Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2426

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
AWB 18_4483 en 18_8374
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/4483 PW

BRE 18/8374 PW

uitspraak van 3 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Ergec,

en

Het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 29 mei 2018 (bestreden besluit 1) van het Werkplein inzake de intrekking en terugvordering van bijstand. Deze zaak is bekend onder nummer 18/4483 PW.

Eisers hebben ook beroep ingesteld tegen het besluit van 12 november 2018 (bestreden besluit 2) inzake een opgelegde boete. Deze zaak is bekend onder nummer 18/8374 PW.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 mei 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Werkplein heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger1] en [vertegenwoordiger2] . Als getuige is gehoord [naam getuige] .

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers ontvangen een bijstandsuitkering. Werkplein heeft aanleiding gezien nader onderzoek te doen naar het recht op uitkering.

Met de brief van 21 juni 2017 is aan eisers meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat er in de periode 9 november 2011 tot en met 30 juni 2016 werkzaamheden zijn verricht als fotograaf, videograaf, dj en dat er decoratie-artikelen zijn verhuurd. Eisers worden in de gelegenheid gesteld een administratie van deze activiteiten over te leggen. Eisers hebben geen administratie overgelegd.

Met het besluit van 19 december 2017 (primair besluit 1) heeft het Werkplein aan eisers meegedeeld dat het recht op uitkering over de periode 9 november 2011 tot en met 30 juni 2016 wordt ingetrokken en dat een bedrag van € 47.605,33 wordt teruggevorderd. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Met bestreden besluit 1 is het bezwaar van eisers gegrond verklaard. Het Werkplein heeft de periode waarover de uitkering wordt ingetrokken gewijzigd in de periode 7 maart 2014 tot en met 30 juni 2016. Het terugvorderingsbedrag is daardoor gewijzigd en vastgesteld op € 25.477,35.

Met de brief van 3 juli 2018 heeft het Werkplein aan eisers meegedeeld het voornemen te hebben om een boete op te leggen. Eisers worden in de gelegenheid gesteld op dit voornemen reageren. Tevens worden zij verzocht een formulier in te vullen met hun inkomsten, zodat de boete naar draagkracht berekend kan worden.

Eisers hebben gereageerd op het boetevoornemen.

Met het besluit van 24 juli 2018 (primair besluit 2) is een boete van € 854,22 opgelegd. Eisers hebben bezwaar aangetekend tegen dit besluit.

Met bestreden besluit 2 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

Gronden ten aanzien van de intrekking

2. Eisers hebben aangevoerd dat er sprake is van schending van het beginsel van reformatio in peius. Zij stellen dat het in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is om aan het bestreden besluit een besluit dat nog niet in rechte vast staat ten grondslag te leggen. Verder hebben eisers aangevoerd dat het telefoonnummer

[telefoonnummer] tot december 2014 in bezit is geweest van de broer van eiseres. Pas daarna is eiseres in het bezit gekomen van dit telefoonnummer. Op één uitzondering na hebben alle door het Werkplein gehoorde getuigen verklaard niet te weten wie er achter de naam [naam ] fotografie zit. Eiseres ontkent dat zij op het kraamfeestje van de getuige zou hebben gefotografeerd. Met de onderzoeksgegevens is niet bewezen dat de advertenties door eisers zijn geplaatst en dat er sprake is geweest van werkzaamheden en inkomsten. De broer van eiseres heeft verklaard de werkzaamheden met zijn vriendin te hebben uitgevoerd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres een wijzigingsformulier Kamer van Koophandel (KvK) van 4 februari 2013 overgelegd. De broer is bereid als getuige te worden gehoord. Verder heeft eiseres opgemerkt dat zij op 2 januari 2014 is geopereerd en zij in 2014 heeft moeten revalideren. Het was voor haar daarom niet mogelijk om werkzaamheden uit te voeren. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres medische informatie overgelegd.

In het geval dat er al sprake zou zijn geweest van schending van de inlichtingenplicht dan heeft dit, gelet op de stelling van het Werkplein, geleid tot aantoonbare opdrachten. De inkomsten worden pas behaald op het moment dat er een daadwerkelijke opdracht volgt.

