Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2433

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
AWB- 19_5961 en AWB- 19_5962 tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/5961 WIA

BRE 19/5962 ZW

tussenuitspraak van 3 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 oktober 2019 (bestreden besluit 1) van het UWV inzake de beëindiging van haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Eiseres heeft ook beroep ingesteld tegen een ander besluit van 11 oktober 2019 (bestreden besluit 2) van het UWV inzake de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 mei 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger]

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft gewerkt als administratief medewerkster voor 40 uur per week.

Bij besluit van 3 februari 2016 is aan eiseres met ingang van 23 februari 2016 een WIA-uitkering toegekend.

Eiseres is in 2017 gaan werken als activiteitenbegeleider voor 16 uur per week en regio consulent autisme voor 2 uur per week. Op 5 maart 2018 heeft eiseres zich ziekgemeld.

In het kader van een eerstejaars ziektewetbeoordeling en een herbeoordeling WIA heeft er een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden.

Bij besluit van 15 maart 2019 (primair besluit 1) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat haar ZW-uitkering met ingang van 16 april 2019 wordt beëindigd.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 19 maart 2019 (primair besluit 2) heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WIA-uitkering vastgesteld op 63,60%. Hierdoor wijzigt de uitkering per 1 juni 2018. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij bestreden besluit 1 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij bestreden besluit 2 is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 67%. Hierbij hoort een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WIA per 1 juni 2018 heeft vastgesteld op de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80% en of het UWV op goede gronden de ZW-uitkering heeft beëindigd per 16 april 2019.

3. Wettelijk kader WIA

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiseres medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Wettelijk kader ZW

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:

- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én

- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

4. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een arts van het UWV.

4.1

De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiseres nog niet geschikt is om haar eigen werk als bedoeld in artikel 19 van de ZW te verrichten. De verzekeringsarts is van menig dat er sprake is van krachtsvermindering en pijnklachten van beide handen. Eiseres wordt beperkt geacht voor hand- en vingergebruik en ook voor handelingen met de arm. Daarnaast is er sprake van vermoeidheidsklachten die in het dagverhaal consistent worden beschreven en die waarschijnlijk het gevolg zijn van de energetisch beperkingen. Gelet hierop is er een urenrestrictie aan de orde.

De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 maart 2019.

De arts in bezwaar heeft het dossier en de in bezwaar overgelegde (medische) gegevens bestudeerd, en heeft eiseres gezien tijdens een spreekuur. De arts in bezwaar heeft gerapporteerd dat er aanleiding bestaat om de belastbaarheid, vastgesteld door de primaire verzekeringsarts, te herzien. Eiseres moet ook beperkt worden voor deadlines, productiepieken en hoog handelingstempo. Ten aanzien van de fysieke belasting heeft de arts in bezwaar overwogen dat eiseres ook beperkt moet worden op duwen/trekken. Met betrekking tot het hand- en vingergebruik is de arts in bezwaar van mening dat er voldoende beperkingen zijn aangenomen. Verder is de arts in bezwaar van mening dat geen aanleiding bestaat om een grotere urenbeperking aan te nemen.

De gewijzigde belasting is neergelegd in de FML van 26 september 2019.

4.2

Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zij geen 30 uur per week kan werken. Verder is zij van mening dat er beperkingen moeten worden aangenomen voor hand- en vingergebruik. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een rapportage van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] overgelegd.

4.3

Partijen verschillen van mening over de beperkingen ten aanzien van hand- en vingergebruik en de duurbelasting.

Hand- en vingergebruik

4.4

Ten aanzien van het hand- en vingergebruik heeft [naam verzekeringsarts] gesteld dat er een beperking moet komen op de aspecten bolgreep, pengreep, pincetgreep, sleutelgreep, cilindergreep en fijnmotorische handelingen, voor zover deze een repetitief karakter hebben (aspecten 4.3.1, 4.3.2, 4.3.3, 4.3.4, 4.3.5 en 4.3.7). Daarbij heeft [naam verzekeringsarts] gesteld dat, omdat er een beperking is voor repetitief hand- en vingergebruik, de afzonderlijke aspecten ook beperkt moeten worden.

