Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2518

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
AWB - 18_8270
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB - 18_8270

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/8270 WOB

uitspraak van 11 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[stichting], te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 november 2018 (bestreden besluit) van het college inzake haar verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 22 oktober 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen [vertegenwoordiger1], [vertegenwoordiger2] en [vertegenwoordiger3], bijgestaan door gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.E. Jansen – van der Hoek.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het college in de gelegenheid te stellen om een ongecensureerde versie van de betreffende documenten in te dienen, eventueel met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het college heeft de betreffende documenten ingezonden en daarbij verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 31 oktober 2019 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de genoemde stukken gerechtvaardigd is. Eiseres heeft vervolgens toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten.

Op 8 juni 2020 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiseres heeft in haar Wob-verzoek van 5 juli 2018 verzocht om openbaarmaking van de volgende stukken:

1. Het besluit 001 van de besluitenlijst van de B&W vergadering van 9 januari 2018.

Dit in week 2 genomen besluit heeft als onderwerp:

“Besluiten de omgevingsvergunning 1e fase voor de herontwikkeling van het [bedrijf] gebouw te verlenen en hiervoor ook de gesloten overeenkomt aan te vullen.”

Het verzoek betreft niet alleen het besluit zelf maar ook alle bijbehorende stukken. Het verzoek betreft de door de collegeleden getekende versie.

2. De complete besluitenlijst van week 2 van 2018.

Dus met alle besluiten erop, ingedeeld per wethouder, de corsanummers en de rondvraag en afstemming erbij. De besluitenlijst van week 32 van 2017 kan als voorbeeld dienen.

3. Het besluit 24 van de besluitenlijst van de B&W vergadering van 20 maart 2018.

Dit in week 12 van dit jaar genomen besluit heeft als onderwerp:

“Zienswijze familie [naam] gericht tegen de ontwerp omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van het [bedrijf] gebouw te [plaatsnaam].”

Het verzoek betreft niet alleen het besluit zelf maar ook alle bijbehorende stukken. Het verzoek betreft de door de collegeleden getekende versie.

4. De complete besluitenlijst van week 12.

Dus met alle besluiten erop, ingedeeld per wethouder, de corsanummers en de rondvraag en afstemming erbij. De besluitenlijst van week 32 van 2017 kan als voorbeeld dienen

Bij besluit van 25 mei 2018 (primair besluit) heeft het college het gevraagde informatie gedeeltelijk verstrekt. Het gevraagde besluit 001 van de besluitenlijst van de collegevergadering van 9 januari 2018 en het besluit 24 van de besluitenlijst van 20 van de collegevergadering van 20 maart 2018 heeft het college gedeeltelijk verstrekt. Van beide besluiten is, op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob de naam van de behandelend ambtenaar weggelakt uit het oogpunt van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast worden de persoonlijk beleidsopvattingen van de behandelend ambtenaar als opgenomen onder kopje 4.1 van het besluit van 9 januari 2018 niet verstrekt. De weigering is gebaseerd op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wob. De besluitenlijsten van week 2 en 12 heeft het college gedeeltelijke verstrekt. De volledige besluitenlijsten bevatten persoonsgegevens waarvan, op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, en het privacybeleid van de gemeente verstrekking achterwege kan blijven. De gevraagde besluiten omvatten alleen het [bedrijf] gebouw. Nu de andere besluiten op de lijst ook persoonsgegevens, die niet in de interessesfeer van het verzoek liggen en waar niet uitdrukkelijk om is verzocht, moet het vermijden van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betreffende personen zwaardere wegen dan het belang bij het bekend worden van deze gegevens. Deze hebben immers betrekking op de vaak zeer persoonlijke situatie van betrokkenen en/of hun bezittingen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Voor wat betreft het openbaar maken van de namen van behandelend ambtenaren heeft het college het belang van eiseres (aantonen van cliënttelisme en belangenverstrengeling) afgewogen tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van de gemeente. Daarbij heeft het college het belang van de medewerkers (mogelijk onrechtmatig gebruik van de persoonsgegeven) laten prevaleren boven het belang van eiseres.

2. Standpunt eiseres

Eiseres voert voor wat betreft in de belangenafweging door het college een te summiere en in te algemene bewoordingen gestelde onderbouwing wordt gegeven. Volgens eiseres is er een bijzondere aanleiding voor het verzoek om de namen van de behandelend ambtenaren openbaar te maken. Verder biedt volgens eiseres, voor zover sprake is van persoonsgegevens van medewerkers die wegens hun functie in de openbaarheid treden, wat het college bij de belangenafweging heeft betrokken geen rechtvaardiging voor het niet openbaar maken van het in het bijzonder die persoonsgegevens. Voor wat betreft de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wob stelt eiseres dat het voor haar in het geheel niet duidelijk is dat sprake is van een beperkte aanwijsbare groep ambtenaren, laat staan om welke ambtenaren het gaat.

3. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan verstrekt bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Het bestuursorgaan draagt op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wob er zo veel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Artikel 10, tweede lid, aanhef en sub e, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Het tweede lid, aanhef en onder e, is op grond van artikel 10, derde lid, van de Wob niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1

De rechtbank heeft met toestemming van eiseres kennis genomen van de ongecensureerde versie van de documenten en heeft voor zover het de herontwikkeling van het [bedrijf]-gebouw het volgende vastgesteld. In het B&W advies van 17 maart 2016 is weggelakt de naam en het doorkiesnummer van de behandelaar en wat onder de risico’s en kanttekeningen is vermeld. In het B&W advies van 8 maart 2018 is weggelakt de naam en het doorkiesnummer van de behandelaar.

4.2

Ten aanzien van de weggelakte namen en doorkiesnummers is de rechtbank onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.2 van de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 27 februari 2019 (ECLI:NL: RVS:2019:3253) van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijk levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van de namen en doorkiesnummers van de ambtenaren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het medewerkers betreffen die niet wegens hun functies in de openbaarheid treden en aan wie geen mandaat is verleend voor het nemen van besluiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid in dit concrete geval zwaarder weegt. Het college heeft dan ook openbaarmaking van de namen en doorkiesnummers van de ambtenaren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob mogen weigeren. De rechtbank volgt niet het door eiseres ingenomen standpunt dat sprake is van een te summiere en in te algemene bewoordingen gestelde onderbouwing. Verder heeft het college zich voor wat betreft wat is weggelakt onder de risico’s en kanttekeningen naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een persoonlijk beleidsopvatting, opgesteld ten behoeve van intern beraad, zodat het college deze informatie terecht op grond van artikel 11, van de Wob heeft geweigerd.

5. Conclusie

De conclusie van het voorgaande is dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Redelijke termijn

Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

Gerekend van (de ontvangst van) het bezwaarschrift van 5 juli 2018 tot de datum van deze uitspraak zijn geen twee jaar verstreken. Hieruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

W.J. Steenbergen, griffier, op 11 juni 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.