Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2431

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
02-801154-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een verplichte opname in Domus Mill kan niet worden toegewezen, omdat Domus Mill geen accommodatie is, zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Wvggz. Deze woonvoorziening is niet opgenomen in het daarvoor bestemde openbare register (het ‘locatieregister dwang in de zorg’). Een verblijf in Domus Mill op vrijwillige basis met een vorm van verplichte zorg in een ambulant kader zou een alternatief kunnen zijn, maar is niet gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank ziet bovendien op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling ter zitting naar voren is gebracht, onvoldoende grond om dit ambtshalve te bepalen. Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: 02/801154-06

Zorgmachtiging

Beschikking d.d. 9 juni 2020 op het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, Wet forensische zorg (Wfz) en artikel 6:4 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[Naam]

geboren te [Geboorteplaats] op [Geboortedag] 1961

verblijvende [Adres]

hierna te noemen betrokkene

raadsman mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout.

1 Procesverloop

De officier van justitie heeft verzocht een zorgmachtiging ten behoeve van betrokkene te verlenen. Dit verzoekschrift is op 19 mei 2020 bij de rechtbank binnengekomen. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de medische verklaring, opgesteld door psychiater F.G. Hagenauw d.d. 11 mei 2020;

- de zorgkaart d.d. 16 maart 2020;

- het zorgplan d.d. 16 maart 2020;

- de bevindingen van de geneesheer-directeur d.d. 17 mei 2020;

- de politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel, d.d. 9 april 2020;

- het verlengingsadvies tbs d.d. 22 januari 2020;

- het psychiatrisch onderzoek d.d. 14 december 2019;

- verklaring niet voorkomen in het curatele- en bewindregister d.d. 19 mei 2020;

- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet BOPZ en de Wvggz;

- afschrift mentorschap.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 mei 2020 in het gebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op de locatie Breda.

De behandeling van het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging heeft, gelet op de nauwe samenhang, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de strafzaak aangaande de vordering tot verlenging van de TBS-maatregel van betrokkene. In de strafzaak is bij afzonderlijk vonnis beslist.

In deze beschikking is alleen hetgeen relevant is voor de zorgmachtiging vermeld.

Betrokkene is niet fysiek ter zitting aanwezig geweest vanwege de Corona-maatregelen die momenteel gelden bij [Naam 1] , maar is vanuit deze verblijfplaats telefonisch gehoord.

De volgende personen hebben ervoor gekozen om niet ter zitting te verschijnen, maar eveneens telefonisch te worden gehoord:

- [Naam 2] , de mentor van betrokkene;

- [Naam 3] de begeleider van betrokkene;

- de raadsman van betrokkene;

- de deskundige [Naam 4] , verpleegkundig specialist en behandelaar van betrokkene bij GGZ Oost Brabant.

Ter zitting is officier van justitie mr. Gudde aanwezig en gehoord.

2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank in het schriftelijke verzoek verzocht een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van de verschillende vormen van verplichte zorg en de op te leggen duur heeft de officier van justitie verwezen naar het verzoekschrift.

Ter zitting heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af te wijzen, nu [Naam 1] niet geregistreerd staat als accommodatie in de zin van de Wvggz. Daarnaast is aangevoerd dat de zorg die betrokkene zou worden geboden in het kader van de Wvggz onvoldoende passend, te licht en te kortdurend is, gelet op de problematiek van betrokkene in combinatie met het nog aanwezige recidivegevaar en het benodigde beveiligingsniveau. In de visie van de officier van justitie is de Wvggz bedoeld om zorg te verlenen en niet om de kans op recidive in te perken. Gezien het recidivegevaar en de problematiek van betrokkene – met name zijn wilsonbekwaamheid – acht de officier van justitie enige vorm van vrijwillige zorg (bij [Naam 1] ) thans niet aan de orde.

3 Standpunt van betrokkene

Namens betrokkene heeft mr. Van der Zouwen opgemerkt dat het cruciaal is dat betrokkene bij [Naam 1] kan blijven. Betrokkene functioneert immers al vijf jaren goed in deze woonomgeving. Dit verblijf kan volgens de raadsman worden voortgezet in het kader van een zorgmachtiging dan wel in een vrijwillige setting.

4 Standpunt van de geneesheer-directeur aangewezen ex artikel 5:4 Wvggz en van psychiater Hagenauw

De geneesheer-directeur heeft aangegeven dat betrokkene zich goed houdt aan de voorwaarden en regels die [Naam 1] stelt. Betrokkene verzet zich niet tegen toezicht, ondersteuning, controles op alcoholgebruik en behandeling. De geneesheer-directeur acht het gevaar voor recidive nog altijd hoog. Als de huidige zorg met de daarbij geboden structuur en het toezicht zou wegvallen, zou betrokkene zich niet alleen redden in de maatschappij en is het risico groot dat hij terugvalt in delictgedrag. In dit verband wordt gewezen op het feit dat betrokkene wilsonbekwaam en analfabeet is, op een laag intellectueel niveau functioneert en over weinig sociale en copingsvaardigheden beschikt.

Een vorm van dwangzorg is voor betrokkene volgens de geneesheer-directeur passend, doelmatig en proportioneel, mede omdat hij goed gedijt binnen de huidige woonvoorziening en geen verzet vertoont. In de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt niet voorzien in de voor betrokkene benodigde begeleiding, sturing en structurering en ook de Wet zorg en dwang is onvoldoende toereikend vanwege de psychiatrische problemen van pedofiele stoornis, alcoholisme en de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene. De geneesheer-directeur is daarom van mening dat het noodzakelijk is om een zorgmachtiging te verlenen in de zin van de Wvggz. [Naam 1] wordt in dit verband als verblijfplaats genoemd en GGZ Oost Brabant als behandelaar.