Gronden ten aanzien van de terugvordering

3. Eisers hebben gesteld dat er sprake is van een dringende reden om af te zien van terugvordering. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

Gronden ten aanzien van de boete

4. Eisers hebben aangevoerd dat er geen sprake is van overtreding van de inlichtingenplicht. Verder hebben ze gesteld dat ook nog niet in rechte vast staat dat ze de inlichtingenplicht hebben overtreden. Daarom is er geen grondslag om op dit moment al een boete op te leggen. Eisers hebben verwezen naar alles wat zij tegen bestreden besluit 1 hebben aangevoerd. Verder hebben eisers nog aangevoerd dat niet duidelijk is op basis waarvan de draagkracht is berekend op basis waarvan het boetebedrag is vastgesteld. Tevens hebben eisers verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

Wettelijk kader

5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Intrekking van de uitkering

6. Van reformatio in peius is sprake als de indiener van een bezwaar via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie komt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn. Eisers hebben hun stelling dat hiervan sprake is onderbouwd met te verwijzen naar de schorsing en intrekking van de uitkering per 7 april 2017.

De rechtbank stelt vast dat aan de eerdere schorsing en intrekking van de uitkering ten grondslag heeft gelegen dat eisers de door Werkplein gevraagde stukken niet (volledig) hebben overgelegd. De heroverweging in bezwaar heeft zich beperkt tot de vraag of de uitkering per de schorsingsdatum terecht is ingetrokken. Dit is een andere beoordeling dan die thans voorligt. Verder is van belang dat Werkplein, los van het ingediende bezwaar, verplicht is de uitkering in te trekken als het recht wegens overtreding van de inlichtingenplicht niet kan worden vastgesteld. Er is dan ook geen sprake van reformatio in peius.

7. De beroepsgrond dat het in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel om aan bestreden besluit 1 een besluit ten grondslag te leggen dat nog niet in rechte vaststaat, slaagt niet. Het intrekkingsbesluit per 7 april 2017 ligt immers niet ten grondslag aan bestreden besluit 1.

8. Uit het door Werkplein ingestelde onderzoek blijkt dat er op naam van eiseres en met vermelding van het telefoonnummer [telefoonnummer] advertenties op Facebook en andere fora zijn geplaatst waarbij diensten als foto- en videografie, dj en verhuur van decoratie-artikelen worden aangeboden. Dit wordt ook niet ontkend door eisers. Eisers stellen zich echter op het standpunt dat eiseres pas vanaf eind 2014 de beschikking had over het telefoonnummer eindigend op [XXX] , dat eiseres de advertenties niet heeft geplaatst en dat zij ook geen werkzaamheden heeft verricht.

9. Uit de stukken blijkt dat eiseres bij contacten met de gemeente vanaf 9 november 2011 het telefoonnummer dat eindigt op [XXX] heeft opgegeven als haar telefoonnummer. Daarbij heeft eiseres niet vermeld dat dit niet haar telefoonnummer is en dat het telefoonnummer van haar broer is. Dit had wel voor de hand gelegen, als een ander dan het eigen telefoonnummer wordt doorgegeven aan een bestuursorgaan. In het gesprek van 21 maart 2017 met Werkplein heeft eiseres verklaard dat zij destijds geen eigen telefoonnummer had en dat ze daarom het nummer van haar broer heeft opgegeven. Tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat het destijds psychisch niet goed met haar ging en dat zij daarom het telefoonnummer van haar broer heeft opgegeven. Verder is tijdens het gesprek van 21 maart 2017 verklaard dat eiseres het telefoonnummer vanaf 2013 op haar naam heeft staan. In beroep heeft eiseres verklaard dat het telefoonnummer pas vanaf december 2014 op haar naam staat. Mede gelet op deze tegenstrijdige verklaringen is de rechtbank er niet van overtuigd dat eiseres pas vanaf eind 2014 de beschikking heeft gehad over dit telefoonnummer. Daarbij is tevens betrokken dat uit de brief van provider Simpel waarbij wordt aangegeven dat het telefoonnummer per 1 december 2014 wordt omgezet naar een Simpel-abonnement niet kan worden opgemaakt dat eiseres pas vanaf dat moment de beschikking over het nummer heeft gehad. Integendeel, in die brief staat immers vermeld dat per 1 december 2014 een abonnement wordt aangegaan met nummerbehoud. Dit impliceert dat het nummer ook voor 1 december 2014 al van eiseres was. Ook de verklaring van de broer van eiseres, met als onderbouwing het mutatieformulier, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu hij, zoals hierna wordt overwogen, niet eenduidig heeft verklaard. Bij de verdere beoordeling zal er daarom van uit worden gegaan dat het telefoonnummer eindigend op [XXX] in ieder geval vanaf 9 november 2011 het nummer van eiseres was.

