Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2445

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
AWB- 19_5769
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB- 19_5769

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5769 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres], [plaatsnaam], eiseres

gemachtigde: mr. C.J.M.M. Verwijmeren,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

Bij betaalspecificatie van 4 september 2019 (primair besluit) heeft het UWV gesteld dat eiseres in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2019 geen recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

In het besluit van 8 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft UWV het bezwaar van eiseres tegen de betaalspecificatie ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting zou plaatsvinden op 25 maart 2020. De zitting heeft echter geen doorgang kunnen vinden, omdat de rechtbank werd gesloten vanwege de maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus (COVID-19). Partijen hebben desgevraagd schriftelijk toestemming gegeven om de zaak zonder een zitting af te doen.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting daarom achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 25 mei 2020.

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres ontvangt sinds 1 januari 2018 een WW-uitkering van het UWV. Van 1 september 2018 tot 1 december 2018 ontving zij deze uitkering wegens werkhervatting niet. Met ingang van 1 december 2018 is de WW-uitkering echter weer voortgezet. Het UWV heeft de uitkering met ingang van 1 juni 2019 beëindigd omdat eiseres wederom werk had gevonden. Omdat dit werk is gestopt, heeft het UWV de WW-uitkering bij besluit van 20 augustus 2019 met ingang van 1 augustus 2019 weer voortgezet.

Uit de betaalspecificatie van 4 september 2019, die daarmee als primair besluit geldt, blijkt dat er over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2019 geen WW-uitkering wordt uitbetaald, omdat eiseres daar volgens het UWV geen recht op had. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

2. Eiseres stelt, samengevat, dat het korten van de uitbetaalde vakantiedagen op de WW-uitkering over de maand augustus 2019 leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in met artikel 4:1, elfde lid van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Zonder deze post was zij wel onder de 87,5% van haar WW-maandloon gebleven en had zij dus recht op uitkering. Zij verzoekt om een schadevergoeding.

Wettelijk kader

3. In artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen geniet dat (…) meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt.

In artikel 4:1, eerste lid, van het AIB is, voor zover hier van belang, bepaald dat inkomen voor de toepassing van de WW wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand.

In het achtste lid van dit artikel is bepaald dat het UWV bij de vaststelling van het inkomen het in het aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris in aanmerking kan nemen, waarbij het in dat aangiftetijdvak betaalde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris niet in aanmerking worden genomen.

In het negende lid van dit artikel is bepaald dat inkomen over een aangiftetijdvak van vier weken wordt geacht te zijn genoten in de kalendermaand waarin het aangiftetijdvak van vier weken eindigt.

In tiende lid van dit artikel is bepaald dat, in afwijking van het achtste lid, voor de vaststelling van het inkomen voor de WW het in een aangiftetijdvak betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de opgebouwde vakantiebijslag niet als inkomen wordt aangemerkt, indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking bij een werkgever die de vakantiebijslag reserveert. Indien de vakantiebijslag wordt gereserveerd, wordt het inkomen in die dienstbetrekking vermenigvuldigd met 108/100.

In het elfde lid van dit artikel is bepaald dat het UWV het inkomen op een andere wijze kan vaststellen indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.

Overwegingen

4.1

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie onder meer de uitspraak van en 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2789) volgt dat het UWV in beginsel uit mag gaan van de gegevens uit de polisadministratie (Suwinet), tenzij de betrokkene aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. Uit de uitdraai van Suwinet die in het dossier te vinden is, blijkt dat eiseres over de periode van 15 juli 2019 tot en met 11 augustus 2019 een sociaal verzekeringsloon (SV-loon) van € 1.939,53 heeft ontvangen voor haar werkzaamheden voor [naam B.V.] Nu gesteld noch gebleken is dat deze gegevens onjuist zijn, is het UWV hier terecht van uitgegaan.

4.2

Op grond van artikel 4:1, negende lid van het AIB wordt, voor de vaststelling van het inkomen voor de WW, het inkomen over een aangiftetijdvak van vier weken geacht te zijn genoten in de kalendermaand waarin het aangiftetijdvak van vier weken eindigt. Het UWV heeft dan ook terecht het loon van eiseres over de vierwekenperiode van 15 juli 2019 tot en met 11 augustus 2019 toegerekend aan de kalendermaand augustus 2019, nu de vierwekenperiode is geëindigd in die maand.

4.3

In het besluit van 20 augustus 2019, waarin besloten is de WW-uitkering van eiseres met ingang van 1 augustus 2019 voort te zetten, heeft het UWV aangegeven dat het WW-maandloon € 2.292,89 bedraagt. Dit is door eiseres niet betwist. 87,5% daarvan is € 2.006,28.

In artikel 4:1, tiende lid, van het AIB is bepaald dat het inkomen in dienstbetrekking bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert, wordt vermenigvuldigd met 108/100. Het totale inkomen van eiseres in de maand augustus 2019 bedraagt dan € 1.939,53 plus 8% vakantietoeslag, dus in totaal € 2.094,62.

Daarmee is het inkomen van eiseres in de maand augustus 2019 hoger dan 87,5% van het maandloon. Het UWV heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2019 geen recht had op een WW-uitkering.

4.4

De stelling van eiseres dat uitbetaalde vakantiedagen ten onrechte zijn betrokken bij de vaststelling van haar inkomen over de maand augustus 2019, volgt de rechtbank niet. Uit de gegevens van Suwinet blijkt niet dat er in het aangiftetijdvak van 15 juli 2019 tot en met 11 augustus 2019 sprake was van uitbetaalde vakantiedagen en eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. De gereserveerde vakantiebijslag is dan ook conform het tiende lid van artikel 4:1 van het AIB bij de vaststelling van het inkomen betrokken.

4.5

De rechtbank volgt eiseres evenmin in de stelling dat het op deze wijze vaststellen van het inkomen leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Omdat dit artikellid een uitzondering op de hoofdregel betreft, moet het begrip ‘kennelijk onredelijk resultaat’ restrictief worden uitgelegd. Verder wil ‘kennelijk’ zeggen dat aanstonds duidelijk moet zijn dat de wijze van berekenen leidt tot een resultaat dat onredelijk is. Daarvan is geen sprake. Niet is gebleken dat de toepassing van de hoofdregel leidt tot een voor eiseres zozeer financieel onacceptabele situatie dat dit indruist tegen de fundamentele rechtsbeginselen van de toepasselijke wettelijke regels.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om schadevergoeding af.

7. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 9 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.