Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2098

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-05-2020
Datum publicatie
14-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1370
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/1370 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. T. de Beet,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 31 juli 2018 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning om de aanbouw bij zijn woning aan de [adres] te [plaatsnaam] af te splitsen van de woning en aldus als zelfstandige woning te kunnen gebruiken, afgewezen.

In het besluit van 1 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 6 maart 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en [naam vertegenwoordiger] namens het college.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1 Feiten en omstandigheden

Het college heeft bij besluit van 27 november 2012 een omgevingsvergunning verleend aan eiser om op het perceel plaatselijk bekend [adres] te [plaatsnaam] een vrijstaande woning te kunnen realiseren. Deze woning is vervolgens gebouwd.

Na een daartoe stekkende aanvraag van eiser heeft het college bij besluit van 9 november 2015 een omgevingsvergunning verleend om bij de woning een aanbouw te realiseren. Ook deze aanbouw is gerealiseerd.

Op 5 juli 2018 heeft het college van eiser een aanvraag ontvangen om de aanbouw af te splitsen van de woning, zodat de aanbouw gebruikt en verkocht kan worden als een volwaardige, zelfstandige woning.

Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiser afgewezen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft zijn bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van de bezwarencommissie van 19 december 2018.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de bezwarencommissie ongegrond verklaard.

2 Wet- en regelgeving

De op de zaak betrekking hebbende, relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

3 Beoordeling

3.1

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er geen sprake is van een splitsing van de woning, maar van aanpassing van de omgevingsvergunning van 9 november 2015 naar de feitelijke situatie. Volgens eiser heeft het college met de omgevingsvergunning van 9 november 2015 een vergunning verleend voor een tweede, aparte woning. Dit volgt ook uit het feit dat de tweede woning niet voldoet aan de eisen die het bestemmingsplan stelt aan een aanbouw.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de tekst van de omgevingsvergunning en uit de bijgevoegde bouwtekening, waaruit blijkt dat de aanbouw en de woning met elkaar in verbinding staan met een tussendeur op de begane grond, blijkt dat de omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een aanbouw. Dit strookt ook met de bewoordingen in de aanvraag.

3.2

Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat op grond van het bestemmingsplan “Bebouwde kom [plaatsnaam] 2005, 2e wijziging sportvelden” de grond bestemd is voor twee aaneen gebouwde woningen. De splitsing voldoet dus aan het bestemmingsplan.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat het recht moet worden toegepast zoals dat op het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar geldt. Slechts bij wijze van uitzondering mag een bouwaanvraag worden getoetst aan het ten tijde van de indiening ervan nog wel, maar ten tijde van het besluit op bezwaar niet meer geldende bestemmingsplan als ten tijde van de indiening van de aanvraag het daarin vervatte plan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan.

Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in overeenstemming was met het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende bestemmingsplan “Bebouwde kom [plaatsnaam] 2005, 2e wijziging sportvelden”. Niet alleen was het op grond van dat bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse twee woningen te realiseren, maar daarnaast was het op grond van dat bestemmingsplan niet toegestaan buiten het bouwvlak te bouwen en moest er in de voorgevelrooilijn worden gebouwd. Ook daar voldoet de aanvraag van eiser volgens het college niet aan.

Gelet op de ter plaatse geldende bestemming “Wl 6”: woondoeleinden – lintbebouwing” en de bijbehorende doeleindenomschrijving waren de gronden ten tijde van de aanvraag bestemd voor maximaal twee aaneen gebouwde woningen, zodat er naar het oordeel van de rechtbank niet valt in te zien dat er in zoverre sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Dat betekent echter niet dat het plan volledig in overeenstemming is met het bestemmingsplan “Bebouwde kom [plaatsnaam] 2005, 2e wijziging sportvelden”. Zoals het college heeft gesteld, en eiser niet heeft betwist, is er sprake van strijd met het bestemmingsplan, nu de aanbouw buiten het bouwvlak en niet in de voorgevelrooilijn is gebouwd. Dat betekent dat er geen aanleiding is voor een uitzondering op het uitgangspunt en dat het recht moet worden toegepast zoals dat op het moment van de beslissing op bezwaar gold.

3.3

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan “Kom [plaatsnaam] 2018”. Dat betekent dat er pas een vergunning kan worden verleend voor de activiteit “bouwen” als er ook een vergunning wordt verleend voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingplan”.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan “Kom [plaatsnaam] 2018” geen regels bevat met toepassing waarvan in dit geval van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Dit geldt ook voor het Besluit omgevingsrecht (Bor). Eiser heeft dat niet betwist.

