stedenbouwkundige redenen niet wenselijk.

In het aanvullende rapport van Rho van 30 november 2018 is ten aanzien van randvoorwaarde #10 op dit punt aangegeven dat serviceverkeer niet op het binnenterrein zal worden geparkeerd. De route tussen het hoofdgebouw en de naastgelegen bestaande woning zal alleen worden gebruikt voor het lossen en laden van goederen met kleinere voertuigen (bestelwagens en dergelijke) en van goederen die met een rolcontainer of palletwagen van en naar de grote vrachtwagens op de opstelplaats aan de voorzijde en nabij de entree aan de Schelpweg worden gereden. Door het serviceverkeer aan de voorzijde te houden wordt ook het achteruit rijdend verkeer zoveel mogelijk voorkomen. Dat is veiliger en geeft minder geluid, aldus Rho. Er wordt nog wel gewezen op de mogelijkheid om binnen de randvoorwaarden een iets andere oplossing voor het parkeren, de entree en het laden en lossen te vinden, zodat er minder overlast is voor de naastgelegen woning en autoverkeer en laad- en losverkeer elkaar minder hinderen door scheiding van routes.

De rechtbank stelt vast dat dit punt samenhangt met randvoorwaarde #6 en dat ook hier, vanwege de gewijzigde invulling van het laden en lossen, wordt afgeweken van hetgeen in deze randvoorwaarde ten aanzien van het serviceverkeer is bepaald.

Dat betekent dat om dezelfde redenen als hiervoor genoemd in rechtsoverweging 15 een verklaring van geen bedenkingen nodig was, zodat ook op dit onderdeel aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft.

Grondwaterstand

28. Meerdere eisers hebben gewezen op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Zij vrezen dat met name het realiseren van de parkeerkelder invloed zal hebben op de grondwaterstanden en -stromen en op de (ondergrond van de) in de omgeving van het projectgebied gelegen bebouwing, zoals hun woning en het nabijgelegen Natura 2000-gebied.

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing aandacht is besteed aan de ‘Bodem’ (paragraaf 04.03) en aan ‘Water’ (paragraaf 04.06). In de waterparagraaf is vermeld dat de bouwwerkzaamheden binnen kwetsbaar/beschermd gebied vallen, door de waterkerende functie van de duinen. Daarbij is aangegeven dat dit consequenties zal hebben voor de vergunningverlening voor en tijdens de bouwwerkzaamheden. Huibrechtse & Koster rapporteert dat tijdens de bouwwerkzaamheden maatregelen genomen zullen moeten worden in verband met de grondwaterstand. Dit kan volgens Huibrechtse & Koster invloed hebben op de hoogte van de grondwaterstand in de directe omgeving van het werkterrein, maar dat is van tijdelijke aard. Tevens is opgemerkt dat nader onderzocht moet worden of het toepassen van retourbemaling noodzakelijk is.

Ten aanzien van de overige waterschapsaspecten is nog het volgende opgemerkt:

 Er zijn geen gevolgen voor de veiligheid van de waterkering;

 De werking van waterschapsobjecten wordt niet belemmerd;

 Er zijn geen gevaren voor de volksgezondheid;

 Het is geen zettingsgevoelig gebied;

 Het grondwater zit op tenminste (Schelpwegzijde) 2,60 meter onder het maaiveld. De vloer van de parkeergarage ligt maximaal 2,40 meter onder de grondwaterstand;

 Tijdens de bouw worden maatregelen getroffen om wateroverlast te voorkomen;

 Alleen het hemelwaterafvoer komt in het grondwater. Er is geen achteruitgang van kwaliteit;

 Er is geen wijziging in de grondwatersituatie te verwachten na de bouw.

De rechtbank stelt vast dat het college de waterparagraaf aan het waterschap ter beoordeling heeft voorgelegd en dat het waterschap daarmee heeft ingestemd.

De rechtbank ziet in de beroepsgronden geen aanleiding om aan te nemen dat het bestreden besluit voor wat betreft de watertoets niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing of niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De onderbouwing van dit standpunt is in het licht van de hiervoor omschreven beoordeling niet concreet genoeg en van teveel aannames voorzien.

29. Door een aantal eisers is nog gewezen op een artikel in de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) van 14 februari 2019, waarin is beschreven dat het college opdracht heeft gegeven voor onderzoek naar de mogelijke effecten van parkeergarages voor de duinen van Domburg .

