Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2362

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
C/02/7049716 CV EXPL 18-3676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitspraak in een Dexia aandelenlease-zaak. De kantonrechter oordeelt dat Dexia de volledige schade dient te vergoeden. Gehandeld in strijd met artikel 41 NR 1990. Overweging omtrent de feitelijke gang van zaken zijn tijdens het huisbezoek. Dexia heeft onvoldoende weersproken dat tijdens het huisbezoek sprake is geweest van een specifiek op de persoon van Afnemer gericht financieel advies van de adviseur van Spaar Select om een specifiek effectenleaseproduct met Dexia overeen te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Locatie Tilburg

zaaknummer: 7049716 CV EXPL 18-3676

vonnis van 20 mei 2020

inzake

[Eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

nader te noemen: Afnemer,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

tegen

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. J.R. van Staveren.

1 De procedure

In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

1.1.

Het verloop van het geding blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juni 2018 van Afnemer, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van (voorwaardelijke) eis in reconventie van Dexia, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van (voorwaardelijk) antwoord in reconventie van Afnemer, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van Dexia, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van Afnemer.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat het volgende vast.

2.1.

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2.

Afnemer heeft de volgende lease-overeenkomst ondertekend waarop Afnemer als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Contract

Datum

Naam

Leasesom

Looptijd

Termijnbedrag

21200755

08-02-1999

Capital Effect

€ 16.283,28

240 mnd

€ 67,85 p/m

2.3.

Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

30-06-2006

-/- € 182,40

Ja

2.4.

Volgens opgave van Dexia heeft Afnemer op grond van de lease-overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 6.038,65 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Afnemer heeft € 1.142,27 aan dividenden ontvangen, bestaande uit € 1.125,89 uitgekeerd dividend en € 16,38 verrekend dividend.

Op 16 april 2012 heeft Dexia een bedrag van € 156,03 aan Afnemer uitgekeerd.

Bij het einde van de overeenkomst heeft Dexia de onderliggende effecten aan Afnemer uitgeleverd, Afnemer heeft in verband daarmee aan Dexia (extra) betaald € 182,40 terwijl op dat moment de restant hoofdsom € 5.041,38 bedroeg.

2.5.

De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft (onder andere) bij brief van 16 juni 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

2.6.

Afnemer heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

2.7.

De gemachtigde van Afnemer heeft in oktober 2009 en in januari 2012 brieven aan Dexia gezonden namens onder meer Afnemer, die onder meer gericht waren op stuiting van de verjaring van de vorderingen van Afnemer op Dexia. Bij brief van 1 december 2016 heeft Afnemer aanspraak gemaakt op schadevergoeding in verband met advisering door de tussenpersoon.

3. De vorderingen

In conventie

3.1.

Afnemer vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten. Verder vordert Afnemer Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van deze lease-overeenkomst is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling. Ten slotte vordert Afnemer Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke- en de proces- en nakosten.

In (voorwaardelijke) reconventie

3.2.

Dexia vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat de in conventie opgeworpen verweren met betrekking tot de klachtplicht en de verjaring worden verworpen:
- Afnemer zal bevelen aan Dexia een kopie te verstrekken van het dossier dat Leaseproces omtrent haar heeft aangelegd, althans van het(de) intakeformulier(en), op straffe van een dwangsom;
onvoorwaardelijk:
- voor recht zal verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand gekomen is, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging;
- voor recht zal verklaren dat Afnemer met betrekking tot de overeenkomst niet is blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last;
- voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan Afnemer verschuldigd is;
- Afnemer zal veroordelen in de proceskosten.

4 Standpunten van partijen

4.1.

Beide partijen voeren gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van de wederpartij. Daarbij stelt Afnemer dat Dexia aansprakelijk is voor het handelen van de tussenpersoon Spaar Select. Afnemer doelt daarbij meer specifiek op de onjuiste advisering (niet waarschuwen voor risico restschuld en schending van de informatieverplichting) door deze tussenpersoon bij de totstandkoming van de onderhavige lease-overeenkomst. Voorts heeft Dexia door gebruik te maken van de betreffende tussenpersoon in strijd gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling (NR 1999), waardoor Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.

