Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2523

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4534
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB - 19 _ 4534

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4534 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats2] , eiser

gemachtigde: mr. I.A.C. Cools,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 2 mei 2019 (primaire besluit) heeft het college eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting afgewezen.

In het besluit van 25 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft geen verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 28 mei 2020. Hierbij was eisers gemachtigde aanwezig. Het college is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiser heeft op 4 april 2019, in verband met zijn verhuizing van [woonplaats1] naar [woonplaats2] , een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting zoals: een koelkast, gasfornuis, tv, tafel, stoelen en een wasmachine. Eiser huurt met ingang van

5 april 2019 van Woonstichting [stichting] een woning aan de [adres] in [woonplaats2] .

Met het primaire besluit heeft het college eisers aanvraag afgewezen, omdat niet vast is komen te staan dat de kosten voor woninginrichting noodzakelijk zijn. Eiser heeft zelf de keuze gemaakt om te verhuizen. Die verhuizing is wenselijk maar niet noodzakelijk.

2. Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft het college eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het college stelt dat uit onderzoek is gebleken dat eiser tot 2018 in [woonplaats2] heeft gewoond. In 2018 is hij verhuisd naar een huurwoning in [woonplaats1] . Omdat eiser deze woning te groot vond, heeft hij gezocht naar iemand om van woning mee te ruilen. Dat is gelukt en eiser is op 5 april 2019 verhuisd naar een huurwoning in [woonplaats2] . Het college erkent dat, omdat eiser in een woning is gaan wonen die inrichting behoeft, de inrichtingskosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen. Volgens het college zijn deze kosten in eisers geval echter niet noodzakelijk. Er is namelijk geen aantoonbare noodzaak voor eisers verhuizing van [woonplaats1] naar [woonplaats2] . Eiser is een vrijwillige woningruil aangegaan en de reden die hij geeft voor zijn verhuizing, namelijk omdat hij zijn woning in [woonplaats1] te groot vond, maakt die verhuizing niet noodzakelijk. Ook anderszins niet gebleken dat eisers verhuizing noodzakelijk was. Het college stelt dan ook eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting terecht te hebben afgewezen.

3. Beroepsgronden

Eiser betwist dat zijn verhuizing niet noodzakelijk was. Eiser is met een familielid in de woning - een eengezinswoning - in [woonplaats1] gaan wonen. Dat familielid was echter veel weg, waardoor eiser alleen in een te grote woning woonde. Eiser is daarom op zoek gegaan naar andere woonruimte en heeft die, middels woningruil, in [woonplaats2] gevonden. Eiser stelt voorts dat in bezwaar de afspraak was gemaakt dat hij aanvullende informatie zou verstrekken. Het college heeft echter zonder die informatie af te wachten het bestreden besluit genomen.

4. Juridisch kader

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Bij de toepassing van dit artikel dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

5. Oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het college op goede gronden eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van zijn woning in [woonplaats2] heeft afgewezen.

Het college heeft die aanvraag afgewezen, omdat die inrichtingskosten niet noodzakelijk zijn. Die kosten zijn volgens het college namelijk het gevolg van een niet-noodzakelijke verhuizing van [woonplaats1] naar [woonplaats2] .

Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of er sprake is van noodzakelijke kosten. Daarbij is het aan eiser om aannemelijk te maken dat zijn verhuizing naar [woonplaats2] noodzakelijk was en daarmee de inrichtingskosten van zijn woning aldaar.

In bezwaar heeft eiser aan het college verzocht om uitstel voor het indienen van stukken ter onderbouwing van zijn standpunt, tot na 12 augustus 2019. Het college heeft daarop niet gereageerd noch gewacht, maar op 25 juli 2019 het bestreden besluit genomen. De rechtbank acht dit niet zorgvuldig, maar ziet geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden. Dat zou anders zijn geweest als eiser in deze beroepsprocedure stukken zou hebben overgelegd, die hij door de handelwijze van het college niet in bezwaar heeft kunnen overleggen. Maar ook nu, in deze procedure, overlegt eiser geen stukken ter onderbouwing van zijn standpunt.

Eiser stelt dat zijn verhuizing van [woonplaats1] naar [woonplaats2] noodzakelijk was en daarmee zijn inrichtingskosten. Eiser heeft (ter zitting) aangegeven dat hij is verhuisd omdat hij in [woonplaats1] in een sociaal isolement verkeerde. Hij woonde daar in een woning met een familielid, maar die was vaak afwezig en de woning was te groot voor hem alleen. Eiser miste (het contact met) zijn kinderen en de reisafstand tussen [woonplaats1] en [woonplaats2] was voor hem te groot, omdat hij zich niet kan verplaatsen en de Nederlandse taal niet machtig is. Eiser wilde daarom dichter bij zijn kinderen wonen, is een woningruil aangegaan en verhuisd naar [woonplaats2] .

De rechtbank begrijpt de redenen waarom eiser wilde verhuizen, maar acht deze redenen niet zodanig dat daarmee eisers verhuizing als noodzakelijk kan worden aangemerkt. Eiser heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak tot verhuizing naar [woonplaats2] bestond. De kosten van inrichting van de woning in [woonplaats2] kunnen als gevolg daarvan dan ook niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. Het college heeft derhalve terecht eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor die kosten afgewezen.

6. Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier, op 11 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.