Ter zitting heeft het college bevestigd dat bedoeld onderzoek wordt verricht, maar dat dit onderzoek een bredere opzet kent dan alleen het in geding zijnde bouwplan. Daarbij heeft het college opgemerkt dat dit onderzoek bovendien pas relevant is in het kader van de tweede fase van de vergunningverlening. In het kader van de tweede fase zal ook aandacht komen voor de technische maatregelen die in de ruimtelijke onderbouwing aan de orde zijn gesteld.

Het feit, dat het college uit zorgvuldigheidsoverweging onderzoek laat doen naar de mogelijke effecten van parkeergarages voor de duinen van Domburg , brengt de rechtbank niet tot de opvatting dat het college daar nu al aan twijfelt. Er bestaat dan ook geen aanleiding om te twijfelen of op dit punt wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.

Natuur (flora en fauna)

30. In de ruimtelijke onderbouwing is een paragraaf opgenomen over flora en fauna (paragraaf 04.07). Daarin wordt gewezen op de quickscan die is uitgevoerd door Ecoresult. Geconcludeerd is dat uit de quickscan blijkt dat geen storende factoren te verwachten zijn die leiden tot (significant) negatieve effecten op soorten, habitattypen en wezenlijke waarden en kenmerken van Natura 2000-gebieden of de Ecologische Hoofdstructuur (EHS/Natuurnetwerk Zeeland). Verder is opgemerkt dat de stikstofemissie dusdanig gering is en de afstand tot de gebieden dusdanig groot, dat geen negatief effect op die gebieden zal optreden.

31. De rechtbank stelt vast dat in de contraexpertise van Kubiek ook aandacht is besteed aan flora en fauna. Kubiek heeft aangevoerd dat de quickscan verouderd is en dat een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming had moeten worden ingediend dan wel dat aangehaakt had moeten worden.

Wat de SLKD hier precies als beroepsgrond heeft willen aanvoeren is de rechtbank echter, op basis van het dossier en hetgeen daarover ter zitting is toegelicht, niet duidelijk geworden. Kubiek heeft het concreet over de kap van bomen, maar het kappen van bomen maakt geen onderdeel uit van het bestreden besluit. In elk geval ziet de rechtbank in de opmerkingen van de SLKD en de contraexpertise van Kubiek geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is.

Overige beroepsgronden

32. Eiser [naam eiser 1] vreest voor gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit.

In de ruimtelijk onderbouwing (paragraaf 04.09) is toegelicht dat de ruimtelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt als ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) als bedoeld in de Regeling NIBM. Geconcludeerd is dat het aspect luchtkwaliteit dus geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

De rechtbank ziet in de beroepsgronden geen reden om aan die conclusie te twijfelen.

33. De SLKD heeft in haar beroepschrift opgemerkt dat er geen planschaderisicoanalyse is gemaakt en twijfelt aan de economische uitvoerbaarheid van het project.

In de ruimtelijke onderbouwing is (onder 05, paragraaf 5.1) aandacht besteed aan de economische uitvoerbaarheid. Toegelicht is dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Geconcludeerd is dat het plan economisch uitvoerbaar is.

[naam derde partij] heeft in haar schriftelijke reactie op de beroepschriften toegelicht dat zij met de gemeente een anterieure overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan het kostenverhaal door de gemeente is gedekt. Daarbij is toegelicht dat op basis van deze overeenkomst alle kosten van de gehele planontwikkeling voor rekening van [naam derde partij] zijn. De gemeente heeft volgens [naam derde partij] kunnen vaststellen dat [naam derde partij] in staat is om deze kosten te dragen.

De rechtbank ziet in de beroepsgronden geen reden om aan de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan te twijfelen.

34. In het aanvullend beroepschrift van de SLKD is veel aandacht geschonken aan de grondexploitatieovereenkomst die de gemeente Veere in 2013 met B’s Onroerend Goed B.V. is gesloten met betrekking tot plannen om op de locatie van het KPN-gebouw een hotelvoorziening te bouwen, de zogenaamde GREX. De SLKD heeft zich op het standpunt gesteld dat deze GREX moet worden beschouwd als een aanvulling op de stedenbouwkundige randvoorwaarden.

Dat standpunt faalt. De rechtbank beschouwt de GREX als een privaatrechtelijke overeenkomst, die in planologisch opzicht geen aanvulling vormt op de stedenbouwkundige randvoorwaarden, en evenmin in ander verband van betekenis is in het kader van de verleende omgevingsvergunning.

35. In de contraexpertise van Kubiek is aandacht besteed aan de riolering. Eisers maken zich zorgen over de afwatering, zo is ter zitting toegelicht.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de ruimtelijke onderbouwing (paragraaf 04.06) voldoende onderbouwing gegeven met betrekking tot de droogweerafvoer (DWA) en de hemelwaterafvoer (HWA).

