Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2451

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
AWB- 20_6581 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag uitkering: recht niet vast te stellen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6581 PW VV

uitspraak van 9 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. C. de Vries,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 6 mei 2020 (bestreden besluit), waarbij zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet is afgewezen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Feiten en omstandigheden

1. Verzoeker heeft op 6 april 2020 een bijstandsuitkering aangevraagd bij het college.

Bij brief van 14 april 2020 heeft het college verzoeker verzocht om uiterlijk op 21 april 2020 de nog ontbrekende gegevens en/of bewijsstukken over te leggen. Verzoeker heeft echter niet alle gevraagde stukken ingeleverd. Bij brief van 24 april 2020 heeft het college verzoeker daarom een nieuwe hersteltermijn geboden, ditmaal tot 1 mei 2020. Verzoeker heeft vervolgens enkele stukken ingeleverd.

Bij het bestreden besluit heeft het college de aanvraag afgewezen omdat verzoeker onvoldoende informatie heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Zo heeft hij geen deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aangeleverd om aan te tonen hoe hij in de periode van juni 2018 tot heden in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

Overwegingen

2. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

3. De voorzieningenrechter benadrukt dat de rechtspraak ten aanzien van het spoedeisend belang zeer strikt is. Bij een besluit waarbij uitsluitend een financiële aanspraak wordt ontzegd, zoals hier het geval is, kan in het algemeen alleen dan aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening indien sprake is van een dusdanig acute financiële noodsituatie dat gelet op de betrokken belangen tot onverwijlde verlening van bijstand moet worden overgegaan.

4. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij over inkomen moet kunnen beschikken om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien; hij heeft nu onvoldoende middelen om zichzelf te verzorgen. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een acute financiële noodsituatie heeft hij bankafschriften overgelegd.

5. Uit het dossier blijkt dat verzoeker sinds juni 2018 geen aantoonbare bron van inkomsten meer heeft. Daarom heeft het college verzoeker naar aanleiding van zijn bijstandsaanvraag verzocht om aan te tonen hoe hij sinds juni 2018 in zijn levensonderhoud voorziet. Verzoeker heeft vervolgens zijn bankafschriften over de periode van 10 juni 2018 tot en met 28 april 2020 overgelegd. Deze geven niet of nauwelijks blijk van aantoonbare uitgaven aan levensonderhoud. Verzoeker heeft hier geen verklaring voor gegeven, noch heeft hij onderbouwd hoe hij desondanks in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Bovendien is verzoeker dakloos, waardoor er geen sprake is van acute nood in de zin van een dreigende uithuiszetting of afsluiting van nutsvoorzieningen. Verzoeker heeft niet aangegeven welke wijziging in de omstandigheden zich heeft voorgedaan die maakt dat hij nu met spoed bijstand behoeft om zichzelf te kunnen verzorgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker dan ook niet aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een acute financiële noodsituatie. Dat betekent dat het spoedeisend belang ontbreekt.

6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het besluit geen stand zal kunnen houden.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Dit betekent dat verzoeker de beslissing van het college op het door hem ingediende bezwaar zal moeten afwachten.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 9 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.