Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2430

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
02-81154-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verlenging van de TBS-maatregel. Een zorgmachtiging of een verblijf met begeleiding/behandeling in een vrijwillig kader is thans niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/801154-06

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2020

op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling met

[Naam]

geboren te [Geboorteplaats] op [Geboortedag] 1961

verblijvende [Adres]

1 Destukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:

- de vordering van de officier van justitie d.d. 21 februari 2020 die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling (hierna TBS) met voorwaarden met één jaar;

- het verlengingsadvies van de reclassering d.d. 22 januari 2020;

- het voortgangsverslag van de reclassering d.d. 16 april 2020;

- het rapport van psychiater dr. L.H.W.M. Kaiser d.d. 14 december 2019.

2 Deprocesgang

Bij vonnis van de rechtbank Breda van 12 februari 2007 is [Naam] , wegens feitelijke

aanranding van de eerbaarheid en meermaals plegen van schennis van de eerbaarheid (betreffende de artikelen 239 en 246 van het Wetboek van Strafrecht), veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege.

De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De TBS is op 25 maart 2007 aangevangen.

De TBS is bij beslissing van 6 april 2017 verlengd voor een termijn van twee jaren.

Daarbij is de verpleging van overheidswege voorwaardelijke beëindigd en daarbij zijn de

volgende voorwaarden gesteld:

Meldingsgebod

[Naam] moet zich beschikbaar stellen voor meldplichtcontact zolang de reclassering dit

noodzakelijk acht. [Naam] moet zich melden bij Reclassering Nederland op telefoon-

nummer 088-8041504;

Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

[Naam] wordt verplicht om bij [Naam 1] of een soortgelijke instelling te

verblijven waar 24-uurs begeleiding wordt geboden en zich te houden aan het (dag-)

programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de

reclassering dit noodzakelijk acht;

Alcoholverbod

[Naam] wordt verboden om alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk

acht. De controle op naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door

middel van onder andere blaastesten;

Ambulante behandeling

[Naam] dient zijn medewerking te verlenen aan het starten en voortzetten van een

ambulante behandeling bij de forensische polikliniek van GGZ Oost-Brabant of soortgelijke

instelling, zolang de reclassering en/of behandelaar van GGZ Oost-Brabant dit geïndiceerd

vindt;

Overige voorwaarden

- [Naam] maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

- [Naam] begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland. [Naam] overlegt hierover vooraf met de reclassering; het openbaar Ministerie (OM)/Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) beslist;

- [Naam] verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;

- [Naam] werkt mee aan Forensisch Psychiatrisch Toezicht (FPT) en, indien de reclassering dit nodig acht, aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) van maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

- [Naam] verleent medewerking aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt

onder andere, maar niet uitsluitend, in:

• Medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;

• Zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak als de reclassering dat nodig acht;

• Zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor uitvoering van het toezicht of om betrokkene te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

• Medewerking verlenen aan huisbezoeken;

• Inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

• Indien de behandelaar van de betrokken ggz-instelling een medicamenteuze behandeling geïndiceerd acht, dan dient [Naam] zich te conformeren aan de afspraken in het kader van de medicamenteuze behandeling;

• Niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;

• Medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met [Naam] , als dat van belang is voor het toezicht.

De termijn van de terbeschikkingstelling is bij beslissing van 2 april 2019 verlengd voor één jaar met voortzetting van de voorwaardelijke beëindiging.

Tijdens het onderzoek in de openbare raadkamer van de rechtbank van 26 mei 2020 is de officier van justitie mr. Simpelaar gehoord.

Tevens is [Naam] – vanwege de Corona-maatregelen die gelden vanuit [Naam 1] – telefonisch gehoord. Hij is telefonisch bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. R.M. van Breemen, advocaat te Raamsdonksveer.

Daarnaast is als deskundige [Naam 3] , reclasseringsmedewerker, gehoord.

De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [Naam] ter zake van een verzoekschrift zorgmachtiging (met toepassing van artikel 2.3 Wet forensische zorg). In dit verband is onder meer [Naam 2] verpleegkundig specialist en behandelaar van betrokkene bij GGZ Oost Brabant, gehoord.

3 Het advies van de reclassering

In het rapport van 22 januari 2020 adviseert de reclassering de TBS-maatregel te beëindigen en [Naam] bij aanvang bescherming te bieden op grond van de Wet zorg en dwang dan wel de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

De reclassering vermeldt dat [Naam] sinds mei 2015 verblijft in [Naam 1] , een beschermde woonvorm met 24-uurs begeleiding, dagbesteding en gezamenlijke activiteiten. [Naam] voelt zich veilig en toenemend vertrouwd in deze omgeving. Hij wil niets doen wat zijn verblijf in gevaar kan brengen en wil daarom niet in de buurt van kinderen komen. [Naam 1] heeft een grote sociale controle en de begeleiding kent inmiddels elke nuance van het gedrag van [Naam] . Er zijn geen signalen geweest van grensoverschrijdend gedrag. De reclassering stelt dat deze woonomgeving perfect op [Naam] lijkt te zijn afgestemd en dat de kans op recidive onder deze omstandigheden als laag wordt ingeschat. Hij functioneert waarschijnlijk op het voor hem hoogst haalbare niveau. Langzaam krijgt [Naam] meer vrijheden, maar onbegeleide vrijheden hebben (nog) niet plaatsgevonden.