Zorg op vrijwillige basis is, gelet op de intellectuele dysfunctie en wilsonbekwaamheid van betrokkene – doordat hij niet alles begrijpt en kan afwegen met betrekking tot zijn behandelkeuzes en de consequenties daarvan – niet aan de orde, aldus de geneesheer-directeur.

Ook uit de medische verklaring van psychiater Hagenauw blijkt dat het risico dat betrokkene zal recidiveren in pedofilie en exhibitionisme – vanwege de aard en ernst van zijn persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsgevoeligheid voor alcohol – hoog wordt geacht, indien de beperkende maatregel zou wegvallen. Bevestigd wordt dat betrokkene sterk afhankelijk is van externe ondersteuning en een vaste, strikte structuur met toezicht en zorg in de nabijheid, hetgeen hij thans verkrijgt in een beschermende woonvorm als [Naam 1] .

Vanuit [Naam 1] heeft de onafhankelijk psychiater de informatie verkregen dat betrokkene weliswaar redelijk goed functioneert, maar dat hij regelmatig begrensd moet worden omdat spanningen zich snel bij hem opbouwen. Dan kan hij zich tijdelijk onbegeleidbaar opstellen en zich terugtrekken. Grensoverschrijdend gedrag – ook in seksuele zin – heeft zich daarentegen tijdens zijn verblijf binnen [Naam 1] niet meer voorgedaan. Betrokkene is bovendien gestopt met drinken. Volgens de mentor en de behandelaren van het FACT houdt betrokkene zich goed aan de voorwaarden en heeft hij niet langer de wens om elders te gaan wonen.

Om te waarborgen dat betrokkene in [Naam 1] blijft, acht de onafhankelijke psychiater (en volgens hem eveneens de behandelaren), en ook de geneesheer-directeur, een zorgmachtiging noodzakelijk.

[Naam 4] van de GGZ Oost Brabant heeft ter zitting bevestigd dat wordt vermoed dat betrokkene vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek in oude gebruiken terugvalt, als de externe structuur zoals die [Naam 1] hem biedt, (abrupt) zou wegvallen. Dat is tevens de reden dat [Naam 4] een vrijwillig verblijf in [Naam 1] niet geschikt acht. Evenals de geneesheer-directeur en de onafhankelijke psychiater stelt hij zich dan ook op het standpunt dat een verplicht zorgkader voor betrokkene noodzakelijk is, al zou de begeleiding ten aanzien van bijvoorbeeld de controles op alcoholgebruik geleidelijk gereduceerd kunnen worden.

5 Beoordeling

5.1

Stoornis

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat bij betrokkene sprake is van een verstandelijke handicap (analfabeet, IQ 61) en dat hij lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van pedofilie gericht op jongens (thans niet actief), exhibitionisme (thans niet actief) en tevens gedrag en symptomen die voldoen aan de criteria voor een ongedifferentieerde persoonlijkheidsstoornis (onrijp), een neiging tot alcoholmisbruik (thans in remissie) en een chronische stemmingsstoornis (dysthymie).

5.2

Ernstig nadeel

De hierboven genoemde stoornissen leiden tot ernstig nadeel, gelegen in ernstige psychische schade voor een ander en zichzelf;

- gevaar voor maatschappelijk teloorgang van betrokkene zelf door zijn neiging tot delictgedrag en door zijn laag niveau van functioneren.

5.3

Noodzaak verplichte zorg

Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren heeft betrokkene verplichte zorg nodig.

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan, de medische verklaring en het advies van de geneesheer-directeur.

5.4

Verzochte vormen van zorg

Als vorm van zorg wordt onder meer verzocht om betrokkene voor zes maanden op te nemen in een accommodatie. In dit kader wordt de beschermde woonvorm [Naam 1] genoemd.

Uit het voorgaande volgt dat betrokkene reeds geruime tijd verblijft in [Naam 1] en dat hij daar ook zelf graag wil blijven. Ook de deskundigen staan een verblijf in deze woonvoorziening voor, omdat betrokkene daar, gelet op het stringente kader, goed functioneert.

De rechtbank constateert, zoals ook door de officier van justitie is aangehaald en door de instelling is bevestigd, dat [Naam 1] geen accommodatie is, zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Wvggz. De woonvoorziening is niet opgenomen in het daarvoor bestemde openbare register (het ‘locatieregister dwang in de zorg’). Locaties waar onvrijwillige verblijfsopvang van patiënten plaatsvindt, moeten worden geregistreerd opdat aldaar toezicht mogelijk is. Reeds om die reden kan de verzochte verplichte opname in [Naam 1] niet worden toegewezen. Een alternatieve optie zou zijn dat betrokkene zijn verblijf in [Naam 1] op vrijwillige basis zou voortzetten waarbij vormen van verplichte zorg in een ambulant kader zouden kunnen worden toegepast. Echter, het vorenstaande is niet gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank ziet bovendien op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling ter zitting naar voren is gebracht, onvoldoende grond om dit ambtshalve te bepalen.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging dan ook worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging.

Deze beslissing is gegeven op 9 juni 2020 door mr. De Weert, voorzitter, mr. Jansen en

mr. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Roebroeks.

Mr. Collombon is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.