3.4

Eiser heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunningen in 2012 en 2015 heeft verleend, zonder daarbij de juiste procedure toe te passen, zodat niet valt in te zien waarom het college de vergunning nu niet ook zou verlenen.

Het college heeft erkend dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning (2012) en de aanbouw (2015) zijn verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) terwijl in het Bor geen regels waren opgenomen met toepassing waarvan voor het bouwen van de woning en de aanbouw van het bestemmingsplan kon worden afgeweken. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat het college niet gehouden is een eerder gemaakte fout te herhalen. Deze grond slaagt dan ook niet.

3.5

Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend om op een locatie nabij eisers woning vijf woningen te bouwen, terwijl er oorspronkelijk vier woningen gebouwd zouden worden. Ook daar was er sprake van strijd met het bestemmingsplan.

Ter zitting is gebleken dat op de locatie van de woningen waarop eiser gewezen heeft andere planregels gelden. Anders dan ter plaatse van de woning van eiser, staan die planregels niet in de weg aan het vermeerderen van het aantal woningen van vier naar vijf. Omdat er geen sprake is van gelijke gevallen gaat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet op.

3.6

Eiser heeft tot slot gesteld dat hij niet enkel een financieel belang heeft bij de woningsplitsing. De verkoop van de woning is nodig om eisers gehandicapte echtgenote in geval van overlijden van eiser verzorgd te kunnen achterlaten in een woonproject.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bestemmingsplan “Kom [plaatsnaam] 2018” geen regels bevat met toepassing waarvan in dit geval van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, en dat hetzelfde geldt voor het Bor. Omdat een wettelijke grondslag voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan” ontbreekt, kan niet worden toegekomen aan een belangenafweging, maar moet het college de aanvraag om een omgevingsvergunning afwijzen. Eisers stelling dat hij naast financiële belangen ook andere belangen heeft bij de woningsplitsing kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het college de omgevingsvergunning had moeten verlenen.

4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 8 mei 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak (mede) te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt -kort gezegd- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan: (a) het bouwbesluit, (b) de bouwverordening (c) het bestemmingsplan of (d) de redelijke eisen van welstand.

Op grond van het tweede lid, wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, bepaalt -voor zover van belang- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening slechts kan worden verleend:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Bestemmingsplan

Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan “Kom [plaatsnaam] 2018”. De grond waarop de woning en de aanbouw zijn gerealiseerd hebben daarin de bestemming “Wonen”, met de bouwaanduiding “vrijstaand”.

Artikel 11.2.1 (“Toelaatbare bebouwing”) van de planregels bepaalt dat op deze gronden uitsluitend ten dienste van de in lid 11.1 bedoelde bestemmingen mogen worden gebouwd:

a. woningen met dien verstande dat:1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', uitsluitend vrijstaande woningen mogen worden gebouwd.

Artikel 11.2.2 (“Woningen”) onder a van de planregels bepaalt dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal woningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal wooneenheden' maximaal het aantal woningen mag worden gebouwd zoals met de aanduiding is weergegeven.

Op het moment van het indienen van de aanvraag en het nemen van het primaire besluit gold ter plaatse van de woning en de aanbouw bestemmingsplan “Bebouwde kom [plaatsnaam] 2005, 2e wijziging sportvelden”.

De grond waarop de woning en de aanbouw zijn gerealiseerd hadden daarin de bestemming “Wl 6”: woondoeleinden – lintbebouwing.

Artikel 7, onder 1 (“Doeleindenomschrijving”) van de voorschriften bepaalt dat de op de plankaart voor “Woondoeleinden” aangewezen gronden bestemd zijn voor de huisvesting van personen. Ter plaatse van de op de plankaart opgenomen subbestemmingen zijn de gronden bestemd voor:

Wl: maximaal twee aaneen gebouwde woningen (lintbebouwing)

Artikel 7, onder 3.1, van de voorschriften bepaalt dat met betrekking tot het bouwen van woningen de volgende bepalingen gelden:

a. de woningen – aan- en uitbouwen daarbij niet begrepen – mogen uitsluitend binnen

de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd;

b. de woningen dienen met de voorgevel te worden gebouwd in de op de kaart aangegeven

voorgevelrooilijn, daar waar een dergelijke lijn op de plankaart is aangegeven.

Indien voor een bouwperceel twee voorgevelrooilijnen zijn bepaald, dienen zowel

de voor- als de zijgevel hierin te worden gebouwd.