[Naam 1] is volgens de reclassering bereid om [Naam] een woonplek voor het leven te geven.

De reclassering acht het wenselijk dat [Naam] in elk geval nog één jaar in een ander kader wordt begeleid, omdat onduidelijk is waartoe meer vrijheden – waardoor hij meer in de invloedssfeer van anderen kan komen en aan verleidingen wordt blootgesteld – kunnen leiden.

Uit het reclasseringsrapport van 16 april 2020 volgt dat de situatie al geruime tijd stabiel is. [Naam] hospitaliseert in positieve zin en er is sprake van groei in zijn communicatieve vaardigheden en het contact met medebewoners. Met kleine stapjes wordt hij spraakzamer en wordt hij meer open, hetgeen in combinatie met meer vrijheden tot andere uitdagingen/verleidingen kan leiden. In de afgelopen periode heeft [Naam] gebeurtenissen meegemaakt die hem uit zijn evenwicht kunnen brengen. In dit verband wordt genoemd de onduidelijkheid omtrent het einde van de TBS-maatregel en de zorg daarna, het aanhouden van de TBS-verlengingszitting door de rechtbank en de maatregelen rondom het Corona-virus. De begeleiding heeft het meteen gesignaleerd als [Naam] uit zijn evenwicht dreigde te geraken en heeft daarbij direct ingegrepen.

De reclassering staat nog altijd een verblijf in [Naam 1] voor, waarbij de behandeling/ondersteuning door de GGZ Oost Brabant eveneens kan worden gehandhaafd.

Deskundige [Naam 3] heeft ter zitting bevestigd dat een beschermende maatregel noodzakelijk is. Daarbij is het volgens haar minder van belang in welk kader, vanuit de nieuwe zorgwetgeving, die maatregel zal worden opgelegd. De reclassering wil gedurende het komende jaar bekijken – als “het moeten” van de TBS er af is – hoe [Naam] omgaat met meer ontwikkelingen, vrijheden en contacten, of hij medicatietrouw blijft en in hoeverre hij nog aan te sturen is door [Naam 1] . Daarover bestaan onzekerheden, mede gezien zijn beïnvloedbaarheid. Na een jaar kan zijn functioneren worden geëvalueerd en kan in overleg met de GGZ worden bepaald wat de vervolgstap zou moeten zijn. [Naam 3] heeft tevens benadrukt dat de kans op recidive bijzonder klein is als [Naam] in [Naam 1] kan blijven. Het betreft een kleine gemeenschap in een klein dorp, waar de sociale controle van zowel bewoners binnen [Naam 1] als vanuit het dorp [plaats] groot is. [Naam 3] gaat er niet van uit dat de reclassering elders meer controle, meer garantie op het voorkomen van recidive, kan krijgen.

De heer [Naam 2] heeft ter zitting aangegeven dat wordt vermoed dat betrokkene vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek in oude gebruiken terugvalt, als de strikte externe structuur zoals die [Naam 1] hem biedt (abrupt) zou wegvallen. Dat is tevens de reden dat de heer [Naam 2] een vrijwillig verblijf in [Naam 1] niet geschikt acht. Hij stelt zich op het standpunt dat een verplicht zorgkader voor betrokkene benodigd is.

4 Het advies van de externe gedragsdeskundige

Uit het rapport van psychiater van 14 december 2019 blijkt dat bij [Naam] sprake is van een matige verstandelijke beperking, pedofilie gericht op jongens, exhibitionisme en een stoornis in het gebruik van alcohol, in remissie onder gecontroleerde omstandigheden.

De kans op herhaling acht de psychiater onder de gecontroleerde omstandigheden binnen de stabiele woonomgeving en het werk bij [Naam 1] laag. [Naam] is niet met (pedo)seksualiteit en exhibitionisme bezig en heeft daarover geen fantasieën meer. De risicotaxatie is verbeterd in die zin dat het meer is bestendigd en dat [Naam] goed samenwerkt.

Verwacht wordt, mede gelet op de risicotaxatie, dat [Naam] in slechte omstandigheden komt als hij zich aan [Naam 1] zou onttrekken. Hij is dan niet in staat om zich zelfstandig te handhaven en zal veel spanning ervaren van waaruit hij wordt geprikkeld om in herhaling te vallen. Om te voorkomen dat hij toch in de verleiding komt om zich te onttrekken, bijvoorbeeld als hij kwaad is of te veel spanning heeft, is er in de visie van de psychiater een maatregel nodig. Dit hoeft niet langer een TBS-maatregel te zijn. Zij adviseert een maatregel vanuit de Wet zorg en dwang of de Wvggz op te leggen, die voldoende bescherming moet bieden. Haar advies komt daarmee overeen met het advies van de reclassering.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is ter zitting bij de vordering, de voorwaardelijk beëindigde TBS met verpleging van overheidswege met één jaar te verlengen, gebleven. Zij heeft vooral als doel voor ogen dat [Naam] in [Naam 1] kan blijven. In het kader van de nieuwe zorgwetgeving is dit echter niet te realiseren, omdat deze woonvoorziening blijkens het daarvoor ingestelde register geen ‘accommodatie’ is in de zin van de Wvggz. Een beschermende maatregel acht zij in elk geval noodzakelijk om de situatie verder te stabiliseren. Zij ziet momenteel geen alternatief voor het TBS-kader. Volgend jaar kan worden bekeken wat de (nieuwe) mogelijkheden zijn.

