Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2510

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
02/073722-20 en 96/095936-18 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte die in een paar dagen tijd een slijterij en een supermarkt heeft overvallen door middel van het tonen van een briefje met dreigende tekst aan de caissière, heeft bekend en krijgt een laatste kans in de zin van reclasseringshulp bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/073722-20 en 96/095936-18 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 16 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave

raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 juni 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 maart 2020 een caissière van de [slijterij] (tenlastegelegd als feit 2) en op 19 maart 2020 een caissière van de [supermarkt] (tenlastegelegd als feit 1) heeft gedwongen om geld af te staan door het tonen van een briefje met daarop een dreigende tekst.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangiftes acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan beide tenlastegelegde feiten schuldig heeft gemaakt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangiftes.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Het bewijs

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 2 juni 2020;

- de aangifte van [aangever 1] , pagina 151 van het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant met nummer 2020068922/2020070735;

- de verklaring van getuige [naam 1] , pagina 157 van het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant met nummer 2020068922/2020070735.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 eveneens een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 2 juni 2020;

- de aangifte van [aangever 2] , pagina 97 van het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant met nummer 2020068922/2020070735;

- de verklaring van getuige [naam 2] , pagina 101 van het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant met nummer 2020068922/2020070735.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
op 19 maart 2020 te Goirle, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam 1] , heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag toebehorende aan [supermarkt] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij een briefje gaf/overhandigde aan voornoemde [naam 1] , inhoudende de tekst "U bent verplicht al het geld uit de kassa te geven!!! Je mag niet schreeuwen anders word er geweld"!!!;

2
op omstreeks 17 maart 2020 te Kaatsheuvel, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam 2] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, toebehorende aan [slijterij] , welke bedreigingen met geweld hierin bestond dat hij een briefje op de toonbank heeft gelegd (welke voor de [aangever 2] leesbaar was) inhoudende de tekst "U bent mij verplicht om te voldoen aan mij eisen. Haal nu al het geld uit de kassa en stop het in deze tas. Het liefst zonder geweld!!";

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie acht dus geen ruimte voor een voorwaardelijke straf. Verdachte heeft al meerdere kansen gehad, zijn strafblad werkt strafverhogend en verder neemt hij hierbij nog in aanmerking het feit dat de reclassering geen aanleiding ziet voor een voorwaardelijk strafdeel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit een korte detentie en een fors voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden met daarnaast een aanzienlijke, mogelijk zelfs de maximale taakstraf. Verdachte heeft in de gevangenis gewerkt aan een bestendige toekomst. Zo heeft hij onder meer al hulp gezocht voor zijn verslaving en is hij bereid om zich aan alle te stellen voorwaarden te houden. Van een kale afstraffing wordt hij, noch de maatschappij beter.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing. Verdachte is daartoe de winkel binnen gelopen en rechtstreeks naar de kassa gegaan. Daar heeft hij een briefje op de toonbank gelegd dat alleen zichtbaar was voor de caissière. Op dit briefje stond – kort gezegd – dat de caissière geld moest geven, en dat dit het liefst zonder geweld moest verlopen. Nadat de caissière het geld had gegeven, heeft hij het geld in zijn tas gestopt en is hij rustig de winkel weer uitgelopen. Verdachte heeft zich hier twee keer kort achter elkaar schuldig aan gemaakt.

Dergelijke misdrijven zijn ernstig en moeten een beangstigende ervaring zijn geweest voor diegene die dit overkomt. Het brengt daarnaast veel onrust teweeg bij de winkeliers, het personeel en de klanten. Daarnaast vergroten dit soort misdrijven het gevoel van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft kennelijk op geen enkel moment stilgestaan bij deze gevolgen voor anderen. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om op deze manier snel aan geld te komen. De rechtbank vindt dit kwalijk en rekent dit verdachte aan.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte al een lang strafblad heeft, namelijk een van 29 pagina’s. Verdachte heeft kennelijk van alle voorgaande straffen en maatregelen niks geleerd. Uit het strafblad blijkt dat alcohol een groot probleem is voor verdachte en dat hij onder invloed van alcohol telkens de fout ingaat, hetgeen hij op zitting heeft bevestigd. Ook de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd onder invloed van alcohol. De kansen die hij heeft gehad om daar wat aan te doen, hebben niet tot verandering geleid.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank het rapport van de reclassering gelezen van 1 april 2020. Dit rapport is geschreven in het lopende toezicht onder het parketnummer 96/095936-18, waarvan de officier ter terechtzitting de tenuitvoerlegging heeft gevorderd.

