Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2520

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19_5634
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB - 19_5634

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5634 WIA

uitspraak van 11 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Amsterdam), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 oktober 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de verlaging van zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 24 maart 2020. Door de uitbraak van het corona-virus COVID-19 heeft het onderzoek ter zitting niet kunnen plaatsvinden. Partijen hebben toestemming gegeven om het beroep af te doen zonder zitting.

Op 3 juni 2020 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser is werkzaam geweest als [functie]. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege depressieve klachten en angsten.

Bij besluit van 9 oktober 2017 heeft het UWV aan eiser met ingang van 9 december 2017 een WIA-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

Bij besluit van 9 mei 2019 (primair besluit) heeft het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2019 vastgesteld op 49,19%. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2019 heeft vastgesteld op 49,19%.

3. Wettelijk kader

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Medische beoordeling

4.1

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts rapporteert dat de gegevens die naar voren komen uit informatie van de bedrijfsarts, anamnese, eigen onderzoek en dagverhaal een consistent en plausibel geheel vormen. De situatie is verbeterd ten opzichte van eerder onderzoek. Het dagverhaal laat een beter vermogen tot persoonlijk- en sociaal functioneren zien. Er is sprake van een geleidelijke verbetering bij een geleidelijk toenemende belastbaarheid met nog een resterende kwetsbaarheid bij kans op terugval bij een te hoge belasting ineens, hierbij kan het ook gaan om te veel nieuwe omstandigheden (werken en opleiding) ineens. Eiser verzorgt zichzelf, verricht huishoudelijke taken en onderhoudt sociale contacten. De situatie valt niet in één van de uitzonderingscategorieën van de standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden. Er zijn derhalve benutbare mogelijkheden aan te nemen. Wel zijn deze mogelijkheden objectiveerbaar aan beperkingen onderhevig. Deze beperkingen zijn een rechtstreeks gevolg van ziekte en/of gebrek. Vooralsnog is eiser aangewezen op passende werkzaamheden. De beperkingen in persoonlijk functioneren resteren nog merendeels, er zijn geen beperkingen meer van zelfstandig en doelmatig functioneren. De beperkingen in sociaal functioneren resteren nog merendeels. Voor wat betreft werktijden is eiser één dag per week niet beschikbaar en daarnaast maximaal 6 tot 8 uur per dag belastbaar bij niet werken in de nacht. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser heeft de verzekeringsarts neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 april 2019.

De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht. Eiser heeft afgezien van een hoorzitting zodat de verzekeringsarts b&b eiser niet zelf heeft gezien. De verzekeringsarts b&b rapporteert onder verwijzing naar het Schattingsbesluit dat het standpunt van eiser dat hij niet kan werken niet kan worden gevolgd. Op grond van de gegevens is aannemelijk dat er sprake is van psychische klachten leidend tot beperkingen in het dagelijks functioneren, maar van een volledig onvermogen is geen sprake. Uitgegaan dient te worden van de aanwezigheid van functionele mogelijkheden, de verzekeringsarts heeft dan ook terecht een FML ingevuld. Deze beperkingen dienen in de bezwaarprocedure heroverwogen te worden. In bezwaar worden geen medische gegevens ingebracht op grond waarvan zou moeten aangenomen dat het medisch toestandsbeeld wezenlijk anders is dan beschreven door de verzekeringsarts en waaruit zou kunnen blijken dat de verzekeringsarts tot een kennelijk onjuist oordeel is gekomen wat betreft de klachten, het medische toestandsbeeld en de behandeling. Er is rekening gehouden met de nog aanwezige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en tevens is rekening gehouden met de behandeling waardoor eiser minder beschikbaar is. Bij heroverweging van alle medische gegevens kan niet worden geconcludeerd dat de functionele mogelijkheden en beperkingen van eiser onjuist zijn ingeschat.

4.2

Standpunt eiser

Eiser voert aan dat de medische aspecten van zijn bezwaren in onvoldoende mate zijn meegewogen in de besluitvorming.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Eiser heeft in beroep geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij meer beperkt is dan aangenomen. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsartsen zijn klachten onjuist hebben geïnterpreteerd. Ook is rekening gehouden met de mindere beschikbaarheid van eiser vanwege de (ten tijde in geding) lopende behandeling. Niet gebleken is dat in de FML van 10 april 2019 de beperkingen van eiser zijn onderschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

De mededeling van eiser dat hij met ingang van 8 augustus 2019 voor minimaal 10 weken zal worden opgenomen, maakt dit niet anders, aangezien de beoordeling in deze procedure gaat over de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2019.

5. Geschiktheid voor de functies

5.1

Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: bode-bezorger (Sbc-code 315140), medewerker kleding en textielreiniging (Sbc-code 111161) en textielproductenmaker (geen machines bedienen) (Sbc-code 111160).

5.2

Standpunt eiser

Eiser voert aan dat de arbeidsdeskundige aspecten van zijn bezwaren in onvoldoende mate zijn meegewogen in de besluitvorming.

5.3

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 1 maart 2019. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. In wat door eiser is aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor een andersluidend oordeel.

De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 49,19%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2019 heeft vastgesteld op 49,19%. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

7. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat het griffierecht aan eiser moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier, op 11 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.