4.5

De rechtbank stelt vast dat in de FML een beperking is opgenomen voor repetitief hand- en vingergebruik (aspect 4.3.8). Met deze beperking wordt al aangegeven dat eiseres beperkt is voor repetitieve handelingen voor wat betreft de diverse grepen en handelingen van hand- en vingergebruik. Een beperking op de afzonderlijke grepen/handelingen wordt, conform de basisinstructie CBBS, pas gegeven als een dergelijke greep of handeling niet mogelijk is. [naam verzekeringsarts] heeft niet gesteld dat hiervan sprake is. Het UWV had dan ook de afzonderlijke grepen/handeling in de FML niet hoeven te beperken.

De nadere toelichting die de verzekeringsarts, volgens de rapportage van de arbeidsdeskundige van 14 maart 2019 (onder kopje 5.3) heeft gegeven, komt neer op een relativering van de gegeven beperking op frequent hand- en vingergebruik en is niet toegestaan (zo ook ECLI:NL:CRVB:2016:3450). De rechtbank zal aan deze nadere toelichting dan ook voorbij gaan. Overigens heeft de arts in beroep in zijn rapportage van 7 mei 2020, zonder nadere nuancering, gesteld dat geen discussie bestaat dat er sprake is van een beperking voor repetitief hand- en vingergebruik. Bij de verdere beoordeling gaat de rechtbank er dan ook van uit dat er sprake is van een beperking voor alle aspecten van hand- en vingergebruik voor zover het gaat om repetitieve handelingen, en zoals dit ook is opgenomen in de FML van 26 september 2019.

Duurbelasting

4.6

Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat er geen urenbeperking per dag geldt, maar wel per week. Per week kan eiseres ongeveer 30 uur werken volgens het UWV. [naam verzekeringsarts] heeft daar tegenover gesteld dat een urenbeperking van 4 uur per dag moet worden aangenomen met in totaal 20 uur per week.

Hoewel uit de standaard duurbelasting blijkt dat eerst het aantal uren dat iemand per dag kan werken moet worden vastgesteld, betekent dit niet dat altijd een urenbeperking per dag moet worden gesteld als er een urenbeperking per week wordt aangenomen. Het is immers niet uitgesloten dat iemand per dag wel 8 uur kan werken, maar dat vanwege herstelbehoefte een kortere werkweek noodzakelijk is.

Uit de rapportages van de (verzekerings)artsen van het UWV blijkt dat een urenbeperking is aangenomen vanwege de pijnklachten van eiseres. Die pijnklachten hebben hun weerslag op de energiehuishouding. Ook uit de rapportage van [naam verzekeringsarts] blijkt dat de urenbeperking om energetische reden wordt gegeven. Omdat het hier gaat om een energetische beperking is de rechtbank van oordeel dat het aannemen van een urenbeperking per week niet automatisch betekent dat ook een urenbeperking per dag moet worden aangenomen.

4.7

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de rapportage van [naam verzekeringsarts] aanleiding geeft te twijfelen aan de urenbeperking die het UWV heeft aangenomen.

[naam verzekeringsarts] heeft de door hem gestelde urenbeperking onderbouwd door te verwijzen naar het dagverhaal van eiseres en de ervaring van eiseres in de door haar verrichte werkzaamheden Deze onderbouwing is onvoldoende om de door het UWV gestelde urenbeperking voor onjuist te houden. Het dagverhaal van eiseres is uitgebreid beschreven in de rapportage van de arts in bezwaar (gedateerd 13 september 2019). Zoals de arts in bezwaar in zijn rapportage terecht opmerkt, blijkt uit dit dagverhaal niet dat eiseres niet in staat is haar dag op een algemeen geldende acceptabele manier in te vullen. Ook het gegeven dat eiseres de door haar verrichte werkzaamheden niet heeft kunnen volhouden, betekent niet dat er een hogere urenbeperking moet worden aangenomen. De aard, inhoud en belastbaarheid van deze werkzaamheden zijn immers niet nader onderzocht. Eiseres heeft ter zitting weliswaar gesteld dat de werkzaamheden niet meer inhielden dan alleen aanwezig zijn, maar van deze stelling zijn geen stukken ter onderbouwing overgelegd. Eiseres wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat zij slechts 4 uur per dag en 30 uur per week kan werken.