5 Beoordeling van de vorderingen

5.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is dat de afnemer van het product met geleend geld en/of spaargeld gaat beleggen. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met het (grotendeels) verloren gaan van hun inleg of zelfs met restschulden. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder Afnemer.

5.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

5.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

In conventie

Volmacht en verjaring
5.4. Dexia betwist allereerst - bij gebreke van een recente volmacht - dat Leaseproces gevolmachtigd is om namens Afnemer deze procedure op te starten. Zij verzoekt de kantonrechter daarom om Leaseproces te gelasten een recente volmacht te overleggen waaruit de wil blijkt van Afnemer om Dexia nog immer in rechte te betrekken.

Dit verweer slaagt niet. Door Dexia is niet betwist dat Leaseproces door Afnemer gevolmachtigd is. Zij wil bewijs dat dit niet veranderd is. Hiervoor is geen grond. Dexia heeft haar stelling dat het voorgekomen is dat Leaseproces namens een overleden cliënt procedeert niet onderbouwd. Evenmin heeft Dexia onderbouwd dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat juist Afnemer zijn machtiging heeft ingetrokken.

5.5.

Ook voert Dexia aan dat de vordering van Afnemer is verjaard. Daartoe merkt Dexia op dat Afnemer pas een beroep op de beweerde schending van artikel 41 NR 1999 heeft gedaan ruimschoots na verloop van vijf jaar nadat afnemer bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, terwijl de verjaring niet is gestuit. In de eerdere brieven, en in het bijzonder in de brief uit (januari) 2012 wordt de beweerde schending niet genoemd. Ook de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van schending van zorgplichten is volgens Dexia met deze brief niet gestuit, nu uit deze brief niet blijkt welke verwijten Dexia worden gemaakt, geen schending van zorgplichten wordt genoemd en geen aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding.

Het beroep op verjaring wordt eveneens verworpen. De vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart vijf jaar na het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW). Met de brief van 16 juni 2006 waarin onder meer de onrechtmatige daad wordt genoemd en de daarop volgende brieven heeft afnemer de verjaring van deze vordering op Dexia gestuit.

Klachtplicht
5.6. Dexia stelt zich op het standpunt dat Afnemer zijn klachtplicht uit hoofde van artikel 6:89 BW heeft geschonden, aangezien hij pas vele jaren na dato jegens Dexia heeft geklaagd over de rol van de tussenpersoon bij het sluiten van de overeenkomst. De namens Afnemer gestuurde brieven aan Dexia bevatten geen verwijzing naar de tussenpersoon en bevatten evenmin een klacht over de rol van de tussenpersoon, aldus Dexia. Het beroep op schending van de klachtplicht wordt afgewezen. De gehoudenheid van Dexia tot schadevergoeding is niet gebaseerd op de grond dat Dexia in strijd met artikel 41 NR 1999 Afnemer als cliënt heeft geaccepteerd, maar op een schending door Dexia van de op haar rustende tweeledige zorgplicht. Pas bij de vaststelling van de omvang van schadevergoeding op grond van de schending van die zorgplicht wordt het in strijd handelen met voornoemd artikel in aanmerking genomen bij de schuldverdeling in de zin van artikel 6:101 BW. Een schending van de klachttermijn is dan ook niet aan de orde.

Tussenpersoon
5.7. In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015) heeft de Hoge Raad – kort weergegeven – geoordeeld dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens Afnemer als financieel adviseur is opgetreden, handelt zij in strijd met artikel 41 NR 1999. Indien Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier tevens adviseerde, dan levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de Afnemer van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de lease-overeenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de Afnemer vormden.

5.8.

Afnemer heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via tussenpersoon Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom worden of Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

5.9.

Partijen zijn het erover eens dat van advisering sprake is indien een aanprijzing wordt toegesneden op de persoonlijke financiële situatie en/of als een product (in dit geval een effectenlease-overeenkomst) als vanwege diens financiële situatie geschikt voor de betrokken persoon wordt aanbevolen. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon hem in voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer.