10. Niet in geschil is dat er verschillende advertenties zijn geplaatst waarbij werkzaamheden worden aangeboden voor onder andere [naam ] decoratieverhuur, waarbij het telefoonnummer eindigend op [XXX] is vermeld. Omdat dit het telefoonnummer van eiseres was, is het vermoeden gerechtvaardigd dat eiseres degene is die de advertenties heeft geplaatst. Het ligt op de weg van eiseres om dat vermoeden te ontzenuwen (in soortgelijke zin ECLI:NL:CRVB:2018:1282).

Ter onderbouwing van haar stelling dat niet zij maar een ander de advertenties heeft geplaatst en dat ook een ander de werkzaamheden heeft verricht, heeft eiseres verwezen naar de verklaring van haar broer, haar operatie en revalidatie in 2013, een aantal verklaringen over haar surpriseparty en de intrekking van een getuigenverklaring.

Tijdens de zitting is de broer van eiseres als getuige gehoord. Over de ingangsdatum van het bedrijf [naam ] decoratieverhuur heeft de broer verschillende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij verklaard dat hij van eind 2013 tot eind 2016 eigenaar was van [naam ] decoratieverhuur, maar ook dat er al per 1 januari 2013 een inschrijving bij de KvK was. Deze verklaring roept vragen op. Hoewel het niet uitgesloten is dat werkzaamheden op een later moment beginnen dan de datum van inschrijving bij de KvK, zou de datum waarop iemand eigenaar van een bedrijf is gelijk moeten lopen met de datum inschrijving bij de KvK. Verder komt de verklaring van de broer van eiseres ook niet overeen met de datum van advertenties die uit het onderzoek van Werkplein naar voren zijn gekomen. Er is immers in ieder geval op 10 januari 2013 een post geplaatst op forums. [naam forums] waarbij [naam ] -deco zich aanbiedt. Dit komt niet overeen met de verklaring van de broer van eiseres dat hij pas eind 2013 is gestart met het bedrijf. Aan de verklaring van de broer van eiseres zal de rechtbank daarom voorbij gaan. Hierbij is tevens betrokken dat niet kan worden ingezien waarom de broer pas ruim 2 jaar nadat eisers geconfronteerd werden met een intrekking en terugvordering deze verklaring heeft afgelegd. Eiseres is er dan ook niet in geslaagd om het vermoeden dat zij de advertenties heeft geplaatst, te ontzenuwen. De rechtbank zal er daarom bij de verdere beoordeling van uitgaan dat eiseres de advertenties heeft geplaatst.

11. Door het plaatsen van advertenties ontstaat het vermoeden dat eiseres op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Het verrichten van zulke activiteiten kan volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep van belang zijn voor het recht op bijstand (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:1880 ). Het maakt daarbij niet uit met welke intentie die activiteiten worden verricht en of uit die activiteiten daadwerkelijk inkomsten worden genoten.

Dat er ook daadwerkelijk opdrachten uit de advertenties zijn gekomen, blijkt uit de getuigenverklaringen en de posts op internet. Uit de getuigenverklaring van [getuige2] blijkt dat haar creaties door [naam ] foto worden gefotografeerd. Dat zij niet kon of wilde verklaren wie de eigenaar van [naam ] foto is, is daarbij niet relevant. Ook uit de getuigenverklaring van [getuige3] blijkt dat er foto’s van haar kraamfeestje zijn gemaakt door eiseres. De stelling van eisers dat [getuige3] haar verklaring heeft ingetrokken is niet met stukken onderbouwd en is ter zitting ontkend door Werkplein. Overigens zou, ook al zou de verklaring zijn ingetrokken, dit niet zondermeer betekenen dat aan die verklaring geen waarde kan worden gehecht. Zonder volledig te willen zijn, wijst de rechtbank verder nog op de posts van 24 april 2014 en een aantal posts in december 2014 op forums. [naam forums] en de posts van 7 maart 2014, 13 oktober 2015 en 26 tot en met 30 juni 2016 op diverse facebookpagina’s. Ook hieruit blijkt dat er door [naam ] fotografie werkzaamheden zijn verricht.