36. In de contraexpertise van Kubiek is aandacht besteed aan de externe veiligheid.

In de ruimtelijke onderbouwing (paragraaf 04.08) is geconcludeerd dat er geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid zijn.

De rechtbank ziet in de beroepsgronden, meer specifiek in de contraexpertise van Kubiek, geen reden om te twijfelen aan die conclusie.

37. De SLKD heeft in haar beroep meerdere malen gewezen op het ontbreken van draagvlak. De rechtbank begrijpt daaruit dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen vanwege het ontbreken van draagvlak in de omgeving.

Het is de rechtbank duidelijk dat het bouwplan voor veel commotie heeft gezorgd in Domburg , met name bij veel omwonenden. Het ontbreken van draagvlak is echter geen weigeringsgrond bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Wel dient er een belangenafweging plaats te vinden in het kader van de ‘goede ruimtelijke ordening’. De rechtbank meent dat met het bespreken van alle voornoemde aspecten voldoende aandacht is geweest voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bouwplan. De rechtbank kan zich ook voorstellen dat, wanneer de gemeenteraad besluit een verklaring van geen bedenkingen af te geven, het bestuurlijk draagvlak voor het onderhavige plan wordt verstevigd en daarmee mogelijk ook meer recht wordt gedaan aan de gevoelens in de omgeving.

Slotoverwegingen

38. Voor zover partijen in de reacties na de zitting van 17 juni 2019 nieuwe beroepsgronden naar voren hebben gebracht, heeft de rechtbank die gelet op de goede procesorde buiten de beoordeling gelaten.

39. De rechtbank is hiervoor tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op twee punten voor vernietiging in aanmerking komt:

  1. het niet voldoen aan randvoorwaarden #6 en #10 en het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen;

  2. het in de ruimtelijke onderbouwing gehanteerde percentage voor dubbelgebruik en de gehanteerde uitgangspunten voor de verkeersgeneratie.

40. De rechtbank is hiervoor ook tot het oordeel gekomen dat de beroepen van eisers [naam eiser 15] (zaaknummer BRE 18/3171 WABOA) en [naam eiser 13] (zaaknummer BRE 18/3167 WABOA) niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Het beroep met zaaknummer BRE 18/3161 WABOA wordt gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard, namelijk voor zover dat is ingediend door de eigenaars/bewoners van de woningen aan de Ewout van Dishoeckstraat, Van Voorthuijsenstraat, Hogehilweg even huisnummers, Het Groentje, Wijngaardstraat, Herenstraat, P.J. Eloutstraat, Badhuisweg, Duinstraat even huisnummers en oneven huisnummers vanaf 7, Westweg, Weststraat, Zandwegje, Roosjesweg, Schuitvlotstraat, Domburgseweg, Singel en Kanonweistraat.

De overige beroepen worden gegrond verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het college zal moeten (her)overwegen of het het advies van Rho overneemt om uit te gaan van 70% dubbelgebruik in plaats van 50% en eveneens moeten bepalen welke uitgangspunten moeten worden gehanteerd bij het berekenen van de verkeersgeneratie. Tevens zal een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad moeten worden gevraagd. Dat betekent dat het college een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De termijn waarbinnen dit moet gebeuren zal de rechtbank vaststellen op 12 weken.

41. Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dient het griffierecht in de zaaknummers BRE 18/3022 WABOA, BRE 18/3161 WABOA t/m BRE 18/3166 WABOA, BRE 18/3168 WABOA, BRE 18/3170 WABOA, en BRE 18/3190 WABOA aan eisers te worden vergoed.

42. De rechtbank zal het college veroordelen in de proceskosten die zijn gemaakt door de eisers, van wie het beroep ontvankelijk en gegrond is verklaard. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), voor de door een derde verleende rechtsbijstand:

 voor eiser 1, [naam eiser 1] , zaaknummer BRE 18/3022 WABOA, vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en ½ punt voor het indienen van een schriftelijke reactie na de zitting, met een waarde per punt van € 525,= en wegingsfactor 1);

 voor eisers 3 tot en met 9 en 11, zaaknummers BRE 18/3161 WABOA tot en met BRE 18/3166 WABOA, BRE 18/3168 WABOA en BRE 18/3170 WABOA, vast op éénmaal € 1.312,50 (zie berekening hiervoor).

[naam eiser 1] heeft ook verzocht om vergoeding van de door hem ingeschakelde deskundige. Hij heeft de factuur van Tonnaer overgelegd, waaruit blijkt dat die kosten in totaal € 3.671,26 zijn geweest. SLKD en mede-eisers hebben de facturen van Kubiek overgelegd, waaruit blijkt dat de kosten voor hen in totaal € 2.816,28 hebben bedragen.