Uit dit rapport blijkt dat de inzet vanuit de reclassering en het opleggen van verschillende strafmodaliteiten niet heeft geleid tot de gewenste gedragsverandering. Verdachte is in het verleden meerdere keren klinisch opgenomen en over het algemeen zijn deze voortijdig negatief beëindigd. Verdachte heeft een geschiedenis van het niet nakomen van afspraken en behandelvoorwaarden. Dit patroon wordt ook teruggezien in het lopende toezicht. Ook gedurende dit toezicht heeft verdachte zich meermalen niet aan de regels gehouden van de kliniek waarin hij was geplaatst. Zijn verblijf bij de forensische beschermende woonvorm Stichting DOOR te Middelburg is daarom voortijdig negatief beëindigd.

De reclassering komt tot de conclusie dat binnen een toezichtkader niet gewerkt kan worden aan de gewenste gedragsverandering. De pro-criminele houding en het niet nakomen en conformeren aan voorwaarden vormt een probleem om te werken aan het voorkomen van recidive en om die reden heeft een reclasseringstoezicht geen effect bij verdachte.

Dit alles zou een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank houdt echter - in het voordeel van verdachte - rekening met de verklaring van de verdachte ter zitting. Daaruit is gebleken dat hij niet alleen oprecht spijt heeft van wat hij heeft gedaan en zich nu bewust toont van de gevolgen van zijn daden, maar ook is hij vast van plan om het roer om te gooien, te werken aan zijn verslaving en zijn leven op orde te krijgen. Hij is daartoe bereid om zich te houden aan de voorwaarden en elke behandeling die hij krijgt opgelegd met beide handen aan te grijpen.

De rechtbank wil verdachte daarom nog een kans bieden om zijn leven op orde te krijgen. Daarbij speelt de intrinsieke motivatie van verdachte, zoals getoond ter zitting en welke bij de rechtbank oprecht overkwam, een essentiële rol. Die kan zorgen voor een blijvende gedragsverandering bij verdachte, waardoor hij in het vervolg de alcohol zal laten staan, geen strafbare feiten meer pleegt en geen overlast meer veroorzaakt voor de samenleving. Dat maakt dat, hoewel hulp en voorwaarden eventueel ook kunnen worden geboden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling, de rechtbank voor een andere strafmodaliteit kiest dan de officier van justitie, zodat verdachte eerder aan de slag kan met zijn problematiek en het werken aan zijn toekomst. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat verdachte – bewust – geen geweld heeft gebruikt en de (psychische) gevolgen voor de caissières beperkt zijn gebleven.

De rechtbank acht het van belang op te merken dat verdachte zich goed moet realiseren dat als hij deze kans verpest, hij geen volgende kans meer krijgt. De rechtbank geeft verdachte – gelet op zijn houding en verklaring ter zitting – het voordeel van de twijfel. Bij een volgend strafbaar feit kan verdachte dat vergeten en zal hij afgestraft worden.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend geboden, met een proeftijd van drie jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden. De duur van het voorwaardelijke strafdeel en de proeftijd vormen een stevige stok achter de deur voor verdachte om gemotiveerd te blijven zijn leven op orde te krijgen en alcohol definitief af te zweren. De bijzondere voorwaarden die zullen worden opgelegd zal de rechtbank in haar beslissing opnemen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 29 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 17 augustus 2018 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. Voor een omzetting in een taakstraf zoals door de verdediging bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Afpersing;

feit 2: Afpersing;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de (verslavings)reclassering van Novadic-Kentron op het adres Jan Wierhof 14, te Tilburg of in de (dichtstbijzijnde) plaats waar verdachte gaat verblijven en zich daarna moet blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht en zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en zal meewerken aan controles op dit verbod. De reclassering kan hiervoor gebruik maken van urinecontroles en bloedonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke, door de reclassering te bepalen zorgverlener, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien de voor de indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert voor de duur van maximaal zeven weken of zoveel korter als dat nodig is, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

* dat verdachte direct na de detentie, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, verblijft bij Stichting “In de Vrijheid/MF Care” of een soortgelijke, door de reclassering te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang instelling, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* dat verdachte, in samenspraak met reclassering, een plan van aanpak zal maken voor de problemen in de verschillende leefgebieden van verdachte, waaronder in ieder geval huisvesting, dagbesteding, inkomen en een sociaal netwerk.

* geeft opdracht aan de (verslavings)reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 17 augustus 2018 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 96/095936-18 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 29 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Voorn, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juni 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1
hij op of omstreeks 19 maart 2020 te Goirle, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld
en/of bedreiging met geweld [naam 1] , heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij een briefje gaf/overhandigde aan voornoemde [naam 1] , inhoudende de tekst "U bent verplicht al het geld uit de kassa te geven!!! Je mag niet schreeuwen anders word er geweld"!!!;

2
hij op of omstreeks 17 maart 2020 te Kaatsheuvel, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld
en/of bedreiging met geweld [naam 2] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slijterij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreigingen met geweld hierin bestond dat hij een briefje op de toonbank heeft gelegd (welke voor de [naam 2] leesbaar was) inhoudende de tekst "U bent mij verplicht om te voldoen aan mij eisen. Haal nu al het geld uit de kassa en stop het in deze tas. Het liefst zonder geweld!!";