Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2537

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
AWB- 19_6559
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB- 19_6559

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6559 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende] , te [plaatsnaam] (belanghebbende).

Procesverloop

In het besluit van 12 juni 2019 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiseres tot handhaving in verband met geluidsoverlast op het perceel [perceel] in [plaatsnaam], afgewezen.

In het besluit van 6 december 2019 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Door de uitbraak van het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting in Breda op 23 april 2020 niet kunnen plaatsvinden. Partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres woont op het adres [adres] in [plaatsnaam]. Op 21 mei 2019 heeft eiseres een verzoek tot handhaving ingediend tegen het overschrijden van de geluidsnorm op het naastgelegen perceel [perceel] in [plaatsnaam] (het perceel). Eiseres stelt dat bij de verwerking van oud metaal en andere materialen op dit perceel gebruik wordt gemaakt van diverse elektrische machines die geluidshinder veroorzaken. De geluidshinder bestaat ook uit het verplaatsen van materialen en het laden en lossen van aanhangwagens. Deze activiteiten waarbij de geluidsnormen worden overschreden passen volgens eiseres niet binnen de bestemming wonen zoals bedoeld in het bestemmingsplan.

Bij het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat bij een controle op 26 april 2019 en twee controles daarna geen werkzaamheden zijn geconstateerd die wijzen op de verwerking van materialen of andere activiteiten. Het proces-verbaal van de controle op 26 april 2019 is bij het besluit gevoegd.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 18 juni 2019 een bezwaarschrift ingediend.

Op 6 augustus 2019 heeft er een hoorzitting ten overstaan van de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie) plaatsgevonden.

Op 30 september 2019 heeft de commissie advies uitgebracht. De commissie is van mening dat aan het primaire besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft en heeft het college geadviseerd alsnog zorgvuldig te onderzoeken of er sprake is van een overschrijding van de geluidsnormen en naar aanleiding daarvan het handhavingsverzoek gemotiveerd af te wijzen of handhavingsmaatregelen te nemen.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Volgens het college is er geen aanleiding om handhavend op te treden.

2. In geschil is of het college het verzoek tot handhaving terecht heeft afgewezen.

3. Eiseres heeft in haar beroepschrift naar het advies van de commissie verwezen en zich hierbij aangesloten. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiseres zich op het standpunt stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het proces-verbaal van de op 26 april 2019 uitgevoerde controle kan volgens eiseres niet ter onderbouwing van het primaire besluit worden gebruikt, omdat het handhavingsverzoek pas daarna - op 21 mei 2019 - is ingediend. Daarnaast staat er in dat proces-verbaal niets over geluid en/of geluidsoverlast.

4. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zodat de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. Verder wijst het college op de artikelen 5:37 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit volgt volgens het college dat iedereen een zekere mate van hinder voor lief moet nemen. Omdat de toezichthouder bij meerdere controles geen geluid heeft waargenomen, heeft het college geen aanleiding gezien om over te gaan tot handhavend optreden.

5. Op grond van artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 is het verboden, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit, toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

6. Het handhavingsverzoek is op 21 mei 2019 door eiseres ingediend. Na deze datum heeft er op het perceel geen controle plaatsgevonden naar aanleiding van klachten van geluidsoverlast. Het proces-verbaal van de controle op 26 april 2019 bevat hierover naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende informatie. De eigenaar was op het moment van de controle niet thuis en de toezichthouder heeft het perceel niet betreden. De toezichthouder wist op dat moment bovendien niet dat de controle mede betrekking had op geluidsklachten, omdat de controle werd uitgevoerd naar aanleiding van een handhavingsverzoek met betrekking tot de opslag van ijzer en andere materialen op het perceel (zaaknummer 19/6558). In het proces-verbaal van de controle op 18 juni 2019, dat is opgemaakt nadat eiseres haar bezwaren had ingediend, is ook niets opgenomen over eventuele geluidsoverlast als gevolg van activiteiten op het perceel. Het college stelt zich daarnaast op andere controles te baseren, maar van deze controles zijn geen processen-verbaal opgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of er sprake is van geluidsoverlast. Met een verwijzing naar de controle op 26 april 2019 en enkele andere controles waarvan geen proces-verbaal is opgemaakt, heeft het college ontoereikend gemotiveerd dat er geen sprake is van geluidsoverlast en dat het handhavingsverzoek om die reden moet worden afgewezen.

Dit leidt ertoe dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

7. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen om alsnog te onderzoeken of er sprake is van geluidsoverlast als gevolg van activiteiten op het perceel. Het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op het onderzoek dat nodig is om de gebreken te herstellen, zal de rechtbank hiervoor een termijn van twaalf weken stellen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Graumans, griffier, op 12 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.