Met de verklaringen die eisers hebben overgelegd over een surprise-party op 13 september 2014 is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres geen foto’s kan hebben gemaakt op een kraamfeestje op dezelfde datum. Uit de overgelegde verklaringen blijkt immers niet op welk tijdstip de surprise-party was en hoe lang dat heeft geduurd. Het is dus mogelijk dat eiseres voorafgaand aan of na de surpriseparty foto’s heeft gemaakt op een kraamfeestje.

Ook de verwijzing naar haar medische situatie begin 2013 overtuigt de rechtbank niet. Uit de overgelegde medische informatie blijkt immers niet dat eiseres in het geheel niet in staat was om werkzaamheden te verrichten.

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Nu zijn hierover geen enkele informatie heeft verstrekt, heeft Werkplein op goede gronden gesteld dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Werkplein was daarom verplicht de uitkering in te trekken. Door de intrekking te beperken tot de periode 7 maart 2014 tot 30 juni 2016 zijn eisers niet te kort gedaan.

Terugvordering

12. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet is Werkplein verplicht de teveel betaalde uitkering terug te vorderen. Dit is alleen anders als er sprake is van een dringende reden. Dringende redenen doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is (zie bijvoorbeeld

ECLI:NL:CRVB:2020:1064). Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Eisers zijn hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat hun inkomen onder de bijstandsnorm ligt, is daarvoor onvoldoende. Daarbij is tevens van belang dat bij de terugbetalingsregeling die kan worden getroffen, rekening gehouden wordt met de beslagvrije voet. Er bestaat daarom geen aanleiding om van terugvordering af te zien. De hoogte van de terugvordering is verder niet betwist, zodat deze onbesproken kan blijven.

Boete

13 Uit punt 11 volgt dat Werkplein heeft aangetoond heeft dat eisers de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Hiervan kunnen eisers een verwijt worden gemaakt. Werkplein was dan ook in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de Participatiewet een boete op te leggen. De beroepsgrond dat nog geen boete kan worden opgelegd omdat het intrekkingsbesluit nog niet in rechte vast staat, slaagt niet. De rechtbank volstaat met te verwijzen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:326.

Werkplein is bij de afstemming in het kader van de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete is rekening gehouden met de (fictieve) draagkracht van eisers door uit te gaan het voor hen geldende bijstandsniveau per 1 juli 2018. Dit is in overeenstemming met vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:866. Dat eisers mogelijk minder inkomen hebben dan de voor hen geldende bijstandsnorm is daarbij dus niet relevant.

De voor eisers per 1 juli 2018 geldende bijstandsnorm is € 1.423,66. Dit betekent dat zij een fictieve draagkracht hebben van € 142,37 per maand (10% van de bijstandsnorm). Bij verminderde verwijtbaarheid moet de boete in 6 maanden kunnen worden terugbetaald. Dit betekent dat de boete 6 x € 142,37 bedraagt. De door Werkplein vastgestelde boete van € 854,22 is daarmee in overeenstemming. De rechtbank acht deze boete evenredig.

Verzoeken om schadevergoeding

14. Ter zitting hebben eisers hun verzoek om schadevergoeding (in de vorm van wettelijke rente) ingetrokken. Deze verzoeken hoeven daarom niet meer besproken te worden.

Oordeel rechtbank

15. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen zullen de beroepen ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier op 3 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In artikel 18a, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat in dit artikel onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

In artikel 18a, tiende lid, van de Participatiewet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven met het Boetebesluit sociale zekerheidswetgeving (Boetebesluit).

In artikel 2, vijfde lid, van het Boetebesluit is bepaald dat indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, de bestuurlijke boete vastgesteld wordt op 25 procent van het benadelingsbedrag.

In artikel 32, eerste lid, onder a, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze inkomsten uit of in verband met arbeid betreffen dan wel naar hun aard met deze inkomsten overeenkomen.

In artikel 54, derde lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

In artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.