5.10.

Afnemer stelt hierover het volgende.

Afnemer is ongevraagd telefonisch benaderd door een medewerker van Spaar Select met het aanbod voor een huisbezoek van een financieel adviseur. Afnemer is hierop ingegaan. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur, mevrouw Miranda van Gils, geïnformeerd naar de financiële wensen en de financiële situatie van Afnemer. Afnemer gaf aan vermogen te willen opbouwen voor de studiekosten van zijn kinderen alsmede voor later, als aanvulling op zijn pensioen. De adviseur adviseerde Afnemer om het Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. Volgens de adviseur zou Afnemer met een maandelijkse inleg van NLG 150,- een aanzienlijk vermogen opbouwen. Over de risico’s van het product is Afnemer nimmer geïnformeerd. Afnemer heeft het advies opgevolgd en heeft de overeenkomst later ondertekend.

5.11.

Dexia heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat tijdens het huisbezoek is besproken hetgeen Afnemer heeft gesteld. Dat betekent dat de gang van zaken tijdens het huisbezoek zoals door Afnemer geschetst, in rechte is komen vast te staan. Op de overeenkomst staat Spaar Select als adviseur genoemd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van een specifiek op de persoon van Afnemer gericht financieel advies van de adviseur van Spaar Select om een specifiek effectenleaseproduct met Dexia overeen te komen. Aan de hand van een inventarisatie van de persoonlijke situatie en wensen van Afnemer heeft Spaar Select geadviseerd het product aan te schaffen. Spaar Select heeft zich niet beperkt tot het geven van algemene informatie over de verschillende beleggingen of over effectenleaseproducten. Hetgeen Dexia in dit verband heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders.

Orderremisier

5.12.

Indien en voor zover Afnemer aanvoert, of bedoeld aan te voeren, dat ook sprake is van onrechtmatig handelen door Dexia omdat de tussenpersoon is opgetreden als orderremisier en daardoor gehandeld heeft in strijd met artikel 41 NR 1999, hij daartoe aanvoert dat het namens en voor rekening van een cliënt door de tussenpersoon insturen van een aanvraagformulier aan Dexia is aan te merken als het doorgeven van een order en Dexia dit betwist, geldt het volgende. Bij arrest van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:809) heeft de Hoge Raad hiervoor maatstaven geformuleerd. Of op grond daarvan in het onderhavige geval sprake is geweest van het doorgeven van een order als door Afnemer bedoeld, wordt echter in het midden gelaten. Dit omdat – ook indien dat het geval zou zijn – daardoor geen wijziging zal kunnen optreden in de uitkomst van deze zaak zoals deze hierna zal blijken.

Wetenschap Dexia

5.13.

Afnemer stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat Spaar Select een op de persoon van Afnemer toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit.
In diverse uitspraken van verschillende rechtbanken is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures (waaronder deze) overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. De rechtbank betrekt hierbij ook het oordeel van het Gerechtshof Den Haag, neergelegd in het arrest van 12 september 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2530), waarin is geoordeeld over de wetenschap destijds van Dexia, haar gerichtheid op het op grote schaal door tussenpersonen adviseren over effectenleaseproducten, ook door cliëntenremisiers, de wetenschap van Dexia van de op stelselmatig adviseren gerichte werkwijze van Spaar Select en het belang van Spaar Select als tussenpersoon. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure omtrent deze stukken een ander oordeel te geven.

5.14.

Hoewel het voorgaande betrekking heeft op de algemene gang van zaken bij de verkoop en bemiddeling van beleggingsproducten via en door tussenpersonen en daaruit niet blijkt dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan Afnemer, komt uit deze stukken wel naar voren dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van lease-overeenkomsten, zoals in dit geval de overeenkomst met Afnemer, navraag te doen bij Spaar Select of de desbetreffende klant de overeenkomst(en) is aangegaan op advies van Spaar Select, teneinde te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met Afnemer kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat Afnemer door Spaar Select is geadviseerd.

Aansprakelijkheid

5.15.

Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Afnemer de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens hem onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afnemer omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van Afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

5.16.

De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld doordat Dexia niet heeft geweigerd de overeenkomst met Afnemer aan te gaan, terwijl Afnemer als potentiële cliënt bij Dexia was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

5.17.

De als gevolg daarvan door Afnemer geleden schade, bestaande uit de door Afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) minus dividenduitkeringen en andere voordelen dient Dexia te vergoeden. Ook moet rekening gehouden worden met het eventuele fiscale voordeel dat door Afnemer is genoten. Afnemer heeft de door Dexia verstrekte financiële gegevens (overgelegd als productie 1 bij antwoord in conventie) onvoldoende weersproken, zodat van de juistheid van deze bedragen wordt uitgegaan.

Dat betekent dat in ieder geval toewijsbaar is het totaalbedrag aan:

- de door Afnemer betaalde termijnen en/of eenmalige inleg ad € 6.038,65

- de door Afnemer betaalde restschuld ad € 182,40

verminderd met:

- de door Afnemer ontvangen dividenden c.a. ad -/- € 1.142,27

- het door Afnemer genoten fiscaal voordeel ad -/- € 940,45

- de door Dexia reeds betaalde schadevergoeding ad -/- € 156,03

Dat betekent dat Dexia aan Afnemer dient te restitueren € 3.982,30.


Rente

5.18.

Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen te berekenen over de hierna vast te stellen hoofdsom.

Buitengerechtelijke kosten

5.19.

Afnemer heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van de belegger en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van de belegger te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Voorwaardelijke reconventie

5.20.

Omdat in conventie het beroep van Dexia op verjaring en de klachtplicht verworpen zijn, wordt toegekomen aan de voorwaardelijk ingestelde vordering.
De vordering die gebaseerd is op artikel 843a Rv, kan niet worden toegewezen, omdat Dexia daar geen belang bij heeft. Bij toewijzing van de vordering bij eindvonnis kunnen de gegevens waar de vordering op ziet, niet in deze instantie gebruikt worden door Dexia. Dexia heeft niet gesteld welk belang zij na het eindvonnis heeft bij afgifte van (een kopie van) de gevorderde stukken.

Onvoorwaardelijke reconventie

5.21.

Gelet op de beoordeling in conventie heeft Dexia geen belang meer bij de vorderingen in reconventie, waar het gaat om verklaringen voor recht.

In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

5.22.

Dexia heeft betoogd dat, indien de vordering (deels) zal worden toegewezen, uitvoerbaarverklaring bij voorraad achterwege moet blijven, dan wel hieraan de voorwaarde moet worden verbonden dat Afnemer voor het toe te wijzen bedrag zekerheid stelt. De kantonrechter is van oordeel dat, de belangen van partijen afwegende in het licht van de omstandigheden van het geval, het belang van Afnemer bij (onmiddellijke) beschikking over de toe te wijzen bedragen zwaarder weegt dan het belang van Dexia bij voorkoming van een restitutierisico. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal dus (onvoorwaardelijk) worden toegewezen.

Proceskosten

5.23.

Dexia wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in conventie gevallen aan de zijde van Afnemer. Gezien de samenhang tussen het debat in conventie en in reconventie wordt het salaris gemachtigde van Afnemer in reconventie evenwel bepaald op nihil.

5.24.

De gevorderde nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen, voor zover nakosten gemaakt zullen worden en Dexia niet vrijwillig binnen veertien dagen na aanschrijving door Afnemer aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan. De nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 100,00, zijnde het door Afnemer aangegeven maximum.

6 Beslissing

In conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat;

veroordeelt Dexia aan Afnemer ter zake de lease-overeenkomst met nummer 21200755 te betalen € 3.982,30, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3) tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Afnemer tot op heden vastgesteld op:

a. kosten dagvaarding € 98,01

b. griffierecht € 79,-

c. salaris gemachtigde € 480,-;

veroordeelt Dexia, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Afnemer volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

In reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van Afnemer gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en op 20 mei 2020 in het openbaar uitgesproken.