6 Het standpunt van de verdediging

[Naam] heeft ter zitting verklaard dat hij het erg naar zijn zin heeft bij [Naam 1] en dat hij daar graag wil blijven. Hij zegt daar een eigen woning te hebben en er als dagbesteding in de tuin te werken. Tevens geeft hij aan dat hij het prettig zou vinden als de TBS-maatregel wordt beëindigd.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de TBS te beëindigen, en daartoe de vordering van de officier van justitie af te wijzen. Zij gaat er in beginsel van uit dat [Naam] met een zorgmachtiging in het kader van Wvggz in [Naam 1] kan blijven. Daarbij wijst zij op de omstandigheden dat het recidiverisico volgens de gedragsdeskundige en de reclassering momenteel laag is binnen [Naam 1] , dat deze woonomgeving een goed sociale controle behelst van (mede)bewoners en personeel, dat [Naam] overal vrijwillig aan meewerkt, dat de GGZ ambulante hulp kan bieden en kan ingrijpen als [Naam] zich niet aan de afspraken houdt en dat hij door een bewindvoerder bij zijn financiën wordt ondersteund.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de zaak aan te houden – indien een verblijf bij [Naam 1] niet aan de vereisten van de Wvggz voldoet – teneinde te onderzoeken of [Naam] op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz) in een vrijwillig kader bij [Naam 1] zijn verblijf kan voortzetten, mede met het oog op de bekostiging van deze zorg.

7 Het oordeel van de rechtbank

Uit de voornoemde bevindingen van de reclassering en de psychiater en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat de persoonlijkheidsstoornis van [Naam] die destijds heeft geleid tot oplegging van de TBS nog aanwezig is.

Daarnaast kan thans worden aangenomen dat weliswaar het delictgevaar tot een nagenoeg aanvaardbaar niveau is teruggebracht, maar dat begeleiding/behandeling binnen een strak verplicht kader – als vangnet – nog noodzakelijk is. In die zin is er nog altijd sprake van gevaar voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, hetgeen verlenging van de TBS-maatregel mogelijk maakt. Het is daarbij essentieel dat [Naam] in de kleine en beschermde omgeving van [Naam 1] kan blijven en dat de ondersteuning door de GGZ Oost-Brabant kan worden gecontinueerd. De reclassering stelt dat (in elk geval) gedurende een jaar zou moeten worden gemonitord hoe [Naam] omgaat met een uitbreiding van zijn vrijheden en contacten, alsmede met zijn medicatie- en alcoholgebruik. De heer [Naam 2] heeft in dit verband opgemerkt dat [Naam] nog steeds een strikte externe structuur nodig heeft om niet in oude gebruiken te vervallen.

Het is kennelijk de insteek van de reclassering en de psychiater geweest om middels een zorgmachtiging op grond van de Wvggz, dan wel een andere zorgwet, een nieuw kader te creëren, zodat de TBS-titel kan vervallen. Zoals de officier van justitie heeft opgeworpen, behoort een zorgmachtiging evenwel niet tot de mogelijkheden op dit moment. Hieromtrent is bij separate beschikking beslist. Dit betekent dat de TBS maatregel moet worden verlengd. Indien de TBS wordt beëindigd, is er immers geen toezicht meer waarbinnen de voor [Naam] noodzakelijke structuur kan worden voortgezet.

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht de zaak aan te houden om een mogelijkheid op basis van de Wlz van een plaatsing in een vrijwillige setting te onderzoeken.

Nu in de verschillende rapportages naar voren komt dat een (verplichte) beschermende maatregel noodzakelijk is, er nog onzekerheid en onduidelijkheid is over hoe [Naam] de komende periode met zijn ruimere vrijheden zal omspringen en de heer [Naam 2] expliciet heeft aangegeven dat een vrijwillig kader niet geschikt is, gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van de raadsvrouw. Zij acht een vrijwillig kader, in welke vorm dan ook, momenteel niet aan de orde voor [Naam] .

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, eist dat de TBS van [Naam] wordt verlengd met een jaar en dat de eerder bij de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege opgelegde voorwaarden in stand kunnen worden gehouden.

8 De beslissing.

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [Naam] met één jaar, onder de voorwaarden zoals geformuleerd in de beslissing van 6 april 2017 tot voorwaardelijke beëindiging van de TBS.

Deze beslissing is gegeven door mr. De Weert, voorzitter, mr. Jansen en

mr. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Roebroeks en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juni 2020.

Mr. Collombon is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.