Kosten voor een deskundige komen op grond van artikel 1 van het Bpb in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor deskundigen komen volgens vaste jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6309) voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de kosten zelf redelijk zijn.

Ter bepaling of het inroepen van een niet-juridisch deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers daarvan mogen uitgaan. De hoogte van de kosten acht de rechtbank, mede gezien het op grond van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldende maximumtarief van € 129,63 per uur, niet onredelijk. De rechtbank zal het college daarom opdragen om ook deze kosten te vergoeden.

Van door eiseres 2, [naam eiser 2] , gemaakte en voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

43. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog op dat deze einduitspraak op meerdere onderdelen een zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing bevat waarop de rechtbank bij de beoordeling van het beroep tegen het nieuw te nemen besluit van het college, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet mag terugkomen. Als men het met deze eindbeslissingen niet eens is, kan daartegen door het instellen van hoger beroep worden opgekomen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van [naam eiser 15] (zaaknummer BRE 18/3171 WABOA) en [naam eiser 12] en [naam eiser 13] (zaaknummer BRE 18/3167 WABOA) niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer BRE 18/3161 WABOA, voor zover ingediend door de eigenaars/bewoners van de woningen aan de Ewout van Dishoeckstraat, Van Voorthuijsenstraat, Hogehilweg even huisnummers, Het Groentje, Wijngaardstraat, Herenstraat, P.J. Eloutstraat, Badhuisweg, Duinstraat even huisnummers en oneven huisnummers vanaf 7, Westweg, Weststraat, Zandwegje, Roosjesweg, Schuitvlotstraat, Domburgseweg, Singel en Kanonweistraat, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de overige beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,= aan eiser 1, [naam eiser 1] , te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,= aan eiseres 2, [naam eiser 2] , te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 338,= aan de SLKD te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser 1, [naam eiser 1] , tot een bedrag van € 4.983,76;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers 3 tot en met 9 en 11 tot een bedrag van € 4.128,78.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzitter, en mr. R.A. Karsten-Badal en mr. W. Anker, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Mede-eisers beroepschrift SLKD:

  1. [naam mede-eiser 1] ( [adres 7] )

  2. [naam mede-eiser 2] ( [adres 8] )

  3. [naam mede-eiser 3] ( [adres 9] )

  4. [naam mede-eiser 4] ( [adres 10] )

  5. [naam mede-eiser 5] ( [adres 11] )

  6. [naam mede-eiser 6] ( [adres 12] )

  7. [naam mede-eiser 7] ( [adres 12] )

  8. [naam mede-eiser 8] ( [adres 13] )

  9. [naam mede-eiser 9] ( [adres 14] )

  10. [naam mede-eiser 10] ( [adres 15] )

  11. [naam mede-eiser 11] ( [adres 16] )

  12. [naam mede-eiser 12] ( [adres 17] )

  13. [naam mede-eiser 13] ( [adres 18] )

  14. [naam mede-eiser 14] ( [adres 19] )

  15. [naam mede-eiser 15] ( [adres 19] )

  16. [naam mede-eiser 16] ( [adres 20] )

  17. [naam mede-eiser 17] ( [adres 20] )

  18. [naam mede-eiser 18] ( [adres 20] )

  19. [naam mede-eiser 19] ( [adres 21] )

  20. [naam mede-eiser 20] ( [adres 22] )

  21. [naam mede-eiser 21] ( [adres 23] )

  22. [naam mede-eiser 22] ( [adres 23] )

  23. [naam mede-eiser 23] ( [adres 24] )

  24. [naam mede-eiser 24] ( [adres 24] )

  25. [naam mede-eiser 25] ( [adres 25] )

  26. [naam mede-eiser 26] ( [adres 26] )

  27. [naam mede-eiser 27] ( [adres 27] )

  28. [naam mede-eiser 28] ( [adres 28] )

  29. [naam mede-eiser 29] ( [adres 28] )

  30. [naam mede-eiser 30] ( [adres 29] )

  31. [naam mede-eiser 31] ( [adres 29] )

  32. [naam mede-eiser 32] ( [adres 30] )

  33. [naam mede-eiser 33] ( [adres 31] )

  34. [naam mede-eiser 34] ( [adres 31] )

  35. [naam mede-eiser 35] ( [adres 32] )

  36. [naam mede-eiser 36] ( [adres 32] )

  37. [naam mede-eiser 37] ( [adres 33] )

