Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2440

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
AWB- 19_3999
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB- 19_3999

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3999 WABOA

uitspraak van 5 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] en [naam eiseres], [plaatsnaam eisers1] eisers 1,

[namen eisers2] , [plaatsnaam eisers2], eisers 2,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, te Zierikzee, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghoudster] , te [plaatsnaam vergunninghoudster], vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. A.J.K. Fluit, advocaat te Goes.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juni 2019 (bestreden besluit) van verweerder inzake de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van vijf permanente standplaatsen op een minicamping, twee pensionkamers, een yogaruimte en een theetuin op het adres [adres] te [plaatsnaam].

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 29 mei 2020. Eiseres [naam eiseres] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.P. Koster-Braad. [naam vergunninghoudster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten

[naam vergunninghoudster] (vergunninghoudster) is eigenaresse van het perceel aan de [adres] te [plaatsnaam].

Op 9 augustus 2017 heeft [naam architect], architect, namens vergunninghoudster een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van vijf permanente standplaatsen, twee pensionkamers, een yogaruimte en een theetuin op het perceel.

De ontwerp-omgevingsvergunning heeft van 19 februari 2018 tot en met 3 april 2018 ter inzage gelegen.

Op 28 maart 2018 hebben eisers 1 een zienswijze ingediend tegen de aangevraagde bestemmingsplanwijziging.

Op 31 maart 2018 heeft de vereniging [naam vereniging]’ een zienswijze ingediend. Op 1 juni 2019 heeft de vereniging kenbaar gemaakt geen bezwaar meer te hebben tegen het voornemen van het college om de omgevingsvergunning te verlenen.

Bij het bestreden besluit is de gevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghoudster verleend.

Tegen dit besluit hebben eisers op 30 juli 2019 beroep ingesteld.

2. Standpunt van eisers

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het bouwplan schadelijk is voor het naastgelegen Natura 2000 gebied de Koudekerkse Inlaag. De vergunning voldoet volgens hen niet aan de vereisten, omdat niet is ingegaan op het gewijzigde stikstofbeleid. Eisers zijn verder van mening dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de verstorende (geluids-, licht- en stikstof)effecten van het bouwplan op de omgeving van het natuurgebied. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers een rapport van de Vogelbescherming bijgevoegd.

Eisers zijn van mening dat zij als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, omdat zij zich jarenlang hebben ingezet voor versterking en bescherming van de natuur rond de Koudekerkse Inlaag. Eisers 1 bezitten een huis op 1000 meter afstand van de Inlaag en eisers 2 hebben een huis en beheren een stuk land vlakbij de [adres].

Eisers 2 hebben weliswaar geen zienswijze ingediend, maar dit staat volgens hen niet in de weg aan de ontvankelijkheid van hun beroep. Eisers hebben er op gewezen dat de vergunning na de zogenoemde PAS-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is verleend. Inmiddels is de berekening die is gemaakt voor de aanvraag niet meer functioneel en geldend.

3. Standpunt van het college

Het college stelt zich op het standpunt dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun beroep, omdat zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt. Bovendien hebben eisers 2 geen zienswijze tegen de ontwerpvergunning ingediend.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1

Ontvankelijkheid eisers 2

Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. Onderdeel van deze procedure is dat belanghebbenden een zienswijze kunnen inbrengen tegen een voorgenomen besluit1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Niet in geschil is dat eisers 2 geen zienswijze naar voren hebben gebracht. Zij hebben niet voldoende gemotiveerd waarom dit hen niet kan worden verweten. Ook ter zitting is niet gebleken dat sprake is van omstandigheden die maken dat eisers 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze hebben ingediend. Voor zover eisers met de verwijzing naar de gewijzigde stikstofdepositie-berekening na de PAS-uitspraak van de AbRS2 beoogd hebben te stellen dat eisers 2 wel een zienswijze zouden hebben ingediend, indien deze uitspraak op dat moment al bekend zou zijn geweest, faalt dit betoog. Dit is geen omstandigheid die tot het aannemen van het ontbreken van verwijtbaarheid kan leiden.

De rechtbank is dus van oordeel dat eisers 2, gelet op artikel 6:13 van de Awb, in hun beroep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.2.

Ontvankelijkheid eisers 1

4.2.1

Eisers 1 hebben wel een zienswijze ingediend. Artikel 6:13 van de Awb staat dan ook niet in de weg aan de ontvankelijkheid van hun beroep.

4.2.2

Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of eisers 1 als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Immers, ingevolge artikel 8:1 van de Awb staat beroep bij de rechtbank tegen een besluit open voor een belanghebbende. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit. Ingevolge het derde lid van dat artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

De rechtbank stelt vast dat eisers, hoewel zij stellen zich gezamenlijk in te zetten voor het behoud van de natuur op Schouwen-Duiveland in het algemeen en in de omgeving van de Koudekerkse Inlaag in het bijzonder, geen collectief belang behartigen van een rechtspersoon of van een als zodanig herkenbare entiteit. Zij voldoen dan ook niet aan de criteria om op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb als belanghebbende aangemerkt te kunnen worden.

4.2.3

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of eisers 1 in persoon als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

Om als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) en voldoende actueel belang. Bovendien is iemand belanghebbende bij een besluit als hij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die de omgevingsvergunning toestaat. Geen belanghebbende is degene die geen gevolgen van enige betekenis ondervindt.

De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de woning van eisers aan de [adres van eisers1] te [plaatsnaam] en het perceel aan de [adres] te [plaatsnaam] hemelsbreed 2.500 meter bedraagt en dat eisers 1 vanuit hun woning geen zicht op het perceel hebben. Eisers 1 hebben aangevoerd dat zij desondanks belanghebbende zijn omdat de verleende omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat de stikstofdepositie toeneemt, niet alleen rond de Koudekerkse Inlaag, maar ook in het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen, waar hun woning is gelegen. Hierdoor wordt volgens eisers 1 hun directe woon- en leefomgeving aangetast.

De rechtbank stelt vast dat in opdracht van vergunninghoudster twee onderzoeken zijn verricht naar de stikstofdepositie als gevolg van de verleende omgevingsvergunning: het onderzoek van De Brabantse Wal van oktober 2018 en de Stikstofberekening van [naam] van 16 december 2019. Beide berekeningen komen uit op een depositie van 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Eisers 1 hebben hun standpunt dat het niet zo kan zijn dat de verleende omgevingsvergunning – die tot meer verkeersbewegingen leidt – niet tot meer stikstofdepositie leidt, niet met berekeningen of een andersluidend advies onderbouwd. Op grond van de beschikbare informatie concludeert de rechtbank dan ook dat de gevolgen voor de directe woon- en leefomgeving van eisers 1 dermate gering zijn dat moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van gevolgen van enige betekenis. Dit betekent dat eisers 1 ook op deze grond niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

De omstandigheid dat eisers 1 wel (als belanghebbende) een zienswijze hebben kunnen indienen, leidt niet tot een ander oordeel. In dat stadium van de procedure worden andere regels gehanteerd dan de regels die gelden voor toegang tot de bestuursrechter.

5. Conclusie

Het beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier, op 5 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Dit is geregeld in artikel 3:15 van de Awb.

2 De uitspraak van 29 mei 2019 met nummer ECLI:NL:RVS:2019:1603.