4.8

Uit het voorgaande volgt, dat niet is gebleken dat in de FML van 26 september 2019 de beperkingen van eiseres zijn onderschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ok uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

5. Geschiktheid voor de geduide functies

5.1

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de in bezwaar gewijzigde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: medewerker logistiek (Sbc-code 111220), route chauffeur (Sbc-code 282102) en medewerker bloemzaadproductie (Sbc-code 111010). In het kader van de WIA-beoordeling is als reservefunctie de functie van portier (Sbc-code 342021) geduid.

5.2

De rechtbank stelt vast dat in de functies medewerker logistiek en medewerker bloemzaadproductie repetitieve hand- en vingerbewegingen voorkomen. Uit de rapportages van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige b&b blijkt dat zij bij de beoordeling van de geschiktheid van deze functies niet als uitgangspunt hebben genomen dat eiseres beperkt is voor frequent hand- en vingergebruik ten aanzien van alle grepen/handelingen. Integendeel, de arbeidsdeskundige b&b schrijft in zijn rapportage van 1 oktober 2019 dat geen beperking is gegeven voor het uitvoeren van pen- en cilindergreep. Zoals eerder bij de punt 4.5 al is overwogen, moet ervan uit worden gegaan dat alle hand- en vingergebruik beperkt is voor wat betreft repetitieve handelingen. De toelichtingen bij de functies medewerker logistiek en medewerker bloemzaadproductie zijn daarom niet toereikend. Het bestreden besluit leidt daarmee aan een motiveringsgebrek en het beroep zal gegrond worden verklaard.

6. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om alsnog te motiveren of de functies medewerker logistiek en medewerker bloemzaadproductie geschikt zijn voor eiseres. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

7. Voor zover het UWV gebruik wil maken van de hiervoor gegeven herstelmogelijkheid, verzoekt de rechtbank het UWV bij zijn nadere motivering ook het volgende in acht te nemen.

Volgens de basisinstructie CBBS worden repetitieve handelingen in arbeid zo genoemd, als deze zich gedurende minimaal 2 uur per dag voordoen of minimaal 1 uur achter elkaar. Uit de beschrijving van de werkzaamheden functie medewerker tuinbouw zoals die is opgenomen in de rapportage van de arbeidsdeskundige b&b van 1 oktober 2019 blijkt dat er veel meer dan 2 uur per dag repetitieve handelingen voorkomen. Alleen het emasculeren komt al in totaal op 2 uur en 22 minuten voor. Daarnaast komen ook nog de taken; schoonmaken, plukken van het vruchtbeginsel en bestuiven voor. Uit de motivering van de arbeidsdeskundige b&b blijkt dat alleen is gekeken naar de frequentie van handelingen per uur, maar niet naar de hoeveelheid uren dat de repetitieve handelingen voorkomen. Dit zal de arbeidsdeskundige b&b alsnog moeten betrekken bij zijn nadere motivering.

Met betrekking tot de functie van medewerker intern transport merkt de rechtbank op dat de motivering beperkt is gebleven tot het aantal malen dat gereikt moet worden. Uit de beschrijving bij aspect 4.3.8 blijkt echter dat de repetitieve handelingen ook voorkomen bij het inpakken. Met dat inpakken is geen rekening gehouden bij de motivering. Dit zal de arbeidsdeskundige b&b ook moeten betrekken bij zijn nadere motivering.

8. De rechtbank zal de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen bepalen op 6 weken. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het UWV dit binnen 2 weken aan de rechtbank mee te delen. Als het UWV wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal eiseres nog in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op de herstelpoging van het UWV. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het UWV in de gelegenheid om motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;

- draagt het UWV op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen 2 weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier op 3 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.