  38. [naam mede-eiser 38] ( [adres 34] )

  39. [naam mede-eiser 39] ( [adres 35] )

  40. [naam mede-eiser 40] ( [adres 35] )

  41. [naam mede-eiser 41] ( [adres 36] )

  42. [naam mede-eiser 42] ( [adres 37] )

  43. [naam mede-eiser 43] ( [adres 37] )

  44. [naam mede-eiser 44] ( [adres 38] )

  45. [naam mede-eiser 45] ( [adres 38] )

  46. [naam mede-eiser 46] ( [adres 39] )

  47. [naam mede-eiser 47] ( [adres 39] )

  48. [naam mede-eiser 48] ( [adres 40] )

  49. [naam mede-eiser 49] ( [adres 40] )

  50. [naam mede-eiser 50] ( [adres 41] )

  51. [naam mede-eiser 51] ( [adres 42] )

  52. [naam mede-eiser 52] ( [adres 42] )

  53. [naam mede-eiser 53] ( [adres 43] )

  54. [naam mede-eiser 54] ( [adres 44] )

  55. [naam mede-eiser 56] ( [adres 44] )

  56. [naam mede-eiser 58] ( [adres 45] )

  57. [naam mede-eiser 57] ( [adres 45] )

  58. [naam mede-eiser 58] ( [adres 46] )

  59. [naam mede-eiser 59] ( [adres 47] )

  60. [naam mede-eiser 60] ( [adres 48] )

  61. [naam mede-eiser 61] ( [adres 49] )

  62. [naam mede-eiser 62] ( [adres 50] )

  63. [naam mede-eiser 63] ( [adres 51] )

  64. [naam mede-eiser 64] ( [adres 51] )

  65. [naam mede-eiser 65] ( [adres 52] )

  66. [naam mede-eiser 66] ( [adres 52] )

  67. [naam mede-eiser 67] ( [adres 53] )

  68. [naam mede-eiser 68] ( [adres 54] )

  69. [naam mede-eiser 69] ( [adres 55] )

  70. [naam mede-eiser 70] ( [adres 56] )

  71. [naam mede-eiser 71] ( [adres 57] )

  72. [naam mede-eiser 72] ( [adres 57] )

  73. [naam mede-eiser 73] ( [adres 58] )

  74. [naam mede-eiser 74] ( [adres 59] )

  75. [naam mede-eiser 75] ( [adres 60] )

  76. [naam mede-eiser 76] ( [adres 60] )

  77. [naam mede-eiser 77] ( [adres 61] )

  78. [naam mede-eiser 78] ( [adres 62] )

  79. [naam mede-eiser 79] ( [adres 63] )

  80. [naam mede-eiser 80] ( [adres 63] )

  81. [naam mede-eiser 81] ( [adres 64] )

  82. [naam mede-eiser 82] ( [adres 65] )

  83. [naam mede-eiser 83] ( [adres 65] )

  84. [naam mede-eiser 84] ( [adres 66] )

  85. [naam mede-eiser 85] ( [adres 66] )

  86. [naam mede-eiser 86] ( [adres 67] )

  87. [naam mede-eiser 87] ( [adres 67] )

  88. [naam mede-eiser 88] ( [adres 68] )

  89. [naam mede-eiser 89] ( [adres 69] )

  90. [naam mede-eiser 90] ( [adres 70] )

  91. [naam mede-eiser 91] ( [adres 70] )

  92. [naam mede-eiser 92] ( [adres 71] )

  93. [naam mede-eiser 93] ( [adres 72] )

  94. [naam mede-eiser 94] ( [adres 72] )

  95. [naam mede-eiser 95] ( [adres 73] )

  96. [naam mede-eiser 96] ( [adres 73] )

  97. [naam mede-eiser 97] ( [adres 73] )

  98. [naam mede-eiser 98] ( [adres 74] )

  99. [naam mede-eiser 99] ( [adres 74] )

  100. [naam mede-eiser 100] ( [adres 75] )

  101. [naam mede-eiser 101] ( [adres 75] )

  102. [naam mede-eiser 102] ( [adres 76] )

  103. [naam mede-eiser 103] ( [adres 76] )

  104. [naam mede-eiser 104] ( [adres 77] )

  105. [naam mede-eiser 105] ( [adres 78] )

  106. [naam mede-eiser 106] ( [adres 78] )

  107. [naam mede-eiser 107] ( [adres 79] )

  108. [naam mede-eiser 108] ( [adres 79] )

  109. [naam mede-eiser 109] ( [adres 80] )

  110. [naam mede-eiser 110] ( [adres 81] )